Boekhouders na de Holocaust: de kleine Sjoa

BAKKER-foto-slooppanden
Meer dan 10.000 Joodse woningen werden geroofd en doorverkocht door makelaars, notarissen en gemeenten voor eigen stadsvernieuwing, zoals ook dit rijtje in Amsterdam. Van teruggave was geen sprake meer. (Foto: Stadsarchief Amsterdam)

Heel Nederland bevrijd? Nee, niet heel Nederland. De Joden die na enkele weken en maanden na de bezetting terugkwamen uit de onderduik en uit de kampen, kregen in Nederland weer te maken met dezelfde ambtenaren die tijdens de bezetting functioneerden als boekhouders van de Holocaust. Het Joodse verdriet van Nederland werd door prof. em. Isaac Lipschits samengevat onder de titel ‘De kleine Sjoa’.

Pas 55 jaar na de bevrijding kregen de Joden hun laatste geroofde bezittingen terug, waaronder de terugbetaling van het kamp Westerbork, dat ooit door de beroofde Joden zelf was betaald. Minister-president Wim Kok zou in het jaar 2000 excuses aanbieden voor het handelen van de overheid ná de bezetting. Net als de banken, verzekeringsmaatschappijen, de beurs. Op excuses van de regering voor het handelen tijdens de bezetting moesten de Joden nog twintig jaar wachten.

Op 8 mei 1945, het einde van de Tweede Wereldoorlog, bevonden zich in diverse kampen nog zo’n vijfduizend Joodse en ook niet-Joodse gevangenen. Drie dagen na de bevrijding van Dachau op 29 april 1945 waren de eerste Franse en Belgische regeringsvertegenwoordigers in het kamp gearriveerd, vier dagen later stond een Russische missie voor de poort en twintig dagen na de bevrijding was er nog geen levensteken of vertegenwoordiger van de Nederlandse regering geweest.

Op 24 mei 1945 berichtte De Volkskrant dat 480 bevrijde Nederlanders nog steeds achter prikkeldraad zaten en er mensen stierven aan honger, verkeerd voedsel of vlektyfus. Het vermoeden was dat het in andere concentratiekampen precies zo gesteld was met de Nederlandse gevangenen. Daar wachtten inderdaad nog maar zo’n vijfduizend Joodse overlevenden.

Er waren 107.000 Joden uit Nederland gedeporteerd, zogenaamd naar werkkampen en afkomstig uit zo’n 450 gemeenten. Werden die voormalige inwoners daar niet gemist? Vroeg geen burgemeester, bevolkingsambtenaar, departement of minister zich af waar die mensen uit de werkkampen bleven? En toen de eerste verhalen over de kampen de wereld in gebracht werden, vroeg niemand zich toen af of er overlevenden waren die geholpen moesten worden?

Nee dus.

Zwijgende media

Er waren grote bevrijdingsfeesten en het communistische dagblad De Waarheid kondigde op 27 juni 1945 een groot defilé aan en noemde ook twee plechtigheden in de Jordaan waar omgekomen buurtgenoten werden herdacht. Dat de meeste slachtoffers in de Jodenbuurt waren gevallen, werd niet genoemd. In datzelfde nummer op de voorpagina, weggedrukt tussen een nieuwtje over een staking en een auto-ongeluk, stond een klein bericht met als kop: ‘95.000 Nederlandse Joden vermoord’.

En de mededeling dat er thans1400 waren teruggekeerd. Dat er dan nog 3600 mensen probeerden thuis te komen, werd er niet bij vermeld.

De media die tijdens de bezetting braaf de richtlijnen van de bezetter volgden, zwegen na afloop van de oorlog in alle talen over het lot van de Joden dat zich de afgelopen jaren onder ieders ogen had afgespeeld: de razzia’s, het ophalen van huis, de dichtgetimmerde en leeggehaalde huizen van de Joden, de transporten naar Westerbork, het was zichtbaar toen de bovengrondse pers zich aan banden liet leggen en het was geen nieuws meer toen de pers weer vrij was.

Zowel het communistische dagblad als de katholieke, protestantse en liberale bladen maakten melding van respectievelijk een bekende communist, katholiek, protestant of liberaal die in de kampen was vermoord – zij werden als helden geëerd, maar over het lot van de meer dan honderdduizend onbekende Joodse Nederlanders werd gezwegen.

U wordt niet terug verwacht

Over de terugkeer en opvang van de Joden zijn vele getuigenissen geschreven, onder anderen door Michal Citroen, met de veelzeggende titel: ‘U wordt door niemand verwacht.’ Citroen gaf talrijke voorbeelden van formalistische ambtelijke onverschilligheid jegens de terugkerende Joden, maar ook bij de lokale ambtenaren en zelfs burgemeesters die geen aandacht besteedden aan brieven van teruggekeerde burgers die informeerden naar mogelijke overlevende familieleden uit dezelfde woonplaats. In die zin was er sprake van continuïteit in het beleid tijdens en na de oorlog.

Maar misschien is het te gemakkelijk om de slechte en formalistische opvang te wijten aan onverschilligheid. Er kan iets anders hebben meegespeeld: vaak werd er stomverbaasd gereageerd wanneer iemand terugkwam, ook direct in de eerste meidagen van de bevrijding. Zoals Citroen omstandig duidelijk maakte: men werd niet meer verwacht.

Het illustreert dat men niet alleen niet echt welkom was, maar het duidde er ook op dat men er in het algemeen van uit was gegaan dat de gedeporteerde Joden hun lot niet zouden terugkeren of overleven. Hetgeen in schril contrast staat met de veelgehoorde bewering dat men ‘niets wist van hun lot’. Mogelijk was het verhaal van de ‘werkkampen in het oosten’ nooit overtuigend geweest, maar wilden overheden en omstanders het graag geloven, desnoods om het eigen geweten te sussen.

Belastingen voor de doden

Na terugkeer was het voor vele, ook lokale ambtenaren weer business as usual. Op 6 oktober 1945 kreeg de Nederlands-Israëlitische Gemeente van Zwolle een herinnering van de Ontvanger van de directe belastingen: Straatbelasting 1944, een bedrag van 3,98 gulden en ‘spoedig te voldoen’. De originele dagtekening was 30 juni 1944, maar toen waren er in Zwolle al geen Joden meer aan wie het aanslagbiljet gestuurd kon worden.

Verschillende gemeenten, waaronder Amsterdam maar ook veel andere, lukte het niet tijdens de oorlog om gemeentelijke belastingen, zoals erfpacht, straatbelasting en dergelijke te incasseren over van Joden geroofd onroerend goed. Als dat door de Duitsers onder hun beheer was geplaatst, werd er gewoon niet betaald en nieuwe kopers betaalden nauwelijks. Na de oorlog kregen de Joodse burgers en instanties alsnog deze achterstallige rekeningen gepresenteerd. Een Joodse burger kreeg een aanslag vermogensbelasting over het jaar 1944, over een vermogen dat toen al in beslag was genomen door de Duitsers.

Beroofde Joden

Ongeveer 13.000 Joden, ruim 8 procent van de totale Joodse bevolking, hadden waardepapieren, kunst, sieraden en dergelijke moeten inleveren bij de Duits-Nederlandse Liro-bank. Als dat verdwenen was, was de vraag tegen welk bedrag dit getaxeerd moest worden. Er waren 850 eisers in verband met de arisering van bedrijven, meer dan 5300 eisers vanwege onroerend goed en hypotheken en 500 eisers wegens in beslag genomen gelden. Het zou in totaal gaan om een bedrag van 1 miljard gulden.

Meer dan tienduizend Joodse huizen waren doorverkocht aan Duits-vriendelijke relaties, via meewerkende makelaars, notarissen en gemeenten die huizen opkochten voor bijvoorbeeld stadsvernieuwing.

Bestolen erfgenamen

Het was de vraag of van de 102.000 overledenen nog familie in leven was en zo ja, of die familie iets wist van de bezittingen. In de praktijk bleek dat de meeste rekeninghouders relatief kleine bedragen hadden nagelaten, er waren nu eenmaal veel meer arme dan rijke Joden. Van de 102.000 overledenen was niet altijd de sterfdatum bekend.

Voor de Nederlandse staat speelde een eigen financieel belang mee: hoeveel keer werd er in theorie geërfd als familieleden/erfgenamen successievelijk op verschillende data stierven? In theorie moest er bij ieder afzonderlijk erven erfbelasting worden betaald. In andere landen, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, werd dit opgelost door de sterfdatum voor alle vermoorde mensen gelijk te stellen, bijvoorbeeld 30 mei 1945. In dat geval hoefde slechts eenmaal successierechten te worden betaald.

Voor de staat was het nadeel dat de Nederlandse overheid een aanzienlijk bedrag aan successierechten zou mislopen. En het financiële belang van de staat ging voor. De minister van Financiën onder premier Drees, P. Lieftinck (PvdA), besloot af te zien van een collectieve datum. Deze minister zou na de oorlog de belangrijkste tegenspeler worden van de Joden die rechtsherstel zochten.

De niet geclaimde erfenissen werden de onbeheerde gelden genoemd. Die werden bewaard door de staat en wie binnen de bij de wet vastgestelde verjaringstermijn van zestig jaar zich alsnog opwierp als wettig erfgenaam, kreeg uitbetaald met een rentevergoeding.

In 1980 werd die wet veranderd en werd de verjaringstermijn teruggebracht van zestig jaar naar twintig jaar. Dus na 1980, vijfendertig jaar na de oorlog, was er niets meer te claimen, en was het voordeel voor de Nederlandse staat. Omdat deze onbeheerde gelden vrijwel zeker van Joodse overledenen kwamen, kreeg men het verzoek uit de Joodse gemeenschap om die gelden te zijner tijd niet aan de staat maar aan de Joodse gemeenschap ten goede te laten komen. Toenmalig minister van Financiën, dr. H.O.C.R. Ruding (KVP/CDA) weigerde

dat.

Juridisch getto

Aan de kant van de beroofden was het advocaat Heiman Sanders die de gelederen namens de Joodse gedupeerden aanvoerde. Maar tegenover Sanders stonden geweldige machten, te weten verzekeraars, banken, de beurs en niet in de laatste plaats de Nederlandse staat, waarbij minister van Financiën P. Lieftinck de belangrijkste tegenspeler werd.

In zijn strijd tegen overheid, beurzen en banken, ondervond Sanders niets anders dan grote tegenwerking. Zij waren bijvoorbeeld niet bereid om aan belanghebbenden zoals de bestolen Joden, hun erfgenamen of hun vertegenwoordigers, gegevens te verstrekken over effectentransacties uit de bezettingstijd.

Er was een welbewuste obstructie vanuit het bedrijfsleven, met name het financiële, gericht tegen het rechtsherstel. De Nederlandse financiële wereld, de banken en de beurzen hebben niet alleen getracht hun eigenbelangen te behartigen. Ze gingen daarbij ver over de grens van het toelaatbare.

Symbolisch voor de houding van de Nederlandse staat was de opstelling van minister van Financiën Lieftinck. Hij weigerde categorisch de kosten te vergoeden van de bouw van de kampen Vught en Westerbork die in bezettingstijd voor 25,6 miljoen gulden uit Joodse vermogens waren betaald. De Joden mochten hun eigen gevangenis betalen.

Lieftinck was bereid om het rechtsherstel te blokkeren of opzij te zetten, zodra het naar zijn mening met economische belangen in conflict kwam. Hij legitimeerde die benadering met de visie dat niet de Nederlanders, maar de Duitsers verantwoordelijk waren geweest voor de ontrechting en ontnemingen van de Joodse gemeenschap.

Wouter Veraart betitelde dit handelen in zijn promotieonderzoek als ‘een juridisch getto’. Zo werd geroofde Joodse kunst, dat veelal al in Nederlandse musea hing en in de oorlog voor een spotprijs was aangekocht, onderdeel van een tentallen jaren durend onderzoek en nog zijn alle zaken anno 2020 niet opgelost.

Wiedergutmachung

De Bondsrepubliek wilde in 1957 een schadevergoeding regelen voor de in Nederland geroofde inboedels, de Bundesrückerstattungsgesetz, kortweg Brüg. Nederlandse ambtenaren zouden dit verdelen en de schade per persoon proberen te bepalen. Dat ging pijnlijk grof en nauwkeurig, op een enkel geval na, maar dat betrof een lid van het koninklijk huis.

Wat geschiedschrijver Isaac Lipschits opviel was de argwaan bij de ambtenaren jegens de beroofde Joden of hun erfgenamen, zo overheersend dat gesproken kon worden van een structureel negatieve benadering. Zo werd een man door een ambtenaar doorgezaagd over de prijs en kwaliteit van het ondergoed van zijn vergaste vrouw.

Er kwam nog een tweede Duitse Wiedergutmachungswet, de BEG (Bundesentschädigungsgesetz), die in 1956 van kracht werd, een smartegeldregeling. Per 31 januari 1961 werd door een commissie onder leiding van oud-premier W. Drees een aantal richtlijnen vastgesteld voor de verdeling van de smartengelden. Daarvoor waren er vragenlijsten ontworpen. Isaac Lipschits heeft zo’n formulier moeten invullen: hij en zijn broer kregen ieder 50 punten voor de vermoorde vader en 50 punten voor de vermoorde moeder.

Vermoorde moeder of vader: 314 gulden

Een Joodse jongen die op 7 mei 1945 nog geen eenentwintig jaar was en geen broertje of zusje had, kreeg voor een vermoorde vader of moeder 100 punten, is 314 gulden. In schrille tegenstelling met het noodzakelijke bureaucratische proces met alle mogelijke schaduwkanten, stond de overmatige uitbetaling aan prins Bernhard die zonder enige bureaucratische toetsing, onderbouwing of rechtsbasis 1 miljoen Duitse marken van de Joodse gelden mocht incasseren.

Bernard claimde dat hij in Duitsland schade had geleden. Het Duitse ministerie van Justitie oordeelde in 1952 dat Bernhards aanspraken iedere juridische basis ontbeerden. Maar het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken bleef zijn best doen en Bernard ontving stilzwijgend van de Wiedergutmachung van 275 miljoen DM zijn eigen miljoen. De manoeuvre werd geheimgehouden op aandringen van minister Joseph Luns van Buitenlandse Zaken.

‘In Nederland kon zo een openbare discussie worden voorkomen,’ schreef minister Luns in een brief van 29 juli 1962 aan prins Bernhard. Dat niet-wettige bedrag van een miljoen gulden, wat volgens de berekeningen van de naoorlogse herstelbetalingen na de eeuwwisseling 10 miljoen euro waard was, werd overigens nooit meegenomen in de naoorlogse terugbetalingen en die schuld berust nu bij de erfgenamen.

Na 55 jaar

De overheid betaalde in het jaar 2000 een bedrag van 400 miljoen gulden (181,5 miljoen euro) aan restitutie van Joodse tegoeden; de Nederlandse verzekeraars betaalden 50 miljoen gulden (22,7 miljoen euro) aan Joodse tegoeden, de banken eveneens 50 miljoen gulden en de Amsterdamse Effectenbeurs betaalde 264 miljoen gulden (bijna 120 miljoen euro) terug. In totaal 764 miljoen gulden. Premier Kok bood excuses aan voor het nalatige gedrag van de overheid ná de oorlog. Woorden die voor de berooide Joodse overlevenden weinig waarde meer hadden.

Rob Bakker, Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de Collaboratie, verscheen recent bij uitgeverij Verbum Holocaust Bibliotheek, gebonden uitgave, 727 blz.