Activisten grijpen macht met ‘duurzaamheid’ en ‘diversiteit’. Hoe belangen van burgers worden verkwanseld.

Ook wethouder Rutger Groot Wassink, leider van GroenLinks in Amsterdam, relativeert democratie: ‘Is democratie een doel op zich?’

Onder het mom van het scheppen van maatschappelijk draagvlak en ‘besturen voor de burger’, is er een trend naar meer zogeheten ‘participatoire’ democratie. Dat betekent – in theorie – dat burgers meer invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming. In de praktijk houdt het echter vooral in dat activisten, gefinancierd en aangestuurd door de overheid, samen met wat lobbyisten een groot stempel kunnen drukken op de politieke besluitvorming.

Dat gaat ten koste van de gewone, hardwerkende en niet-activistische burger, die letterlijk en figuurlijk betaalt voor beleid dat hij niet heeft gewild. Om het evenwicht te herstellen dient de directe democratie uitgebouwd te worden, terwijl de participatoire democratie wordt afgebouwd.

Onderonsjes

Aan de klimaattafels is het Nederlandse klimaatbeleid uitgewerkt. Het door de regering uitgevaardige gasverbod komt regelrecht uit de koker van Milieudefensie. Rutte gaat in gesprek met ‘Black Lives Matter’, ‘Kick Out Zwarte Piet’ en andere groepen om over allerlei anti-racisme initiatieven van gedachten te wisselen.

Vakbondsafgevaardigden en lobbyisten zijn goede bekenden in Haagse kringen. Iedere dag zijn er, openlijk en soms heimelijk, allerhande onderonsjes tussen politici en mensen die iets van hen willen. Hun pogingen om het beleid te sturen worden ondersteund door activiteiten zoals demonstraties, petities, campagnes en media-optredens.

Ook bedrijven maken graag gebruik van de mogelijkheid om bewindslieden op goede ideeën te brengen. De vrijstelling van de dividendbelasting die Unilever bedong, ligt nog vers in het geheugen. Maar waar activistische groepen en vakbonden worden gezien als welkome, zelfs noodzakelijke participanten, wordt lobbyen door bedrijven toch met argusogen bekeken, ook onder de politici. Bovendien zijn bedrijven er vooral op uit om specifieke voordelen voor zichzelf te bedingen, niet om het algemene beleid te beïnvloeden.

Wat is participatoire democratie?

Participatoire democratie is een vorm van democratische besluitvorming waaraan burgers kunnen deelnemen door relevante informatie aan te dragen en hun opinie te geven. Om dit te kunnen plaatsen zijn twee andere begrippen van belang – representatieve of vertegenwoordigende democratie en directe democratie. Representatieve democratie houdt in dat kiezers in de politieke besluitvorming vertegenwoordigd worden door hen gekozen politici; dit is de basis van het Nederlandse systeem. Directe democratie houdt in dat burgers zelf besluiten nemen; voorbeelden daarvan zijn referenda (in Nederland bijvoorbeeld het Oekraïnereferendum) en direct gekozen gezagsdragers (bijvoorbeeld de democratische gekozen burgemeester).

De huidige machthebbers zijn verklaarde tegenstanders van een uitbreiding van de directe democratie; het raadgevend referendum is afgeschaft en de direct gekozen burgemeester is van de politieke agenda verdwenen. Het referendum over de Europese Grondwet heeft de machthebbers geleerd hoe moeilijk het is de directe democratie naar hun hand te zetten. In plaats van directe democratie, ziet de heersende klasse daarom veel meer in uitbreiding van de participatoire democratie. De redenen daarvoor komen hieronder aan bod.

Nederland is bezig het ondemocratische model van de EU te importeren. Om het zogeheten ‘democratische deficiet’ op te lossen, heeft de EU werk gemaakt van participatoire democratie op Europees niveau. Daartoe heeft de EU bijvoorbeeld het burgerinitiatief ingericht, waarvan vooral door grote actiegroepen gebruik wordt gemaakt want de drempel ligt hoog (een organisatiecomité bestaande uit ten minste zeven burgers die in ten minste zeven EU-landen wonen en 1 miljoen onderschrijvende sympathisanten).

Ook op allerlei andere manieren betrekt de EU ‘civil society’ bij de besluitvorming; zo organiseert de Europese Commissie informele en formele consultaties in het kader van de voorbereiding van beleid. Dat houdt veelal in dat niet-gouvernmentele organisaties en bedrijven hun zegje kunnen doen over beleidsvoorstellen en zelf voorstellen kunnen indienen; individuele burgers leggen nauwelijks gewicht in de schaal.

Dit is de trend naar meer participatoire democratie. Deze trend leidt tot een machtsverschuiving naar activisten en lobbyisten. En dat gaat ten koste van gewone, niet-activistische burgers, wier stem niet doorklinkt in het debat.

Verschillen met directe democratie

Participatoire democratie verschilt aanzienlijk van directe democratie. Terwijl participatoire democratie een continue, doorlopend systeem inhoudt, is directe democratie beperkt tot bepaalde momenten waarop burgers hun stem kunnen laten horen, bijv. bij een referendum; dat laatste vergt een veel mindere investering van tijd en geld dan het eerste.

Daarom is participatoire democratie veelal niet weggelegd voor individuele burgers en domineren organisaties. Dat heeft op zijn beurt weer gevolgen voor de onderwerpen die op de politieke agenda komen, welke vragen het debat domineren en welke antwoorden worden gegeven.

Nog een belangrijk verschil ligt in de verdeling van de beslissingsmacht. Bij directe democratie nemen de burgers het besluit, tenminste wanneer het om een bindend referendum gaat of om een gekozen gezagsdrager. Bij participatoire democratie zijn het echter de gezagsdragers zelf die beslissen; de participerende organisaties voorzien hen slechts van informatie en opinies.

Effectieve activistische organisaties beperken zich echter niet tot deelnemen aan formele consultaties, maar proberen al in vroeg stadium het gewenste beleid voor te bereiden en vorm te geven. Wat de invloed is van deze organisaties is moeilijk vast te stellen; in veel gevallen is die invloed echter groot. Het milieubeleid (‘duurzaamheid’) en identiteitsbeleid (‘diversiteit’) bijvoorbeeld zijn voor een belangrijk deel de producten van activistische organisaties die de politici over een langere periode intensief hebben bewerkt.

Openbaarheid en burgerparticipatie

De overheid verkoopt participatoire democratie in het algemeen met verwijzing naar openbaarheid van bestuur, recht op deelname aan het openbare debat en burgerparticipatie op lokaal niveau.

Inderdaad, openbaarheid van bestuur is een groot goed, omdat burgers zo te weten kunnen komen wat de overheid doet en niet doet en de uitvoering van het beleid kunnen controleren. Openbaar debat is vaak nuttig en burgerparticipatie in beslissingen over zaken zoals een publiek park of speeltuin in een gemeente is ook wenselijk en nuttig.

Maar bij participatoire democratie gaat het niet om transparantie, om uitvoering van beleid, of om besteding van publieke middelen door gemeenten, maar om nieuw beleid en nieuwe wetgeving op landelijk niveau. Met andere woorden, hier zijn algemeen geldende regels en de wetten zelf (niet de uitvoering ervan) aan de orde. Invloed daarop heeft uiteraard een veel bredere en langdurige impact. En daar is de individuele burger min of meer onzichtbaar.

Overigens leeft de overheid de voorschriften betreffende openbaarheid van bestuur slecht na. De uitzonderingen worden ruim geïnterpreteerd en stukken worden regelmatig zonder reden achtergehouden. Openbaarheid komt de heersende klasse namelijk vaak niet goed uit. Soms corrigeert de rechter deze misstanden, maar meestal staat de burger met lege handen, machteloos tegenover ambtenaren die niet onder indruk raken van een rechtszaak meer of minder.

Democratie in Athene als lichtend voorbeeld?

In de klassieke oudheid in Athene was het onderscheid tussen directe en participatoire democratie minder scherp. De vrije burgers van Athene namen op het stadsplein direct deel aan politieke deliberaties en brachten hun stem uit voor of tegen beleids- of wetgevingsvoorstellen. Dit is het model van democratie waaraan de voorstanders van participatie zich spiegelen.

Dat model van democratie is echter niet relevant voor de moderne samenleving. In Athene kon het uitsluitend werken omdat er slaven waren die het harde werk deden en zorgden voor voldoende voedsel en andere waren. Daardoor konden de vrije burgers hun tijd besteden aan politiek. Slaven hebben wij echter niet, wij werken zelf voor de kost (tenminste, een deel van ons). Dat maakt nogal een verschil.

Financiering van niet-gouvernmentele organisaties

Er is nog een andere reden waarom de machthebbers participatoire democratie prefereren boven directe democratie. Directe democratie, met name referenda, kunnen gemakkelijk worden gekaapt door populisten, zeggen ze. Een van de redenen om het referendum af te schaffen was dan ook de uitslag van het Oekraïne-referendum, die de regering niet aanstond. Het argument dat directie democratie populistisch zou zijn, houdt evenwel geen steek.

Wat wel waar is, is dat participatoire democratie zich beter laat leiden door de macht. Een belangrijke manier om te sturen is de financiering van academisch onderzoek, publiekscampagnes en niet-governmentele organisaties. Academische studies leveren de ideeën, de argumenten en het verhaal. Publiekscampagnes maken de burger ontvankelijk voor een nieuw ideetje.

Niet-gouvernmentele organisaties nemen de actievoering rondom dat idee voor hun rekening. Zo kan de overheid voor nieuw beleid een maatschappelijk draagvlak scheppen. Dat de burgers op dat beleid niet zaten te wachten, doet niet ter zake – zolang de burgers het maar tolereren.

Het klimaatbeleid is een goed voorbeeld; het verzet tegen het gasverbod, de houtkap voor biomassa en natuur- en landschap vernietigende windmolens neemt pas sinds kort enige vorm aan. Het anti-zwarte piet-beleid is een ander voorbeeld – de overheid financiert met belastingen betaald door de hardwerkende burgers actiegroepen die een volksfeest bestrijden waaraan die burgers plezier beleven.

In dit circuit gaan vele miljoenen om. Daar komen dan nog flinke bedragen bij van de EU en van organisaties zoals de Postcodeloterij. Dat de heersende klasse er geen belang bij heeft de overheidsfinanciering van niet-gouvernmentele organisaties aan banden te leggen, behoeft geen betoog. Evenmin hebben de machthebbers er belang bij de pluriformiteit en onafhankelijkheid van de publieke media te bevorderen, want die media zijn een belangrijke schakel in de keten van draagvlakcreatie.

De participatoire democratie is voor de heersende klasse een belangrijk hulpmiddel voor het controleren van de Nederlandse burgers. En het mooie van dit instrument dat het oppervlakkig beschouwd lijkt alsof het de activisten de overheid aansturen en dwingen tot ander beleid. In werkelijkheid laat het de heersende klasse toe om vooral te managen, zonder uitgesproken politiek visie, en te pretenderen dat zij op ‘de stem van het volk’ reageren, terwijl de activisten hun visie als die stem weten te verpakken.       

Media en druk op bedrijven

Niet-gouvermentele organisaties besteden niet alleen veel aandacht aan het onderhouden van hun contacten met gezagsdragers en politici. Ze hebben, net als politici, ook enorme belangen bij aandacht in de publieke media. Dat helpt hen bij fondswerving en het uitoefenen van druk op dissidenten en onwillige machthebbers.

De media zijn deze activistische organisaties en hun spreekbuizen goed gezind. Zoals Reve al treffend uitdrukte in het gedicht over Zuster Immaculata, besteden de publieke media onevenredig veel aandacht aan protesten, demonstraties en soortgelijke klaagzang. Daarvan maken de activisten dankbaar gebruik.

Wat deze organisaties bij de politiek niet of moeilijk gedaan kunnen krijgen, proberen ze langs andere weg af te dwingen. Urgenda holde naar de rechter, die graag meehielp om een strenger klimaatbeleid op te leggen (wat de politiek niet slecht uit kwam).

En toen in een tv-programma een flauwe grap werd gemaakt over zwarte piet, riepen activisten op tot een adverteerdersboycot. Bedrijven zijn in het algemeen bijzonder slecht in staat om zich in dit soort debatten te mengen, omdat ze de noodzakelijke kennis ontberen en niet in staat zijn effectief te participeren. Daarom richten zij zich naar de dominante opinie, namelijk die van de activisten. Zo kunnen activisten ook langs die weg hun eisen opleggen aan de maatschappij.

De niet-gouvermentele organisaties hebben echter geheel andere prioriteiten dan de gewone burger. Over de prijs van energie maken zij zich niet druk. Over de koopkracht van de consument evenmin. Woningnood, onvoldoende toegang tot gezondheidszorg, indoctrinatie in het onderwijs, de arbeidsmarkt, etc. zijn alleen belangrijke zorgen van de gewone burger, niet of veel minder van de activisten. Dat de activisten de stem van het volk zouden vertolken is daarom een gotspe.

Devaluatie van de directe democratie

We hebben uiteraard in bepaalde mate wel een directe democratie, maar hoe goed functioneert dat stelsel eigenlijk? Eens in de vier jaar zijn er verkiezingen. In ons stelsel van parlementaire democratie volgt na de verkiezingen de kabinetsformatie.

Om kiezers ertoe te bewegen voor de heersende macht te stemmen gebruiken machthebbers verschillende technieken die geen van alle van respect voor de democratie getuigen. Met steun van de activisten overdrijven ze de bedreigingen waaraan de burger is blootgesteld.

Met een beroep op geconstrueerde ‘wetenschappelijke consensus’ wordt klimaatverandering voorgesteld als een urgent, catastrofaal risico. Vervolgens kunnen ze dan hun falend beleid goed praten door te zeggen dat het anders nog veel erger was geweest. Ook doen ze beloften om gewone mensen te paaien die ze steevast niet inlossen; en die burgers lijken dat vier jaar later weer vergeten.

Verder worden de partijen die het beleid van de heersende klasse fundamenteel verwerpen, steevast bij voorbaat uitgesloten van regeringsdeelname; zo wordt de burger ontmoedigd om op een van die partijen te stemmen en de macht van de heersende klasse bestendigd.

De kabinetsformatie wordt, naast de verdeling van de posten, gedomineerd door de onderhandeling over het regeerakkoord. Dat akkoord legt vast wat er de komende vier jaar aan beleid gevoerd zal worden.

De ‘fractiediscipline’ laat de leden van de partijen die aan de regering deelnemen niet toe om af te wijken van het partijstandpunt en het regeerakkoord. Daarmee wordt het belang van het parlement verkleind.

Bovendien wordt veel beleid van bovenaf door de Europese Unie opgelegd; noch de Nederlandse kiezer, noch het Nederlandse parlement kunnen daaraan iets doen. Wanneer een Nederlands parlementslid – het was Geert Wilders – dan de term ‘nepparlement’ gebruikt, geeft dat aanleiding tot veel verontwaardiging, maar de term bevat een kern van waarheid.

Beleidsondersteunende wetenschap en door de overheid gefinancierd activisme vormen in dit systeem de sluitstukken om politieke verantwoordelijkheid te kunnen ontlopen of althans verminderen. Ons stelsel van directe democratie is van binnenuit door de heersende politieke klasse uitgehold.          

Devaluatie van de niet-activistische burger

In dit systeem van participatoire democratie heeft de gewone man nauwelijks invloed; zijn stem gaat meestal als vanzelf naar de heersende klasse die het debat beheerst. Om invloed te kunnen uitoefenen moet je, naast talrijk, goed georganiseerd en goed geïnformeerd zijn en met één stem spreken.

Met andere woorden, het uitoefenen van effectieve invloed vereist een gedegen organisatie en deskundigheid (ofwel, professionalisering). De gewone burger, die een voltijdse baan heeft of een huishouden draaiende moet houden, heeft geen tijd om zich te verdiepen in de details van vaak complexe onderwerpen als klimaatverandering of “institutioneel” racisme, heeft geen geld om voor onderzoek en publiekscampagnes te betalen, weet niet hoe een groep te vormen met anderen en overeenstemming over de strategie te bereiken, etc. Met andere woorden, de individuele, niet-activistische burger speelt in de participatoire democratie geen rol van betekenis.

Politici denken enerzijds: “De gewone burger begrijpt het allemaal niet, maar we krijgen hem wel mee.” Anderzijds realiseren zij zich dat de zwijgende meerderheid een potentiële tijdbom vormt. Daarom doen zij graag voorkomen alsof de niet-gouvernmentele organisaties de wensen van de burgers vertegenwoordigen.

Maar die organisaties vertegenwoordigen slechts een klein deel van het volk. Dat deel krijgt dan onevenredig veel invloed; de tirannie van de minderheid dreigt, zoals we nu bij de groene transitie ervaren. De gewone burger heeft dan het nakijken. Zolang de burgers het systeem tolereren, kan de overheid echter voort.

Moderne horigen

Zo zijn de gewone, hardwerkende burgers de horigen van de participatoire democratie geworden. Terwijl zij zich uit de naad werken zijn allerhande organisaties bezig met het scheppen van maatschappelijk draagvlak voor nieuw beleid en het beïnvloeden en vorm geven van dat beleid.

De niet-georganiseerde, hardwerkende burgers betalen daarvoor via belastingen die worden uitgegeven aan subsidies voor niet-gouvernmentele organisaties en allerhande overheidsprogramma’s vereist door het nieuwe beleid. Deze burgers hebben niet om dat beleid gevraagd, maar hebben geen tijd om zich te verdiepen in de details.

Hoewel dat beleid niet hun belangen dient, tolereren zij het, want wat ze via de publieke media te horen krijgen klinkt niet onredelijk. En dan betalen ze nog eens, in natura, wanneer ze met de verwachte en onverwachte gevolgen van het beleid moeten leven.

Om die redenen is de participatoire democratie niet alleen een slecht substituut voor directe democratie. Het is vooral een discriminatoir systeem dat niet-activistische, hardwerkende burgers uitbuit om de publieke opinie te beinvloeden, maatschappelijk draagvlak te creëren en zo beleidswijzigingen te kunnen door voeren tegen de belangen van diezelfde gewone burgers in. De professionele activisten en lobbyisten winnen en de burger staat met lege handen.

In hedendaagse woke-speak: de participatoire democratie is ‘niet meer van deze tijd.’ Een wending naar directe democratie is noodzakelijk om aan de horigheid van de gewone man een einde te maken en hem weer de stem te geven die hem toekomt.

Wynia’s Week gaat de komende maanden verder onderzoek doen naar het ondermijnen van de Nederlandse democratie door belangenverstrengeling, activisme, lobbycratie en de misleidende ‘participatoire democratie’. Wilt u dit journalistieke onderzoek steunen? Graag! Dat kan hier.