De ‘inclusieve’ gulheid van Sigrid Kaag kent geen grenzen

Minister Sigrid Kaag wil een miljard euro aan bevriende organisaties geven. Sommige hebben zelf nauwelijks inkomsten.

Minister Sigrid Kaag staat op het punt bijna een miljard euro belastinggeld te verstrekken aan bevriende organisaties. Komende week verdedigt de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking haar begroting voor 2021 in de Tweede Kamer. Hierin is het subsidieprogramma Power of Voices opgenomen.

‘Power of Voices’ sluist de komende vijf jaar maar liefst 825 miljoen euro naar allerlei NGO’s waarvan de doelstellingen de minister bevallen, maar waarvoor verder nauwelijks rechtvaardiging is. Naast het programma ‘Power of Voices’ verdeelt het ministerie nog vele miljoenen aan subsidies aan (deels dezelfde) activistische groeperingen, zoals Milieudefensie, COC, Amnesty International etc. Ook krijgen tal van aan de VN en de EU gelieerde organisaties als de WHO, Unicef, UNWRA etc. jaarlijks tientallen miljoenen euro’s.

Kaag lijkt de Postcodeloterij wel

Voor Kaag lijkt besturen hetzelfde als subsidie uitdelen. Het departement doet denken aan de Postcodeloterij. Het formuleert ‘goede doelen’, waaraan het dan veel geld geeft. En er komen alleen maar goede doelen bij. Zo is de begroting inmiddels doordrenkt van terminologie over het tegengaan van klimaatverandering en moet het beleid ‘inclusief’ en ‘intersectioneel’ zijn. Ook is er een speciale Taskforce Corona Ontwikkelingssamenwerking.

Het is een merkwaardige manier om ontwikkelingshulp te bedrijven. In plaats van de eigen ideologische voorkeuren op te dringen aan arme landen zou je verwachten dat men kijkt naar wat werkt om deze landen rijker te maken. Om vervolgens daar het beleid op in te richten. Van een dergelijke gedachtegang is echter geen spoor te vinden in de begroting.

Het ministerie heeft ‘strategische partners’

Een belangrijk onderdeel van de ontwikkelingsstrategie is het meerjarenprogramma Power of Voices. Eerder dit jaar werden in dit kader twintig groepen van organisaties geselecteerd die in aanmerking komen voor een ‘strategische’ relatie met het ministerie voor de periode 2021 t/m 2025. Tot 16 oktober jl. hadden zij de tijd hun plannen verder te concretiseren. Hierna worden deze voor het einde van het jaar beoordeeld door het departement en valt er een besluit wie wel of niet per 1 januari 2021 voor een strategisch partnerschap in aanmerking komt.

Power of Voices bouwt voort op het programma ‘Samenspraak en Tegenspraak’ dat door de vorige minister Lilianne Ploumen (PvdA) in het leven werd geroepen. Beide programma’s willen langs de weg van politieke beïnvloeding verandering te weeg brengen in de landen die Nederland hulp geeft. Volgens het ministerie gaat het niet langer om het zelf slaan van waterputten, maar om de overheid in het desbetreffende land te dwingen dat te doen.

‘Theorie van verandering’

Power of Voices en een aantal andere subsidieregelingen vallen onder de bredere noemer ‘Versterking Maatschappelijk Middenveld’. Dat is een term die je niet direct met D66 associeert en die ook iets anders blijkt te betekenen dan wat we er hier in Nederland doorgaans onder verstaan. Die andere betekenis blijkt uit een nadere beschouwing van het selectieproces van organisaties voor het strategisch partnerschap. Het voornaamste onderdeel hiervan is een beschrijving van hoe de organisatie in kwestie de door het ministerie geformuleerde ‘Theory of Change’ in de praktijk denkt te brengen.

Deze verandertheorie stelt dat armoede, ongelijkheid en uitsluiting veroorzaakt worden door ongelijke machtsverdeling. Deze onderliggende oorzaak dient te worden aangepakt via lobby en pleitbezorging voor de allerarmsten en onderdrukten. Het veranderen van machtsrelaties via politieke beïnvloeding door maatschappelijke organisaties is dus de kern van de aanpak. Met als doel dat in deze landen wetten, beleid en/of normen veranderen en praktijken ‘duurzamer, billijker en inclusiever’ worden. Onheilspellend voegt het eraan toe dat de problemen in de landen daar zijn verweven met die hier.

Jelmer Kamstra, de Kaag-fluisteraar

Deze gedachten worden verder uitgewerkt op de door het ministerie gesponsorde website Include platform. Ze zijn geformuleerd door de Nijmeegse antropoloog Jelmer Kamstra, die inmiddels in dienst is getreden van het ministerie. Het achterliggende, uitgebreidere document staat vol verwijzingen naar antropologische en sociologische literatuur, waarvan het empirische gehalte gering is. Wie op zoek is naar bewijs voor deze ideeën zal het hier dan ook niet vinden, afgezien van wat case studies (waaronder het proefschrift van Kamstra) die de werking op lokaal niveau moeten aantonen.

Het marxistische karakter van deze verandertheorie is onmiskenbaar. Het is verder overgoten met een sausje van gendergelijkheid, waarmee al het beleid van Kaag is doordrenkt, en hieraan is een flinke snuif ‘Gloria Wekker’ toegevoegd. Verder dan deze sociologische benadering heeft de auteur nooit gekeken. De uitgebreide literatuurlijst laat bijvoorbeeld geen enkele economische studie zien, terwijl op dit terrein de afgelopen jaren belangrijk werk is verricht met wel een stevige empirische onderbouwing.

Een eenoog is al snel koning op een ministerie

Nu hoef ik niet het wetenschappelijke werk van Kamstra te beoordelen. Daarvoor zijn objectieve maatstaven ontwikkeld, volgens welke zijn wetenschappelijke publicaties op dit terrein niet alleen beperkt in aantal maar ook niet heel indrukwekkend zijn. Hoe kan iemand die niet in toptijdschriften over dit onderwerp heeft gepubliceerd toch een dergelijk stempel op het beleid drukken? De verklaring hiervoor is niet heel ingewikkeld: In de ideeënloosheid die ministeries kenmerkt, zo is mijn eigen ervaring, is iemand met het ‘juiste’ verhaal bij de gewenste uitkomsten al snel éénoog in het land der blinden. Het is nogal een smalle wetenschappelijke basis om 825 miljoen te distribueren.

Een externe adviescommissie bestaande uit Karin Geuijen en Hans Slegtenhorst houdt toezicht over dit verdelingsproces. Ook het cv van deze twee personen is op dit terrein niet bepaald indrukwekkend. Wel krijgen ze hiervoor een halve dag in de week aardig betaald volgens salarisschaal 18 van het Rijk.

Hoezo, dat prediken van ‘inclusiviteit’?

Het had geen kwaad gekund als men op het departement kennis had genomen van het veelgeprezen werk van de economen Daron Acemoglu en James Robinson. Hun boek Why nations fail laat op een toegankelijke manier zien wat de oorzaken van economische achterstand zijn. Kort gezegd komt het erop neer dat het bevorderen van politieke pluriformiteit en van concurrentie, door het ontmantelen van economische machtsposities, de sleutel is tot ontwikkeling.

Het belang van een concurrerende markteconomie blijft in het verhaal van Kamstra helemaal buiten beschouwing. Ook het bevorderen van politieke pluriformiteit is geen prioriteit. Het gaat er vooral om ontwikkelingslanden een ideologie op te dringen die gendergelijkheid en inclusiviteit predikt.

Maar begon ons eigen ontwikkelingsproces als een soort van emancipatiestrijd op het terrein van gendergelijkheid en inclusiviteit? Geldt dat ook voor recentere voorbeelden als Singapore, Zuid-Korea en Taiwan? De geschiedenis leert dat emancipatie en inclusiviteit van de achtergestelde en allerarmste groepen niet het ontwikkelingsproces in gang zetten, zoals het ministerie gelooft. Het begint juist bij de middenklasse die door betere opleiding en meer middelen veranderingen gaat eisen op politiek en economisch gebied.

Minder ongelijkheid is uiteindelijk een gevolg van economische ontwikkeling, waar deze eerst vaak nog toeneemt. Ik daag het ministerie uit om mij één land te noemen waar deze aanpak heeft gewerkt. Ik noem er alvast een paar waar die heeft gefaald: Cuba, Zimbabwe, Venezuela, Suriname, Zuid-Afrika, Iran.

Waarom dan hulp naar (islamitische) landen die geen gendergelijkheid willen?

De landen op wie Nederland het beleid van ontwikkelingssamenwerking concentreert, bevinden zich vooral in Zuidwest Azië en de noordelijke helft van Afrika. Dit zijn landen waar de islam de dominante godsdienst is. Het valt moeilijk in te zien hoe deze streng-islamitische landen binnen afzienbare tijd een beleid gericht op gendergelijkheid en inclusiviteit gaan omarmen. Ook niet als je er jaarlijks een paar honderd miljoen euro tegenaan gooit. De ‘Theory of Change’ van Kaag blijft hier het antwoord op schuldig.

Kunnen NGO’s vanuit Nederland, al of niet met hulp van lokale organisaties, de gewenste verandering tot stand brengen? Dat is niet de vraag. Het gaat hier om een inspanningsverplichting. Slechts een bepaald soort organisaties voelt zich aangetrokken tot dit gedachtegoed. De verandertheorie die het ministerie hanteert zal in de praktijk vooral als een soort ideologisch filter dienen. Wie deze verandertheorie niet onderschrijft, kan geen strategisch partner worden van het departement en wordt uitgesloten van subsidie, zo stelt het aanbestedingsdocument expliciet.

COC en Milieudefensie betalen de huur van het geld van Kaag  

Wie de verandertheorie wel onderschrijft, ontvangt een hele sloot geld met een vaag bestedingsdoel. De subsidie van het ministerie zal dan ook voor deze organisaties als een soort van basisfinanciering dienen, waaruit de kantoorkosten worden betaald en waarover men een sausje internationalisering giet.

Zonder de steun van Kaag zouden clubs als het COC en Milieudefensie een kwijnend bestaan lijden, omdat ze niet (COC) of nauwelijks (Milieudefensie) leden hebben die geld bijdragen en voor de rest zijn aangewezen op de Postcodeloterij. Die eigen middelen en de steun van de echte Postcodeloterij komen nu vrij voor het bewerken van de Nederlandse publieke opinie.

Wie zijn de resterende twintig organisaties die in aanmerking komen voor het strategisch partnerschap? We zullen het binnenkort te weten komen, maar het zijn waarschijnlijk dezelfde “usual suspects” als die welke deelnamen aan ‘Samenspraak en Tegenspraak’. De pluriformiteit in hun opvattingen is ver te zoeken, maar dat is ook geen doelstelling van beleid. Integendeel.

Met ontwikkelingssamenwerking heeft het allemaal niet heel veel te maken. Daarover meer in een volgende bijdrage.