De kletsende klasse stapelt taboe op taboe, terwijl het buiten op straat steeds grimmiger wordt. Tenzij we het in 2026 anders gaan doen
In veel kringen heerst de gedachte dat het benoemen van maatschappelijke problemen gelijkstaat aan het vergroten van deze problemen. Zo zou Geert Wilders met z’n kritiek op de immigratiepolitiek in hoge mate bijdragen aan de polarisatie van de samenleving. Met z’n ferme teksten zou hij zelfs de integratie van sommige immigrantengroepen in de weg staan, is de gedachte.
Geloven de representanten van het politiek correcte establishment dit werkelijk? Voor een gedeelte wel. Tegelijkertijd lijkt het een strategie om gevoelige thema’s zoals de islamisering van de samenleving te mijden. Om zeker te weten dat heikele onderwerpen buiten het maatschappelijk discours blijven, worden politieke tegenstanders voor ‘fascist’ of ‘extreemrechts’ uitgemaakt, of het nou Donald Trump en Georgia Meloni is of alles ter rechterkant van de linkervleugel van de VVD. Dat de zorgen van deze politici veelal authentiek zijn en dat deze politiek stromingen in alle westerse landen kunnen rekenen op een groeiend electoraat, wordt voor het gemak even vergeten. Want de kiezer laat zich, bij gebrek aan verstand, tenslotte maar ophitsen, toch?
Het is eerder omgekeerd: juist de taboeïsering van allerlei gevoelige onderwerpen leidt tot verdere polarisatie. Want zodra de discussie niet wordt gevoerd op de daartoe geijkte plekken – de talkshowtafels, opiniepagina’s, vergadertafels van maatschappelijke organisaties, universiteiten, culturele sector en ministerraad – verschuift het debat naar de keukentafels en de straten. Zo blijft het weliswaar gezellig binnen de ‘kletsende klasse’, maar wordt het steeds grimmiger in de echte wereld. Onparlementair gezegd: het establishment flikkert de gevoelige thema’s uit het raam de straat op. Waar de bevolking het verder zelf mag uitzoeken.
Het stikt van de taboes
Maar grote thema’s als immigratie en integratie kunnen Nederlanders slechts voor een beperkt deel zelf oplossen. Daarvoor zijn de vraagstukken simpelweg te veelomvattend. Ze vragen om een serieuze analyse en een langetermijnvisie. Dat links-progressief Nederland na bijna een halve eeuw veelal mislukte integratie nog steeds denkt dat alle problemen zijn opgelost als iedereen maar lief tegen elkaar doet en immigrantengroepen maar genoeg tijd middelen en tijd krijgen, is een kwalijke manier van wegkijken. Dit zijn kwesties die vragen om daadkrachtig beleid. Dit is chefsache.
In de politiek correcte klasse stikt het van de taboes. Over uiteenlopende onderwerpen zoals transgenderzorg, klimaatbeleid en zelfs terreurgroep Hamas is maar beperkte ruimte voor kritiek. Een ander voorbeeld, meer specifiek: hoogleraren en andere kenners die de rekenmethoden rondom het stikstofdossier in twijfel trekken krijgen amper een podium, niet in de landelijke media en ook niet binnen het ambtelijke en wetenschappelijke discours.
Of neem het ‘lobbyschandaal’ waarbij onder toeziend oog van voormalig EU-commissaris voor de voor de Europese Green Deal Frans Timmermans en zijn topambtenaar Diederik Samsom miljarden naar ngo’s gaan die veelal worden gebruikt voor politieke doeleinden. Ook daar mag aan de landelijke talkshowtafels, met uitzondering misschien van SBS, niet over worden gesproken.
Zodra het ‘narratief’, oftewel het gewenste verhaal is bepaald, wordt elke vorm van tegenspraak gesmoord. Een levendig debat waarin alle kanten worden belicht, is ongewenst. Terwijl een dergelijk debat niet alleen goede oplossingen dichterbij kan brengen, maar ook een teken is dat de zorgen van de bevolking serieus worden genomen. Het maatschappelijk debat is het ventiel van de samenleving, die de druk iets van de ketel kan brengen.
Steeds vaker hebben de taboes te maken met de islamisering van de samenleving. Terwijl het merendeel van de Nederlanders zich zorgen maakt over de ruimte die de islamitische godsdienst – of politieke ideologie als u wil – inneemt, worden deze zorgen niet doorvoelt door degenen die het beleid maken en uitvoeren. Opvallend genoeg is het progressief-links, sterk oververtegenwoordigd in maatschappelijke organisaties, dat zich het hardst zegt in te zetten voor progressieve waarden zoals emancipatie, seksuele vrijheid en antiracisme. Het is dezelfde groep die een oogje dichtknijpt zodra representanten van deze specifieke immigrantengroep rechtstreeks tegen deze waarden ingaan.
Steeds vaker wordt beleid zelfs aangepast om gevoelige confrontaties – in het debat én in de echte wereld – te mijden. Een voorbeeld daarvan is het plan van de gemeente Amsterdam voor het eerste Nederlandse azc dat speciaal is bedoeld voor kwetsbare groepen, zoals lhbti-asielzoekers en alleenstaande vrouwen. Of de gratis bus tussen Ter Apel en Emmen om te voorkomen dat asielzoekers zich misdragen zodra ze een ticket moeten kopen.
Zelfcensuur onder het mom van consensus
Soms wordt er zelfs gedaan alsof er helemaal geen problemen zijn met de islamisering van de maatschappij. Denk aan de aflevering van tv-programma Medialogica waarin de Jodenjacht in Amsterdam geen Jodenjacht mag worden genoemd en de daders geen daders. Denk aan Mona Keijzer die als Kamerlid van de BBB zei dat ‘Jodenhaat bijna onderdeel is van de islamitische cultuur’, een opmerking die in hoge mate door wetenschappelijk onderzoek wordt ondersteund, maar desalniettemin leidde tot een aangifte. Het OM schreef dat ‘de uitingen in beginsel strafbaar zijn, maar dat een strafrechtelijke vervolging van de politicus in dit geval in strijd is met de vrijheid van meningsuiting’. Of denk aan cabaretier Arjen Lubach die toegaf dat hij geen grappen over de islam durft te maken en drie dagen later met een stalen gezicht wel uitgebreid de SGP op de hak nam.
Het lijkt er zelfs op dat het establishment deze vormen van zelfcensuur omarmt. In de traditionele media, ambtenarij en wetenschap voelt het als een deugd om de ongeschreven afspraak te eerbiedigen dat men bepaalde gevoelige onderwerpen mijdt. Onder het mom van consensus onder weldenkenden mag er geen olie op het vuur worden gegooid of mag ‘extreemrechts niet in de kaart worden gespeeld’. En waarom zou je ook grappen maken over een gemeenschap die aangeeft snel beledigd te zijn? Is het niet de verantwoordelijkheid van autochtone Nederlanders om rekening te houden met deze kwetsbare, gediscrimineerde groep?
Natuurlijk wordt het debat over gevoelige onderwerpen af en toe nog wel gevoerd in de Tweede Kamer. Toch mist daar vaak een zekere diepte, juist ook vanwege het ontbreken van de debat in andere delen van de maatschappij. Tussen Kamer en keukentafel bevindt zich een uitgestrekte, dorre woestijn van discussieloosheid. Zo kan het zijn dat in de huidige tijd misschien wel meer grote taboes leven dan een halve eeuw geleden. De spreekwoordelijke ‘directheid’ van de Nederlander, met zowel positieve als negatieve kanten, is amper meer waarneembaar.
Dat Wilders’ kritische noten over immigratie en islamisering al langer klinken en de problemen zich niet beperken tot Nederland, wordt voor het gemak vaak vergeten. Wilders is niet de oorzaak van de problemen, zoals men aan links-progressieve kant graag suggereert, maar veel eerder het symptoom. Mocht de PVV-voorman met pensioen gaan, dan zullen zijn kiezers echt niet opeens op D66 of GroenLinks-PvdA stemmen. Het politieke gat wordt dan gevuld door een opvolger, die in stijl en op details ongetwijfeld zal verschillen van Wilders. De boodschap zal echter in grote lijnen hetzelfde zijn, zoals Wilders op zijn beurt nadrukkelijk in de voetsporen trad van z’n politieke voorgangers Frits Bolkestein en Pim Fortuyn.
Intussen groeit het aantal moslims in Nederland naar circa drie à vier miljoen in 2050, volgens voorspellingen van onder anderen sociaal demograaf Jan Latten en immigratiedeskundige Jan van de Beek. Dat is al over 24 jaar. Je zou zeggen dat een samenleving zich voorbereidt op een steeds nadrukkelijkere rol van de islam. Hoe? Dat is een volgende vraag. Een vraag die des te lastiger te beantwoorden wordt als het onderwerp de facto taboe is verklaard.
Aan links-progressieve kant bevinden zich inmiddels de grootste conformisten, wat zich vertaalt in saaie journalistiek waarin de confrontatie met andersdenkenden doorgaans wordt gemeden. De vrijgevochten generatie van ‘68 en hun geradicaliseerde woke-nazaten zijn van vrijdenkers verworden tot groepsdenkers die niet graag zoem dat hun opvattingen in twijfel worden getrokken.
Minachting voor andersdenkenden
Zo maken ze zichzelf wijs dat het beroep van journalist, wetenschapper of ambtenaar uitstekend is te combineren met dat van activist. Sterker nog: dat het hun taak is om de maatschappij te redden van het extreemrechtse kwaad. Zo zien we rijksambtenaren protesteren tegen het beleid van hun minister (en dus de kiezer). Dat gebeurt niet alleen stiekem door middel van lekken naar de krant. Ook openlijk, in het geval van demonstraties door ambtenaren van Buitenlandse Zaken voor de deuren van hun ministerie. Of door het plaatsen van een advertentie die zich richt tegen het beleid van de eigen asielminister. Journalisten die zelf niet doorhebben hoe geradicaliseerd ze zijn, buigen de waarheid om en universiteiten bieden amper ruimte voor tegendraads onderzoek. De minachting voor andersdenkenden is zo groot dat het open gesprek voortdurend uit de weg wordt gegaan.
Met verbazing ziet het andere, veel grotere deel van de Nederlanders hoe het maatschappelijk debat over de massale immigratie van islamitische jongemannen wordt vereenvoudigd tot een ‘opvangprobleem’. Terwijl ruim driekwart van het electoraat wil dat de immigratie wordt beperkt, wordt elke lokale demonstratie tegen een azc al snel in een verdachte, extreemrechtse hoek geduwd. Ook hier ontbreekt het wezenlijke debat. Op de vraag bijvoorbeeld waarom Duitsland wel verregaande grenscontroles kan invoeren en Nederland niet, mompelt men iets over capaciteitsproblemen. Wederom is de discussie gesmoord voordat die überhaupt heeft kunnen beginnen.
Nederland is een land van taboes geworden, nog meer dan andere Europese landen. Het gevoel van vrijheid waar we ons op voor laten staan, geldt niet voor het maatschappelijk debat en de tolerantie niet voor andersdenkenden. We zijn verworden tot een benepen natie waarin het ene deel weigert te spreken met het andere en waarin serieuze culturele thema’s gemeden worden als de pest.
Het woord ‘taboe’ is afkomstig uit Polynesië waar het staat voor een religieus verbod op bepaalde zaken. Ontdekkingsreiziger James Cook introduceerde de term in de westerse wereld na een bezoek aan Tonga. Deze religieuze taboes – het verbod op plaatsen, voorwerpen, personen of handelingen – bestaan nog steeds. Het belangrijkste taboe van de autochtone westerling is van een heel andere orde. In onze hedendaagse maatschappij is de absurde situatie bereikt dat het überhaupt verboden is om kritiek te leveren op de islam, terwijl de taboes van deze religie rechtstreeks ingaan tegen onze liberale normen en waarden. De vraag moet zijn: willen we als samenleving daadwerkelijk dit experiment aangaan? Daarmee zetten we meer op het spel dan de cohesie binnen een samenleving of de ziel van onze vrije westerse levenswijze. Het voortbestaan van onze maatschappij staat op het spel, of we het nou leuk vinden of niet.
De paradox van tolerantie stelt dat een samenleving die onbegrensd tolerant is, uiteindelijk haar tolerante karakter zal kwijtraken onder invloed van de intoleranten. De filosoof Karl Popper schreef hierover in 1945 in zijn klassiek geworden boek De open samenleving en haar vijanden. Deze paradox voelt nu voor veel mensen wellicht nog wat abstract aan, maar zal in de loop van de eenentwintigste eeuw misschien wel veranderen tot dé overlevingsvraag voor West-Europese samenlevingen. Maar ook dat debat wordt tot nader orde uitgesteld en zal in links-progressieve kringen vermoedelijk pas worden gevoerd als het te laat is. En zelfs dan zal ‘extreemrechts’ alsnog de schuld krijgen.
Zo bezien is 2026 slechts één jaar op de kalender. En toch leeft bij veel westerlingen het gevoel alsof dit de jaren des onderscheids zijn. Het is lastig grote woorden te vermijden als het gaat om de toekomst van een beschaving. Deze zorgen zouden op z’n minst serieus moeten worden genomen door degenen die aan de touwtjes trekken.
Remmen los
Midden februari begint de ramadan. Een kleine voorspelling: dan gaan alle remmen los. We zullen een wildgroei zien aan iftars bij talloze ambtelijke organisaties en in de publieke ruimte. Met een zwak demissionair kabinet en het vooruitzicht van Jetten I, zullen de islamisten hun speelruimte optimaal benutten en zo mogelijk vergroten, gefaciliteerd door de usefull idiots uit links-progressieve hoek, die even weinig afweten van de islam als een imam van discomuziek.
Vorig jaar leidde de aanwezigheid van agenten in uniform bij iftars, die in sommige gevallen zelfs voorgingen in het gebed, nog tot enige discussie (niet zozeer breed maatschappelijk, maar wel in de ‘vrije media’). Toenmalig minister van Justitie David van Weel leek maar matig geïnteresseerd in de kernwaarde van neutraliteit bij de politie, zo bleek tijdens het debat in de Kamer. Hij las plichtmatig een briefje voor van z’n ambtenaren die de sterk verwokete politieorganisatie hun zegen gaven voor geüniformeerde aanwezigheid bij iftars, met als enige restrictie dat agenten tijdens die bijeenkomsten geen gebeden mogen leiden of andere religieuze handelingen verrichten. Deze uitzondering wordt ruimschoots gecompenseerd door islamitische agenten die op sociale media in uniform in islamitisch gebed gaan of poseren met een portret van de Marokkaanse koning.
Een beetje pit
Terwijl de neutraliteit van de politie nog niet zo lang geleden heilig was, zien we hoe zelfs dat principe – noodzakelijk voor rust en orde in een samenleving – in rap tempo afbrokkelt. Kernwaarden waar Nederland op drijft worden geofferd op het altaar van de inclusiviteit. Het debat over de neutraliteit van de politie zal zich ook de komende tijd vermoedelijk plaatsvinden aan de randen van de media, ondanks dat een grote groep Nederlanders maar weinig gecharmeerd is van het openlijk verpatsen van de eigen cultuur aan een ideologie met – op z’n zachtst gezegd – ouderwetse ideeën. Discussies over belangrijke onderwerpen behoren zich niet zozeer aan de randen van het maatschappelijke debat af te spelen, maar in het centrum. Hoe gevoelig de onderwerpen ook zijn.
Wie debatten van een kwart eeuw geleden op de publieke omroep terugkijkt, moet concluderen dat de discussie toen een stuk levendiger was. Voor het komende jaar zou je het truttige, ingedutte Nederland wel een beetje pit toewensen. Meer discussie over wezenlijke onderwerpen op zichtbare plekken kan helpen de polarisatie op straat en aan de keukentafel te verlichten. Anders kunnen we er zeker van zijn dat meningsverschillen vroeg of laat buiten worden uitgevochten. En dat wil niemand, toch?
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


















