Dit waren de voorgangers van de Taghi-generatie

WERDMOLDER170922-kansparels

Deze week verschijnt een boek van mijn hand over een veertigtal Marokkaanse criminele jongemannen die ik ruim dertig jaar heb gevolgd. Dat boek heet Kansparels. Een aantal van die portretten zijn eerder verschenen in Wynia’s Week.

De huidige generatie criminele mocro’s, ooit waren zij ook Kansparels, bestaat uit verschillende groepen ‘uithalers’ van drugs, plegers van plofkraken, uitvoerders van moorden op bestelling en enkele drugsbaronnen. Aan het hoofd van de Hollandse mocro’s staat Ridouan Taghi, de spreekwoordelijke Godfather van het stel.

Taghi beschikt over leven en dood. Hij wordt ervan verdacht leiding te hebben gegeven aan een criminele organisatie en opdrachtgever te zijn van een groot aantal liquidaties, binnen en buiten het criminele milieu. Dat zijn nogal cynische opdrachten. Hij laat zijn tegenstanders niet vermoorden, nee, ‘hij geeft opdrachten om ze te laten inslapen’.

In 2015 was officier van justitie Koos Plooij één van Taghi’s doelwitten. Op grond van een negatief advies uit het criminele milieu zag hij er toch vanaf. Hij heeft, maar dat is nog niet bewezen, ook opdrachten gegeven voor de moorden op de broer van de kroongetuige in het Marengo-strafproces, de advocaat van de kroongetuige en misdaadverslaggever Peter R. de Vries.

Wie is Ridouan Taghi?

In de media wordt Ridouan Taghi, een beetje overdreven en ook wel misplaatst, ‘de Pablo Escobar van de Lage Landen’ genoemd. Hij werd op 20 december 1977 in Beni Salmane (Noord-Marokko) geboren en kwam op tweejarige leeftijd naar Nederland. Hij heeft acht zussen en twee broers.

Begin jaren negentig maakte ‘De Kleine’, een van zijn bijnamen, deel uit van de Utrechtse jeugdbende de Bad Boys. Taghi is beslist niet dom. Hij volgde het VWO en studeerde een tijdje onderwijskunde aan de Universiteit van Utrecht.

In 1992 is hij voor het eerst veroordeeld voor overvallen en het bezit van vuurwapens.

Vanaf 2000 kwam Taghi niet meer in aanraking met de politie. In deze periode maakte hij de stap van bendeleider naar de positie van een professionele crimineel die beschikt over een eigen hasjlijn. Die nam hij over van een familielid. De hasjlijn werd vervolgens gebruikt om vanuit Panama, via Marokko, cocaïne naar Nederland te smokkelen. In het criminele milieu maakte Taghi naam als een zeer grote handelaar in cocaïne. De kring mannen om hem heen noemde hij Angels of Death.

In 2012 gaat het echter mis, na de verdwijning (‘een ripdeal’) van een grote lading van 200 kilo cocaïne in de haven van Antwerpen. Dat leidde tot veel onrust in het milieu. Zijn vroegere kompaan en crimineel Ebrahim Buzru deed in juni 2015, aangifte tegen Taghi en diens rechterhand Saïd Razzouki. Buzru stond op de dodenlijst van Taghi en vreesde voor zijn leven.

Taghi’s naam komt weer naar boven in de ‘26Koperzaak’ in 2016, waarbij de Amsterdamse rechtbank de vijf hoofdverdachten vrijsprak van het voorbereiden van liquidaties, terwijl zij op het punt stonden met wapens een liquidatie te plegen. De groep presenteerde zich in het milieu als ‘een uitzendbureau voor moorden op bestelling’. Daarna zouden nog verschillende moorden op rivalen volgen.

In december 2019 werd Taghi in Dubai aangehouden, na overhaast te zijn gevlucht uit Marokko. Hij wordt per charter naar Nederland overgebracht en verblijft sindsdien in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught. In het Marengo-proces is hij een van de zeventien verdachten. De officier van justitie eiste in juni 2022 een straf van levenslang.               

De voorlopers van Taghi

De door mij gevolgde jongemannen behoorden ook tot een jeugdbende, de logische opstap voor veel professionele criminelen. Zij groeiden op in de Amsterdamse wijk De Pijp. De jongemannen waren gemiddeld tien jaar ouder dan Taghi, tussen 1962 en 1967 geboren, en voor het merendeel afkomstig uit het noordelijk deel van Marokko. Het waren jonge trotse Riffijnen, met een hoog status- en eergevoel. In een conflict zullen dit type jongens nooit een stap terugzetten en ze laten zich zeker niet door het Nederlandse gezag leiden. In zekere zijn zij de voorlopers van Ridouan Taghi.

In de jaren tachtig en begin jaren negentig waren deze jongens dag in, dag uit crimineel. Ze braken auto’s open, slopen woningen binnen, stalen spullen uit winkels en beroofden mensen op straat. Een aantal raakte verslaafd en moest stelen om de heroïne te kunnen aanschaffen.

Een fragment uit het boek: ‘We waren gajes. We gingen met tien man de supermarkt binnen en kwamen met snoep en chips naar buiten. In de winkel durfden ze niets te doen. Zeiden ze er wat van, dan kregen ze een klap op hun porem. Je dacht alleen aan plezier maken, én je had geld nodig. We dachten niet na als we mensen beroofden. Je luisterde ook niet naar je ouders die je op het rechte pad wilden houden.’ Rinus, zijn bijnaam luidde ‘de witte Marokkaan’, was een autochtone jongeman die een handvol woorden Marokkaans sprak. Hij was klein van stuk en de onbetwiste leider van het criminele gezelschap.

Ruzies met hun vaders en schooluitval duwden de jongens de straat op. ‘En dan gaat het klote met een Marokkaan,’ zoals één van hen treffend aangaf. De criminaliteit bij Marokkanen was toen ruim drie keer zo hoog als bij vergelijkbare Turkse Nederlanders. Door de Nederlandse overheid werden de jongeren als ‘kansarm’ beschouwd.

De meeste vormen van criminaliteit nemen snel toe gedurende de tienerjaren, pieken rond het twintigste jaar, en nemen daarna weer geleidelijk af. Dit wordt de ‘leeftijdscriminaliteitscurve’ genoemd. In mijn follow-up onderzoek stelde ik vast dat van de veertig jongemannen er dertien niet meer crimineel waren. Het criminele gedrag was voor hen een wilde fase in hun leven. De rest was nog steeds crimineel, verslaafd aan harddrugs, schizofreen en langdurig werkloos.

In 2003 liet ik aan Marokko-kenner Kevin Dwyer weten: ‘De jongens voelen geen warmte, ze weten dat ze worden uitgekotst, ze voelen zich in het kille en koele Nederland niet thuis, ze passen niet in onze vormen en modellen. Ze willen respect, maar dat krijgen ze niet.’ Ja, die houding herkende hij wel. De relevantie van culturele factoren voor het verklaren van sociaal gedrag leek mij, naast sociaaleconomische variabelen, een fundamenteel gegeven.

In 2005 was het taboe rond Marokkanen en criminaliteit, en de politiek-correcte reflex, nog steeds springlevend. Lange tijd had ik ook een censor in mijn hoofd. Die censor vroeg zich af: ‘Kan of mag ik dit wel opschrijven?’ Dat vervelende stemmetje in mijn hoofd was misschien wel mijn grootste vijand.

Tweede follow-up onderzoek

In 2015 verscheen mijn boek ‘Marokkanen in de marge’, waarin ik verslag doe van mijn tweede follow-up onderzoek. De belangrijkste les was dat de justitiële hulpverlening, gekenmerkt door een oplopend model van bestraffing, trage ambtelijke molens, bureaucratie en een woud van instanties en hulpverleners niet of onvoldoende heeft gefunctioneerd.

Zestien van de veertig mannen waren, vaak na veel vallen en opstaan, op hun pootjes terecht gekomen. Daaronder waren in crimineel opzicht dertien ‘vroege’ en drie ‘late uittreders’. Deze ‘late uittreders’ hadden wel een intensieve drugs- en alcoholverslaving achter de rug. Allen hadden werk en konden hun eigen broek ophouden.

Acht mannen hadden een uitkering en hingen eindeloos aan het infuus van de verzorgingsstaat; dat waren de ‘mannen zonder plannen’. De rest, acht personen, was nog steeds verslaafd aan drugs of alcohol, een veelpleger, schizofreen of psychiatrisch patiënt. Vier mannen waren inmiddels overleden, direct of indirect het gevolg van het intensieve gebruik van drugs.         

Twee mannen waren definitief teruggekeerd naar Marokko en zijn nog steeds als drugshandelaar actief. Dat gold niet voor de volhardende crimineel Rinus, de ‘witte Marokkaan’. Hij komt nog steeds en continu in aanraking met de politie, mede vanwege zijn hardnekkige verslaving aan cocaïne.                                       

Zit er een Taghi of Holleeder bij?

Geen van de jongemannen is uitgegroeid tot het formaat van Ridouan Taghi of Willem Holleeder. Hun levens zijn onbekend, want zij hebben geen beruchte ontvoering, aansprekende bankovervallen of beruchte moorden op hun naam staan. Deze jongens laten zich ook niet omringen door prominente advocaten, ze hebben ook geen groot vermogen op verborgen rekeningen of stichtingen, laat staan dat een prominente verslaggever of auteur zich interesseert voor hun levensverhaal.

Deze jongens sterven ook geen gewelddadige dood. Bij hun overlijden worden ze in Marokko begraven, want ook na je dood blijf je onderdaan van de Koning. Hun verhaal is minder prominent, maar zij vertegenwoordigen wel hoe het in de meeste gevallen afloopt. Twintig portretten van hun intrigerende en criminele levens heb ik beschreven in Kansparels.

Hans Werdmölder, Kansparels. Mocro’s op het scherp van de snede. Just Publishers, 2022.