Hugo de Groot over de Straat van Hormuz: Militair ingrijpen noodzakelijk en gerechtvaardigd

Paul Frentrop 19-3-2026
Standbeeld van Hugo de Groot op de Markt in Delft. Beeld: indelft.nl.

Artikel beluisteren

Het was met enige schroom dat ik contact opnam met Hugo de Groot, de grootste jurist die Nederland ooit heeft voortgebracht en de grondlegger van het internationale recht. De Groot is immers in 1646 overleden en een van de voordelen van het leven in de hemel is dat men daar niet wordt gestoord.

Maar nood breekt wet of necessitas frangit legem, zoals De Groot zou zeggen, want zijn voertaal was Latijn. Zijn beroemdste werk is De iure belli ac pacis (Over het recht van oorlog en vrede) uit 1625. En wij kennen natuurlijk zijn pleidooi voor de vrije toegang tot de zee: Mare Liberum uit 1609.

Ons gas moet langs Hormuz

We zitten nu in de situatie dat Iran schepen dreigt te beschieten die door de Straat van Hormuz olie en gas naar Westerse landen willen brengen en dat de Amerikaanse president bondgenoten heeft gevraagd of ze willen helpen om die belangrijke doorgang veilig open te houden. Onze nieuwe premier was net op bezoek bij zijn Duitse ambtsgenoot en die wees dat verzoek botweg af met als argument: Dit is niet onze oorlog. Wij zijn hem niet begonnen. Onze premier was minder uitgesproken: Er lag geen concreet verzoek, maar in de huidige situatie leek het hem niks.

Toevallig hadden we net een schip naar een andere zee gestuurd om onze bondgenoten te helpen beschermen tegen aanvallen vanuit Iran, dus de argumentatie van zijn Duitse collega kon onze premier moeilijk overnemen. En het is nog maar kort geleden dat Nederland een strategische samenwerking met Qatar is aangegaan om in onze aardgasbehoefte te voorzien nu we Slochteren wegens te grote risico’s hebben gesloten. Dat gas moet langs Hormuz. Daar zal toen toch wel over zijn nagedacht? Toch is het duidelijk dat de Nederlandse regering niet staat te trappelen om onze bondgenoten te helpen om de Straat van Hormuz veilig te stellen.

In deze omstandigheden achtte ik een beroep op het vernuft van De Groot gerechtvaardigd. Hij bleek vriendelijk bereid mij te woord te staan, maar was met andere dingen bezig dan de beslommeringen hier op aarde, dus hij vroeg mij eerst om de feiten: ‘Wat is de reden dat de Amerikanen en Israëli’s oorlog met Iran voeren?’

Recht op een atoombom

Hun doel is te voorkomen dat Iran nucleaire wapens bouwt, antwoordde ik. Daar is de Iraanse regering al lange tijd in het geniep mee bezig. In 2002 onthulde Israël het bestaan van nucleaire faciliteiten bij Natanz en Arak wat in tegenspraak was met het Verdrag tegen de Verspreiding van Kernwapens en datzelfde jaar deed Iran – ook in strijd met dat verdrag – een nucleaire test. In 2009 werd bekend dat er nog een geheime fabriek voor de verrijking van uranium was gebouwd onder een berg, vlak bij de voor sjiieten heilige stad Qom.

Sindsdien is er zonder succes met Iran onderhandeld. Het laatste aanbod was dat Iran gratis nucleaire brandstof zou krijgen voor elektriciteitscentrales, maar Iran wil zelf uranium kunnen verrijken, ook tot het niveau dat (alleen) voor bommen nodig is. Wij hebben recht op het maken van een atoombom, meent het regime.

Een theocratisch regime

Hugo de Groot leek niet geïmponeerd door het in zijn tijd op aarde onbekende fenomeen van kernsplitsing. Mogelijk wordt in het hiernamaals kennis over ontwikkelingen in de fysica algemeen gedeeld. ‘Ius arma genicida’, mompelde hij, ‘omnes nationes? Er zijn nu toch bijna tweehonderd landen op de wereld? Dat lijkt mij niet verstandig.’

Hij stelde een tweede vraag: ‘Is de regering van Iran gestoeld op een wettelijke basis?’ Het is een theocratisch regime, dat de eigen bevolking gruwelijk onderdrukt, antwoordde ik. ‘Theocratisch?’ zei De Groot met een meewarige glimlach, ‘Experientia docet, ervaring is de beste leermeester.’ Ik begreep onmiddellijk wat hij bedoelde. Hij had tijdens de Nederlandse onafhankelijkheidsoorlog al voorspeld dat een bestand met Spanje de interne godsdiensttwisten zou doen oplaaien en dat gebeurde.

De strijd ging officieel over het vraagstuk van de predestinatie, maar in feite over de vraag of de kerk of de staat de baas was. Volgens de strikte Franciscus Gomarus was de kerk de baas. Volgens Jacobus Arminius de staat. De Groot had in vele geschriften Arminianen verdedigd die voor religieuze tolerantie ijverden, en van mening waren dat de staat het hoogste gezag was en dus boven de kerk stond. ‘Cogitationis poenam nemo patitur,’ mompelde hij, niemand behoort te lijden uit straf voor zijn gedachten. Dit rechtsprincipe dat men niet vervolgd kan worden om wat men gelooft vormt de basis van de vrijheid.

Stel alles in het werk om de vrijheid te herwinnen

De Groot citeerde vervolgens Seneca: ‘Hostis est quisquis mihi non monstrat hostem. Een vijand is ieder die mij de vijand niet wijst.’ En vervolgde met: ‘Wij kunnen vaststellen dat wij hier te maken hebben met een verderfelijk regime dat de vrijhandel over de zee probeert de belemmeren. Dan is het de plicht van alle landen die van die vrijhandel afhankelijk zijn om alles in het werk te stellen om die vrijheid te herwinnen. Facta non verba. Geen woorden, maar daden. Ik ga ervan uit dat de Hoogmogende heren van de Staten Generaal van de Verenigde Republiek het hier allemaal over eens zijn. Dulcia non meruit, qui non gustavit amara. Hij verdient het zoete niet, die ’t bittere niet heeft gesmaakt.’

Hij zette zijn hoed weer op en maakte aanstalten om afscheid te nemen. Ik wilde nog vertellen dat onze regering anders denkt en dat we geen republiek meer zijn, maar zag daar maar van af. Het is immers ongepast om de hemelse vrede te verstoren. Hier op aarde echter, moet zo nu en dan worden ingegrepen. Daar hebben wij nu net een marine voor.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!Â