Is liberal wel liberaal? En sociaal-liberalisme dan? (1)

De liberaal Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) verankerde vrijheden in de Grondwet…

Tal van politici noemen zich gretig liberaal. Tegelijkertijd hoor en lees je tegenwoordig her en der dat het ‘neoliberalisme’ de bron is van alle kwaad in de wereld, tot aan de corona-crisis toe. In Europa worden liberalen meestal aan de rechterkant van het politieke spectrum geplaatst, maar Amerikaanse ‘liberals’ zijn links. Hoe zit dit?

Om helderheid in deze verwarring te scheppen, zal ik in enkele essays verschillende termen met het woord ‘liberaal’ erin toelichten. Eerst zal ik in onderstaand essay de kern van alle liberale denken weergeven. Gelukkig is het liberalisme geen dogmatische stroming, met slechts één ‘juiste’ leer. Er bestaan dus wel verschillende varianten van liberalisme.

Ik zal hieronder drie varianten onderscheiden. Dat is geen uitputtende opsomming, maar het zijn de drie voornaamste substromingen. Sommige van die varianten worden ook door degenen die zich als met een dergelijk etiket tooien niet altijd begrepen. ‘Sociaal-liberalisme’ is zo’n term. Menigeen noemt zich ‘sociaal-liberaal’ zonder benul wat dat begrip werkelijk inhoudt.

Neo, liberal, liberaal…

Tegenwoordig wordt het woord ‘liberaal’ ook vaak gebruikt in combinatie met het voorvoegsel ‘neo’. Is dit een nieuwe variant van het liberalisme? En wat hebben Amerikaanse ‘liberals’ te maken met liberalen zoals we die bij de VVD tegen komen? Bestaat er daarnaast een D66-liberalisme, of een links-liberalisme?

Een volgende keer zal ik laten zien dat deze termen wel de suggestie wekken dat we met vormen van liberalisme van doen hebben maar dat ze niet als politieke stroming bestaan – het ‘neo-liberalisme’ – of dat ze wel bestaan maar inhoudelijk niet liberaal zijn. Om dit te kunnen begrijpen moeten we natuurlijk eerst weten wat het liberalisme wèl is. Wat is er minimaal nodig om een bepaalde politiek – qua denkbeelden of daden – liberaal te kunnen noemen?

De kern van het liberalisme

Het woord ‘liberaal’ is al oud, maar eeuwenlang had het geen politieke betekenis. Meestal werd er iets in de trant van ruimdenkend mee bedoeld. Nu kenmerkt dit ook hedendaagse liberalen in de politieke zin, maar daar is zeker niet alles mee gezegd. Als politiek begrip bestaat ‘liberaal’ sinds begin 19e eeuw (de eerste beweging die zo heette waren de Spaanse ‘liberales’ in 1809). In die eeuw brak het liberalisme in tal van Europese landen door. Deze politieke stroming steunde op Verlichtingsdenkbeelden (ruwweg tussen 1670 en 1800).

Vraag je de man of de vrouw hier in de straat waar liberalen voor staan, dan zal een serieus antwoord ongetwijfeld ‘iets met vrijheid’ bevatten. Dit is juist maar op zichzelf onderscheidt het liberalen niet. Want bijna niemand zal zich (in het Westen) tegen vrijheid verklaren, althans niet openlijk. Zelfs de anti-liberale SP omarmt de vrijheid in haar beginselprogram. Wat maakt de vrijheid van liberalen anders?

Vrijheid eerst

Ten eerste zal een liberaal zodra vrijheid met andere waarden in botsing komt, aan vrijheid in beginsel voorrang geven. Vrijheid is voor liberalen niet zomaar een waarde, het is de hóógste waarde. Zo zal bij een botsing tussen vrijheid en gelijkheid, een socialist vooral meer gelijkheid willen; een liberaal verkiest vrijheid.

Liberalen zijn trouwens allerminst tegen gelijkheid. Vrijheid is immers iets dat iedere burger in gelijke mate toekomt. Dit vertaalt zich in het voor liberalen wezenlijke beginsel van gelijkheid voor de wet. Een staat mag de ene burger of groep burgers niet voortrekken boven de andere. Privileges zijn uit den boze. Voor liberalen van welke snit dan ook is rechtsgelijkheid essentieel.

Het individu

Het tweede punt waarin de liberale vrijheid zich onderscheidt is dat het gaat om de vrijheid van het individu. Andere politieke stromingen hebben het – al dan niet impliciet – vooral over collectieve vrijheden. De vrijheid van het gezin, bijvoorbeeld, de vrijheid van een sociale groepering (‘klasse’) of de vrijheid van een etnisch omschreven natie. Liberalen zijn niet tegen vrijheid van bepaalde groepen, maar die mag nooit ten koste gaan van het individu.

Deze nadruk op het individu leidt vaak tot de misvatting, en de beschuldiging, dat liberalen egoïstisch zouden zijn en dat het bij hen ‘ieder voor zich’ is. Liberalen onderkennen wel degelijk dat de mens een sociaal wezen is, die anderen niet alleen nodig heeft maar graag ook allerlei dingen doet samen met en voor anderen.

Niet voor niets heeft de liberale staatsman Thorbecke in 1848 de vrijheid van vereniging en vergadering in onze Nederlandse Grondwet verankerd. Cruciaal voor liberalen is wel dat een individu uit vrije keuze tot zo’n vereniging toetreedt, en er elk moment weer uit kan stappen. Liberalen houden er niet van als een individu in hokjes wordt ingedeeld of daarin gevangen zit. Het vrije individu vormt voor een ware liberaal het uitgangspunt en de toetssteen van al het politieke denken en handelen.

Geen betutteling

De vrijheid van het individu om zijn of haar eigen leven naar eigen inzicht vorm geven geldt op álle terreinen, van het geestelijke tot het economische leven. Liberalen vertrouwen erop dat elke burger het beste weet wat goed voor hem is en wat bij hem past. Er zijn mensen voor wie dit niet geldt, maar zulke uitzonderingen moeten niet tot de norm worden verheven.

Liberalen hebben een broertje dood aan betutteling, aan mensen en overheden die menen beter te weten wat goed voor iemand is dan de persoon in kwestie zelf. De grens van ieders handelingsvrijheid ligt waar iemand een ander in diens vrijheid aantast of hem schade berokkent. Voor zulke situaties moeten er (wettelijke) regels zijn.

Klassiek-liberalisme

Het klassiek-liberalisme is de oudste substroming. Zij voert direct terug op grote denkers uit de Verlichting. Oud betekent zeker niet ‘verouderd’; hedendaagse klassiek-liberalen hebben het denken aangepast aan de tegenwoordige omstandigheden.

Klassiek-liberalen hechten bovenal aan het vastleggen en bewaken van burgerlijke vrijheden in de Grondwet: denk aan de uitingsvrijheid, de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, de (al genoemde) vrijheid van vereniging en vergadering, het huisrecht, of de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam. Zij staan huiverig tegenover macht, en moeten al helemaal niets hebben van opeenstapeling van macht.

Macht met tegenmacht

Naast het scheppen van een vrije sfeer voor de burgers waarin een overheid niet mag treden, willen klassiek-liberalen overheidsmacht zoveel mogelijk scheiden (in een uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht) en deze machten (mede) met behulp van checks and balances in toom houden. Klassiek-liberalen willen voorts een beperkt, goed afgebakend takenpakket voor de overheid. Een kleine staat, maar wát deze moet doen moet hij wel goed kunnen doen.

De klassiek-liberale achterdocht ten aanzien van macht geldt evenzeer in de economie. Klassiek-liberalen zijn voor een vrije markt, niet omdat dit grote ondernemingen zo goed zou dienen maar juist omdat er op een werkelijk vrije markt concurrentie is. Zo worden de belangen van de consumenten – en dat zijn wij allemaal – het beste gediend. Op de vrije markt gelden spelregels. De overheid dient daarop toe te zien; zij moet niet zelf meespelen.

Sociaal-liberalisme

In 1998 bedacht D66 ineens dat ze sociaal-liberaal wilde zijn. Die partij denkt dat dit zoiets is als liberalisme met een sociaal gezicht. Maar zo simpel is het niet.

Het sociaal-liberalisme is een variant van het liberalisme waarin wel wordt gehecht aan de vrije ontplooiing van het individu, maar het individu kan nooit los van zijn omgeving worden gezien. Deze omgeving raakt en maakt het individu. Er vinden voortdurend positief te waarderen uitwisselingen plaats tussen individuen, sociale verbanden en de samenleving als geheel. Een individu behoort zich in deze visie niet af te zonderen, maar dient een eigen bijdrage te leveren aan de samenleving. Welke, dat is aan hem of haar te bepalen. Ontplooiing is echter niet vrijblijvend.

De staat is meer aanwezig dan in het klassiek-liberalisme. Hij moet geen taken van individuen en hun maatschappelijke verbanden overnemen, maar deze wel faciliteren en begeleiden. Sociaal-liberalen geloven niet dat wat iemand bereikt in het leven, geheel zijn eigen verdienste is. Een succesvol ondernemer bijvoorbeeld heeft gebruik gemaakt van onderwijs en van wegen. De staat heeft aldus in de burgers ‘geïnvesteerd’. Indien de burgers vervolgens leuk verdienen, heeft de staat recht op ‘rendement’ over zijn investering. Belastingen zijn voor sociaal-liberalen geen noodzakelijk kwaad. Zij vormen als het ware een winstuitkering aan de staat op diens aandelen.

Ontplooiingsliberalisme

Ontplooiingsliberalisme en sociaal-liberalisme worden veelal door elkaar gebruikt, alsof ze inwisselbaar zijn. Dat zijn ze bepaald niet. Wij zagen al dat een individu in het sociaal-liberalisme de ruimte moet hebben zich te ontplooien, maar hij heeft ook de plicht daartoe. Voor ontplooiingsliberalen ligt dat anders. Zij zien het voor het individu wel als wenselijk dat hij of zij de mogelijkheid heeft tot ontplooiing, maar niet in de eerste plaats ten behoeve van de samenleving maar om zijn interesses en talenten voor eigen welzijn zo goed mogelijk te ontwikkelen.

Minstens zo belangrijk is dat een individu zich volgens ontplooiingsliberalen niet per se het beste ontplooit in wisselwerking met zijn omgeving. Omdat elk individu een unieke persoonlijkheid heeft, moet hij juist gevrijwaard worden van sociale druk tot aanpassing aan zijn omgeving. Omgeving en samenleving hebben namelijk sterk de neiging individuen te willen conformeren. Dan raakt de ware aard van het individu in de knel.

De staat vrijwaart tegen sociale druk

De staat heeft daarom mede tot taak het individu te beschermen tegen dergelijke druk vanuit de omgeving. Of de staat zelf voor onderwijs moet zorgen, daarover verschillen ontplooiingsliberalen onderling van mening. De grondlegger van het ontplooiingsliberalisme, Wilhelm von Humboldt, meende dat het vooral om Selbstbildung diende te gaan.

Alle liberale substromingen houden hun oog gericht op het vrije individu. Anders zouden ze niet liberaal zijn. Maar terwijl het sociaal-liberalisme met zijn onlosmakelijke inbedding van het individu in de omgeving van de drie de minst individualistische is, vormt het ontplooiingsliberalisme juist de meest individualistische variant.

Patrick van Schie schreef dit essay – het eerste van een korte serie – op uitnodiging van Wynia’s Week. Van Schie is historicus en directeur van de liberale denktank TeldersStichting. Hij promoveerde op de dissertatie Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland 1901-1940 (2005). Andere door hem geschreven boeken zijn o.m.: Neoliberalisme: een politieke fictie (2014; met Martin van Hees en Mark van de Velde) en (met Fleur de Beaufort) Het Liberalenboek (2011), Sociaal-liberalisme (2014) alsmede De liberale strijd voor vrouwenkiesrecht (2019).