Rapporten over moslimdiscriminatie lijken slechts één doel te hebben: de verdere islamisering van Nederland
Artikel beluisteren
Er gaat bijna geen week voorbij of er verschijnt wel een rapport waarin staat dat er in ons land sprake is van ernstige islamofobie en moslimdiscriminatie. Deze (semi-)ambtelijke studies komen steevast tot dezelfde conclusie: Nederland is voor moslims een van de vreselijkste landen op aarde.
Afgelopen week was het weer raak en verscheen het rapport Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving. Conclusie: jonge moslims worden dagelijks gediscrimineerd. Op deze wijze wordt volgens de onderzoekers ‘hun welzijn, eigenwaarde en toekomstperspectief onder druk gezet en krijgen ze te maken met openlijke uitsluiting, maar ook met andere vormen van discriminatie, zoals opmerkingen en aannames’.
Dat Nederland samen met onder meer Noorwegen en Denemarken steevast hoog staat genoteerd in lijstjes van landen waar racisme en discriminatie het minst voorkomen, doet blijkbaar niet ter zake. Dat jaarlijks tienduizenden moslimjongeren naar ons land afreizen in de hoop dat zij en hun families hier langere tijd kunnen verblijven, geldt als een voetnoot. Dat moslims in Nederland alle ruimte krijgen om hun religie te belijden, ook al druist daarvan elke kernwaarde rechtstreeks in tegen onze westerse waarden, is van ondergeschikt belang. Dat moslimjongeren, vooral Marokkaanse jongens, openlijk en veelvuldig Joden, hindoes, homo’s en afvalligen discrimineren, is blijkbaar onbelangrijk.
Haaks op de dagelijkse praktijk
Het begint erop te lijken dat de opdrachtgevers en onderzoekers denken dat de Nederlandse burger gek is. De conclusies staan haaks op wat veel mensen met eigen ogen dagelijks aanschouwen. Moslims wordt weinig tot niets in de weg gelegd. Er komen moskeeën en islamitische scholen bij en statushouders – niet zelden moslims – krijgen voorrang op de krappe markt voor sociale huurwoningen. De openbare ruimte, vooral in de grote steden, islamiseert in hoog tempo.
Wie de moeite neemt de rapporten zorgvuldig te lezen, ziet dat ze vaak niet aan de minimale wetenschappelijke eisen voldoen. De onderzoekjes zijn dikwijls vooringenomen, incompleet en soms zelfs gefinancierd door islamitische regimes. Het is alsof de ambtenarij niet kan wachten tot we ons allemaal onderwerpen aan de religie van de vrede.
De studie Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving is gefabriceerd door Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS), een samenwerkingsverband van het Verwey-Jonker Instituut en Movisie, beide gefinancierd met belastinggeld. Wie doorbladert naar de allerlaatste bladzijde van het rapport, ziet dat ook ISN Academie wordt vermeld, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland. In het Turks is dat Hollanda Diyent Vakfi, ofwel Diyanet. Diyanet staat gelijk aan het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, een overheidsorgaan dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt.
Dat islamitische landen in Nederland moskeeën financieren, heimelijk én in het openbaar, is al kwalijk genoeg. Het is echter absurd dat het ministerie van Sociale Zaken een logo van deze Islamitische Stichting Nederland, ofwel Diyanet, onder het rapport zet. Het zodanig te koop lopen met buitenlandse islamistische beïnvloeding valt niet anders uit te leggen dat de Nederlandse ambtenarij, of toch tenminste een aanzienlijk deel ervan, openlijk streeft naar een zo spoedig mogelijke islamisering van de Nederlandse samenleving.
Naar de motieven van de ambtenaren in kwestie kunnen we slechts gissen. Eén ding is onmiskenbaar: op het ministerie van Sociale Zaken is kritiek op dit rapport afwezig of wordt effectief gesmoord. Het bevestigt het vermoeden van veel Nederlanders dat binnen de overheid het groepsdenken kwalijke vormen heeft aangenomen. In hoeverre is er nog sprake van een gezonde vorm van tegenkracht wanneer telkens dezelfde links-progressieve/islamitische ideologie wordt gepromoot? De gevaren van de orthodoxe islam voor onze vrije westerse samenleving worden, mede door gebrek aan kennis, amper herkend. Rijksambtenaren hebben zichzelf en elkaar wijsgemaakt dat de enige gemeenschappelijke vijand ‘extreemrechts’ is en zijn blind geworden voor andere gevaren voor onze vrije, westerse samenleving.
Geen harde data
Je kunt je ook afvragen hoe objectief het rapport is als het merendeel van de auteurs vermoedelijk (streng) religieuze moslims zijn. Weinig West-Europeanen lijken te beseffen dat de loyaliteit van orthodoxe moslims niet in eerste instantie uitgaat naar het land waar zij wonen, maar eerder naar het land van herkomst of vaker nog naar de oemma, de wereldwijde gemeenschap van moslims. En zit er niet een bepaalde tegenstrijdigheid in om als moslim met een mooie, goedbetaalde ambtelijke functie een studie te schrijven over hoe weinig kansen moslims krijgen in onze maatschappij?
De studie Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving heeft net als de meeste onderzoeken naar islamofobie een zogenaamd ‘kwalitatief’ karakter, hetgeen helaas iets anders betekent dan een kwalitatief hoogstaand onderzoek. ‘Kwalitatief’ wil zeggen dat er geen harde data zijn gebruikt. De studie is gebaseerd op literatuuronderzoek en gesprekken met beleidsmakers en 57 moslimjongeren.
Het laat zich raden dat er in het onderzoek niet één beleidsmaker of jongere opduikt die de discriminatie ernstig nuanceert. Net als bij eerdere onderzoeken zijn de geïnterviewden veelal zorgvuldig geselecteerde beleidsmakers en jongeren ‘uit het circuit’, die op een of andere manier beroepsmatig dan wel ideologisch baat hebben bij onderzoek naar moslimdiscriminatie. Het is dan ook amper verbazingwekkend dat deze studie, net als alle andere onderzoeken over dit onderwerp, de aanbeveling doet dat ‘aanvullend onderzoek nodig is’.
‘Maccabi-rellen’
Als we for the sake of argument een poging wagen de inhoud van het rapport serieus te nemen, dan zien we dat het bij de eerst test al misgaat, namelijk als het gaat over de jodenjacht in Amsterdam op 7 november 2024. Deze gebeurtenis wordt in veel media en ook van overheidswege aangeduid als ‘Maccabi-rellen’, om zodoende van de daders slachtoffers te maken en van de slachtoffers daders. Onderstaande passage is illustratief:
‘Aanvankelijk werd het geweld geframed als een “pogrom” en antisemitisch geweld door moslimjongeren (NRC, 2025). Latere reconstructies lieten zien dat Maccabi-hooligans zelf geweld pleegden, haatleuzen riepen en dat zich onder hen ook soldaten uit het Israëlische leger bevonden, waarbij niet uit te sluiten is dat zij in Gaza hebben gediend (Human/Media Logica, 2025; OneWorld, 2024). Desondanks bleef het beeld van moslims als daders dominant, mede door internationale framing en politieke uitspraken die moslimjongeren neerzetten als onvoldoende geïntegreerd (NH Nieuws, 2025; Rechtencircuit, 2024).’
Niet alleen de opgevoerde deskundigen worden in dit soort studies eindeloos gerecycled, maar ook de studies zelf. Zo schrijft het rapport dat ‘een recente studie van Regioplan en de Universiteit Utrecht concludeert dat moslimdiscriminatie wijdverspreid en ontwrichtend is en in toenemende mate als normaal wordt beschouwd binnen diverse sectoren, waaronder de arbeidsmarkt, het onderwijs en de gezondheidszorg’. Dat is hetzelfde onderzoek dat eerder van alle kanten kritiek kreeg omdat er slechts met 44 respondenten werd gesproken, die vooral via belangenorganisaties werden geworven. Het rapport maakt bovendien nergens een onderscheid tussen islamkritiek en moslimdiscriminatie.
Niet alleen de rijksoverheid, ook Brussel strooit met onderzoeken en rapporten die de aanhangers van de islam steevast als slachtoffers van discriminatie voorstellen en die ons moeten doen geloven dat we te maken hebben met een enorm probleem waar overheden beleid op moeten maken. De onderzoeken naar islamofobie en moslimdiscriminatie worden eindeloos rondgepompt als een zoutloze, lauwe prak.
Intussen laat de studie Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving zich vooral interpreteren als een vraag om meer privileges voor moslims, waarbij kritiek op de islam bij voorbaat verdacht moet worden gemaakt. Neem deze quote van een jongere uit het rapport: ‘Je merkt hoe mensen je aankijken, van top tot teen. Geen goedemorgen. Alsof natuurgebieden alleen voor witte Nederlanders zijn. Dan voel ik me niet welkom. Vaak ontwijk ik zulke plekken. Dan ga ik wandelen als het leeg is. Of ik zoek de stilte op andere plekken.’ Verschrikkelijk toch, iemand die geen ‘goedemorgen’ zegt! Dat zou een Marokkaan van 17 jaar uit Amsterdam-West gelukkig nooit doen.
In de aanbevelingen van de onderzoekers lezen we onder meer: ‘Zorg daarnaast voor plekken en netwerken waar jongeren met elkaar kunnen zijn en praten zonder zich te hoeven verdedigen of representeren. (-) Maak daarnaast ruimte voor normale religieuze praktijken waar dat redelijk is en vergroot herkenning en representatie in het onderwijs.’ En een van de conclusies luidt:
‘Moslimdiscriminatie heeft een structureel en genormaliseerd karakter en grijpt diep in het leven van moslimjongeren. Negatieve beeldvorming in media en politiek ondermijnt hun gevoel van veiligheid en vertrouwen en werkt door in alledaagse interacties op school, werk en in de publieke ruimte. Moslimjongeren reageren hierop vaak door vermijding van nieuwsberichten. (-) Deze dynamiek beïnvloedt niet alleen hun welzijn en kansen, maar maakt ook dat zij hun toekomst in Nederland als voorwaardelijk ervaren.’
Normalisering van gebedsruimtes
Behalve de eis om uitbreiding van privileges voor moslims en de claim dat kritiek op de islam bij voorbaat moet worden gesmoord, komt tussen de regels door ook de nadrukkelijke roep om gebedsruimtes op werk en scholen naar voren. Het moet ons niet verbazen als dit rapport onderdeel is van een bredere lobby en dat de komende tijd de druk op Den Haag toeneemt om gebedsruimtes voor moslims te normaliseren dan wel (vaker) toe te staan.
Je kunt je zo langzamerhand afvragen of dit soort drammerige rapporten niet de geloofwaardigheid van de overheid ernstig aantast. Het gevolg is verdere tweedeling van de samenleving, of dat nou de bedoeling is of niet.
Dit is het achttiende deel uit een serie van Benno de Jongh over de (zelf)islamisering van Nederland.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















