Hoge belasting op papieren waardestijging is funest voor onze welvaart
Artikel beluisteren
Door John T. Knieriem*
De Tweede Kamer heeft ingestemd met de Wet werkelijk rendement. Vanaf 2028 wordt het rendement op spaargeld en beleggingen in box 3 belast tegen 36 procent. Voor aandelen en andere beursbeleggingen gebeurt dat jaarlijks over vermogensaanwas, terwijl vastgoed en start-ups pas bij verkoop worden aangeslagen. Daarmee komt een einde aan een periode van juridische onzekerheid. Tegelijkertijd begint een nieuw debat.
In Wynia’s Week beschreef Menno Tamminga hoe vermogenden in Nederland nog steeds als melkkoe worden behandeld. Hij legde scherp uit dat zogenoemd ‘liquide’ vermogen in de praktijk moet worden geliquideerd om belasting te kunnen betalen. Dat inzicht blijft onder het nieuwe stelsel onverminderd relevant. Wie belasting verschuldigd is over papieren waardestijging, moet bij gebrek aan contanten daadwerkelijk beleggingen verkopen. Dat is geen randverschijnsel, maar een structurele eigenschap van heffing over aanwas.
Vermogen kan makkelijk de grens over
Aan Tamminga’s argumentatie kan nog een aantal elementen worden toegevoegd. Allereerst de internationale positie van Nederland. Met een tarief van 36 procent over de jaarlijkse vermogenswinst behoort Nederland tot de hoogste regimes in Europa. In Duitsland wordt gerealiseerde vermogenswinst belast tegen 25 procent. Italië kent 26 procent. Spanje 19 tot 28 procent. In het Verenigd Koninkrijk ligt het doorgaans tussen 10 en 20 procent.
In vrijwel al deze landen wordt bij realisatie geheven, niet jaarlijks over papieren waardestijging. Dat verschil is niet louter theoretisch. In een open Europese kapitaalmarkt kan vermogen relatief eenvoudig de grens over. Via internationale structuren of fiscale emigratie kunnen grote vermogens reageren op verschillen in belastingdruk. Hoe groter het verschil, hoe sterker de prikkel.
Daarnaast is er het macro-economische effect. Europa staat voor een forse investeringsopgave. Het rapport-Draghi en het rapport van Wennink benadrukken dat productiviteitsgroei achterblijft en dat meer risicodragend kapitaal nodig is om innovatie en concurrentiekracht te versterken. Ook vanuit het bedrijfsleven wordt herhaaldelijk gewezen op het belang van een aantrekkelijk investeringsklimaat. Kapitaal vormt de financieringsbasis van ondernemingen.
Wanneer het netto rendement structureel daalt door hogere en vroegtijdige belasting, worden investeringen minder aantrekkelijk. Beleggers eisen een hoger bruto rendement om hetzelfde netto resultaat te behalen. Dat vertaalt zich in hogere kapitaalkosten voor bedrijven. Minder investeringen betekenen minder innovatie, minder productiviteitsgroei en uiteindelijk minder welvaart. Wie investeren fiscaal zwaarder maakt, verkleint op termijn de economische taart. Door dit nieuwe fiscale stelsel schiet de overheid zichzelf in de voet.
Inflatie en verlies
Een derde punt is inflatie. Als er sprake is van inflatie dan bestaat een deel van de vermogensgroei uit compensatie voor geldontwaarding. Toch wordt nominale aanwas belast tegen 36 procent, zonder expliciete correctie. Dat betekent dat ook de inflatiecomponent wordt meegenomen in de heffing.
Verder is verliesverrekening beperkt. Verliezen kunnen worden doorgeschoven naar toekomstige jaren, maar niet onbeperkt worden teruggehaald. Daarmee ligt het risico in neergaande markten zwaarder bij de belastingplichtige dan bij de fiscus.
Technocratische ficties
Ten slotte is het relevant dat het politieke debat niet is afgerond. In de Kamer is inmiddels een motie aangenomen die het kabinet oproept om te onderzoeken of het hybride stelsel kan worden doorontwikkeld richting een volledige vermogenswinstbelasting. Dat onderstreept dat zelfs binnen de huidige meerderheid twijfel bestaat over de houdbaarheid van het gekozen model. De discussie over box 3 is dus niet afgesloten, maar verschoven.
De verdediging van het nieuwe stelsel is vooral budgettair van aard. Het moet ongeveer evenveel opleveren als het oude regime. Daarmee wordt opbrengst leidend in plaats van rechtvaardigheid en economische consistentie. Een logischer volgorde zou zijn om eerst vast te stellen welk systeem duurzaam en eerlijk is, en daarna te bezien hoe eventuele verschillen in opbrengst worden opgevangen. Jarenlang heeft de overheid zichzelf rijk gerekend met veel te hoge achter het bureau bedachte fictieve rendementen. Gericht op de realisatie van gewenste belastingopbrengsten. Nu wordt dat gecorrigeerd met een systeem dat opnieuw primair gericht is op het behalen van de technocratische ficties die de ambtenaren hadden bedacht.
Een alternatief dat aansluit bij een rechtvaardige benadering is een zuivere vermogenswinstbelasting bij realisatie tegen een gematigd en internationaal concurrerend tarief. Alleen gerealiseerde winst wordt belast. De overgang kan worden gefinancierd met een tijdelijke, aflopende heffing op grote vermogens boven bijvoorbeeld 1 miljoen euro, gecombineerd met afrekening bij emigratie en overlijden om langdurig uitstel te beperken. De opbrengsten verschuiven dan deels naar de toekomst, maar verdwijnen niet. Vermogens worden verkocht, overgedragen of vererfd. Het gaat om timing van kasstromen, niet om structureel verlies van grondslag.
Kernvraag
De bijdrage van Tamminga maakte duidelijk dat het nieuwe stelsel spanning oproept rond rechtvaardigheid en liquiditeit. De aanvullende vraag is wat het betekent voor investeringen, kapitaalvorming en internationale concurrentiepositie. In een tijd waarin Europa inzet op groei en innovatie is dat de kernvraag.
*John T. Knieriem is aangesloten bij Klassiek Liberaal, een platform binnen de VVD.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee?Hartelijk dank!Â

















