Nederland dreigt een mannen verafschuwende breiclub te worden
Artikel beluisteren
De grootste ramp die de eenentwintigste-eeuwse mens lijkt te kunnen overkomen, is het ervaren van ongemak. Wat dat dan precies is, dat ongemak, en waarom het zo rampzalig is, wordt nooit helemaal duidelijk, maar een ding lijkt zeker: bij ongemak wordt afgeweken van een bepaald (beschaafd, voorspelbaar, uitgetekend) scenario en waar sommigen dat juist verwelkomen – meestal mannen – is de dominante opvatting inmiddels dat ongemak awkward is en te allen tijde voorkomen moet worden.
Op verjaardagsfeestjes, bedrijfsborrels, netwerk-events en andere bijeenkomsten is ongemak tegenwoordig, door gebrek aan inhoudelijke issues en de onwil onderling de degens daarover te kruisen (help, polarisatie!), misschien wel de meest gebruikte aanjager van allerhande conversaties. Heb je die en die dat ene woord horen gebruiken? Heb je het overhemd van die en die uit zijn broek zien hangen? Zag je hoe dicht die en die achter haar in de rij voor de koffiemachine stond? Heb je het diep uitgesneden decolleté van die en die gezien?
Echte of vermeende ongelijkheid
Ook de commercie heeft het ongemak ruimschoots ontdekt. We struikelen inmiddels over de datingshows waarin we ogenschijnlijk om maar één reden naar volstrekt anonieme dating-kandidaten zonder een opvallend inzicht of interessante quote zitten te gapen: hoe gedragen ze zich? Respecteert de een de ander wel genoeg? Of laat dat respect te wensen over? Elke echte of vermeende vorm van ongelijkheid is een trigger voor discussie, opwinding.
Ten overvloede worden er ook nog hele podcasts gevuld met het analyseren van die datingshows, zeker als er zich een ‘incident’ (ofwel, een piek van ongemak) heeft voorgedaan. En ook de sociale media zijn een magneet voor klagers die vinden dat een BN’er of iemand anders die op tv verschijnt iets gedaan heeft wat ‘niet kan’. Als ex-functionarissen van communistische veiligheidsdiensten uit hun graf op zouden staan, en zouden zien met welk fanatisme we elkaar in het ‘vrije Westen’ thans continu bespioneren en in de hoek drukken (lang leve de mobieltjes), hadden ze hun ogen niet geloofd.
Het heeft er veel van weg dat het hardst nagejaagde ideaal van dit moment de totale opheffing van het fenomeen ‘ongemak’ is. Dat een gladgestreken werkelijkheid, waarin iedereen iedereen in zijn of haar waarde laat, het hoogste doel is van onze beschaving. Een doel, bovendien, dat niet snel genoeg kan worden gerealiseerd. Liefst vandaag nog.
De grondigheid waarmee overheid- en bedrijfsleven nieuwe (nog uitgebreidere) gedragscodes en klachtenprocedures opstellen, en de ijver waarmee vertrouwenspersonen- en commissies worden geïnstalleerd die bereid zijn elk ongemak tot aan de kleinste rafelranden uit te pluizen, laat in feite maar een conclusie over: de werkomgeving dient volledig vacuüm getrokken te worden van elk gedragskundig smetje, sterker, van alles wat kan uitgroeien tot zo’n smetje.
Dat ongemak iets interessants zou kunnen zijn, iets waar je van kunt leren of aanzet tot nieuwe inzichten (slimmer voor jezelf opkomen, bijvoorbeeld, of de kracht van het zwijgen ontdekken), lijkt een gedachte die heel ver weg is. Als ongemakken worden besproken, is het negen van de tien keer in de context van ‘ik hoop dat me dit nooit meer overkomt’ of ‘alsjeblieft, neem maatregelen die zorgen dat dit voorgoed verleden tijd is’. Zo lijken we soms met z’n allen geheel vrijwillig bezig onze bewegingsruimte te beperken, tot op het allerkleinste niveau. En zonder dat er een decreet of commando of kalifaat aan te pas komt.
‘Hoe voel je je?’
Een van de geniepigste uitwassen van de aversie tegen ongemak is de steeds vaker gestelde (controle)vraag ‘hoe voel je je?’. Die vraag kan natuurlijk geïnterpreteerd worden als een oprechte poging te weten te komen hoe iemand op dat moment in zijn of haar veel zit, maar het is ook, een misschien wel meer dan we doorhebben, een uiting van het niet-accepteren dat we in het duister tasten over wat iemand anders denkt of voelt. Daarmee is ‘hoe voel je je?’, zeker aan het begin van een gesprek, niet zelden een in dons verpakt bevel richting de ander onmiddellijk iets over zijn of haar gevoelstemperatuur los te laten. Zodat iemands emotionele GPS-positie in kaart kan worden gebracht en de kans minder groot wordt in het vervolg door die ander verrast te zullen worden of ongemak te ervaren.
Als je de hier opgesomde ontwikkelingen bij elkaar veegt en de aldus ontstane, maatschappelijke sfeer kenschetst als die van ‘een breiclub’, kun je er donder op zeggen dat je met het seksisme-verwijt om de oren wordt geslagen. En het is waar: het woord ‘breiclub’ is een verbale uithaal en allesbehalve neutraal. Maar ook is het waar dat de drang naar micro management bij vrouwen nu eenmaal sterker is ontwikkeld dan bij mannen. Evolutionair dieper in hen verankerd is. En dat het groeiende bouwwerk van (ongeschreven) regels veel mannen een diep, soms moeilijk te benoemen gevoel van onbehagen bezorgt.
Al is de teneur in linkse media natuurlijk dat mannen voortaan in het gareel moeten lopen. Baat hebben bij de oprukkende invloed van de breiclub en meer ‘moeten leren over hun gevoelens te praten’ alsmede ‘zich moeten bevrijden van hun giftige mannelijkheid’. Sterker, de indruk wordt gewekt dat het onder controle krijgen van mannelijke impulsen een van de belangrijkste beschavingsopdrachten van deze tijd is, voor ons allemaal, maar zeker ook voor mannen zelf. Leidersfiguren als Vladimir Poetin, Xi Jinping en Donald Trump fungeren hierbij als dankbare symbolen, waar we afscheid van moeten nemen.
Wat chronisch onderschat wordt is dat hetgeen aan de buitenkant een logische en lovenswaardige strijd voor een humanere, vriendelijkere en meer gelijkwaardige samenleving lijkt, aanschurkt tegen allesomvattende gedragscontrole. En dat we – aangejaagd door massamedia en digitale platforms – in een traject verzeild lijken geraakt om elkaar, ook of juist op de meest intieme momenten, de maat te nemen. Klopt die knipoog met hoe ik me voel? Was die hand op mijn zij louter vriendschappelijk? Zijn die lieve woordjes gemeend? Kan ik die foute opmerking ooit nog uit mijn geheugen wissen? De mens meet zich, kortom, steeds meer de status van God aan, en diens Schepping moet voortaan tot in de puntjes kloppen. (Bestaat er een snellere route naar teleurstelling? Naar het slikken van antidepressiva?)
Nota bene: emeritus-hoogleraar sociologie Gabriël van den Brink, iemand met een onvervalst progressieve achtergrond, is tot de conclusie gekomen dat ‘democratisering’, ‘moralisering’ en ‘feminisering’ wellicht zijn doorgeschoten: ‘We hebben geen waardering meer voor het harde, zakelijke, hiërarchische, rationele, functionele gedrag dat kenmerkend was voor de klassieke mannelijke cultuur,’ schreef hij begin 2026 in de Volkskrant. Waarna de redactie een ongekende stroom van verontwaardigde reacties te verwerken kreeg, met de kwalificatie van Van den Brinks woorden als passend ‘in de MAGA-trend van Donald Trump’ als een van de mildste.
Cultuuroorlog
Clashes inzake gender-, identiteits- en woke-gerelateerde vraagstukken worden tegenwoordig samengevat onder de term ‘cultuuroorlog’, ofwel de uit Amerika overgewaaide culture war. Soms lijkt het alsof, Van den Brink nog eens citerend, de ‘harde, zakelijke, hiërarchische, rationele en functionele’ issues langzaam uit de politieke arena en de publieke opinie aan het wegdrijven zijn en we afstevenen op een circus waarin we 24/7 op een onverdraaglijke manier bakkeleien over wie-we-zijn, hoe-we-reageren en wat-voorbeeldgedrag-is.
Stuk voor stuk breiclub-issues waar je nooit uitkomt.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















