Amerikaanse ‘liberals’, ‘libertariërs’, ‘libertair’ en D66 (2)

Sigrid Kaag, D66-leider

In de Verenigde Staten is het woord ‘liberal’ voor Republikeinen al decennia (dus ruimschoots voor Trump) een scheldwoord voor zeer links. Centrum-gerichte Democraten distantiëren zich ervan. Linkse Democraten gebruiken het etiket daarentegen steeds vaker als een geuzennaam.

Voor Europeanen – gewend als zij zijn aan een centrum-rechts liberalisme – is dit verwarrend. Is het Amerikaanse politieke spectrum zo rechts dat een doorsnee VVD’er daar ineens enorm links zou  zijn? Dat is niet zozeer de verklaring. Het heeft er vooral mee te maken dat ‘liberals’ in de VS inhoudelijk een heel andere politiek voorstaan dan Europese liberalen.

Een ‘vervuild’ begrip

In de 19e eeuw werd de term ‘liberal’ in de VS niet veel gebruikt. Men verstond er nog wel hetzelfde onder als hier. Maar in 1927 merkte de klassiek-liberale denker Ludwig von Mises op dat de ideeën van Amerikaanse ‘liberals’ ‘in every regard are the opposite of all that liberalism meant to the preceding generations’. In plaats van voor individuele vrijheid, stond ‘liberalism’ voor meer overheidsingrijpen, planning van de economie, maakbaarheid en het streven naar nivellering van sociaal-economische ongelijkheden. Enkele jaren later vond de Amerikaanse president Herbert Hoover dat het woord ‘has been polluted and raped of all its real meaning’.

Deze vorm van ‘liberalism’ was sinds de New Deal-politiek van president Franklin Delano Roosevelt in de jaren dertig lang populair. Het was echter een politiek waar Europese sociaal-democraten meer mee hadden dan liberalen. Vanaf eind jaren zestig kwam daar een culturele component bij die ‘liberalism’ nóg minder liberaal (in de oorspronkelijke zin van het woord) maakte. Dat culturele aspect is uitgemond in de hedendaagse ‘identity politics’.

Het groepsdenken van identiteitspolitici

‘Identity politics’ gaat veel verder dan het liberale verlangen dat alle burgers gelijk worden behandeld. Identiteitspolitiek eist namelijk speciale groepsrechten voor minderheden, wat juist indruist tegen rechtsgelijkheid en een overheid die handelt in het algemeen belang. Identiteitspolitici beoordelen mensen op groepskenmerken; echte liberalen waarderen elk individu op zich.

Opiniepeilers vragen Amerikanen geregeld naar hun ‘zelf-identificatie’. In de jaren tachtig noemde ongeveer 15% van de Amerikaanse kiezers zichzelf ‘liberal’. Inmiddels is dit gegroeid naar 26% (in een recente Gallup-peiling), onder de jongste kiezers zelfs 35%. Deze kiezers zijn tegenwoordig bijna uitsluitend onder de Democraten te vinden.

‘Libertariërs’

Wat moeten Amerikanen die liberaal in de Europese zin van het woord zijn? Sommigen noemen zich ‘conservative’. Maar dat is weinig verhelderend omdat daar van alles onder valt tot en met (evangelisch) religieus rechts. Klassiek-liberalen noemen zich ook wel ‘libertarian’, oftewel libertariër. Maar dit woord is naast een aanduiding voor klassiek-liberaal (in de VS) eveneens de benaming van een zelfstandige stroming, die radicaler is dan het klassiek-liberalisme.

Klassiek-liberalen achten een staat nodig, zij het voor een beperkt takenpakket. Libertariërs knagen liever ook aan de kerntaken van een klassiek-liberale staat. Zij willen bijvoorbeeld infrastructuur en defensie privatiseren. De meest vergaande variant van het libertarisme wordt anarcho-kapitalisme genoemd. Aanhangers hiervan delen met linkse anarchisten een immens wantrouwen tegen de staat, maar anders dan de linkse anarchisten juichen zij de vrije markt toe. Bovendien keuren zij een gewelddadige omverwerping van de bestaande politieke verhoudingen af.

Libertariërs bewandelen de democratische weg. In de Verenigde Staten heeft de Libertarian Party aan alle presidentsverkiezingen sinds 1972 deelgenomen. Wat weinigen in Nederland weten is dat kiezers ook in 2020 op een kandidaat van deze partij kunnen stemmen: Jo Jorgensen (een vrouw). Het beste resultaat behaalde de partij tot nog toe in 2016: 3,3% ‘nationwide’, met als presidentskandidaat Gary Johnson. De meeste bekendheid dat jaar verwierf echter een andere libertariër, door (vergeefs) mee te dingen naar de Republikeinse kandidatuur: Rand Paul.

Ook in Nederland bestaat een Libertarische Partij, maar zij vormt een onbeduidende splinter. Haar beste resultaat in Tweede Kamerverkiezingen was 0,05% (in 2012). Tegenwoordig noemt zij zich Libertaire Partij.

‘Libertair’

De term ‘libertair ‘betekent vanouds echter iets anders, namelijk een volledig vrij beleid op immaterieel gebied zoals in de seksuele sfeer of inzake drugs. Het is geen correcte vertaling van ‘libertarian’. Libertariërs onderschrijven weliswaar zo’n volledig ongereguleerd beleid op immaterieel gebied, maar zo’n door de cultuur uit de jaren zestig gestempeld beleid wordt in Nederland meestal voorgestaan door enkele linkse partijen, voorop D66 en GroenLinks.

Op andere terreinen staat de politiek van deze partijen haaks op waar libertariërs naar streven. Libertariërs bevinden zich in Nederland rechts van de VVD, een positie die D66 en GroenLinks duidelijk niet innemen en ook zeker niet zullen wíllen innemen. Waar libertariërs op een breed terrein ongereguleerd beleid voorstaan, doen libertairen dat slechts op één smal gebied.

De vroegere ‘vrijzinnig-democratie’

Voordat we nagaan in hoeverre D66 liberaal is, moet een andere claim van deze partij worden onderzocht. Dat is de bewering dat D66 de nazaat is van de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB), een partij die tussen 1901 en 1946 heeft bestaan.

Eind negentiende eeuw trad in de Tweede Kamer een groep parlementariërs op die ten dele sociaal-liberale wortels had maar zich niet langer liberaal wenste te noemen. Deze Kamerleden duidden zichzelf als ‘vrijzinnig-democraten’ aan. In 1901 richtten zij een eigen partij op: de VDB. Deze partij heeft steeds ter linkerzijde van de liberalen geopereerd en weigerde in 1921, toen de tot dan toe verdeelde liberalen zich in één partij (de Vrijheidsbond) verenigden, stelselmatig toenadering.

Een ‘systeemloos model’

Vrijzinnig-democraten keerden zich altijd tegen de benaming liberaal. In hun ogen was het liberalisme verouderd. Het had in de 19e eeuw zijn nut gehad, maar voor de 20e eeuw zou een ideologie (zoals het liberalisme) te beknellend werken. Het alternatief dat de VDB naar eigen zeggen bood was een ‘systeemloos model’. Het is niet moeilijk hierin verwantschap met het pragmatisme te herkennen dat D66 vanaf haar oprichting zei voor te staan.

Net als D66 trachtte de VDB wel kiezers uit liberale hoek te trekken door de liberale partij (destijds de Vrijheidsbond, nu de VVD) af te schilderen als ‘conservatief’. Onderbouwd werd die beschuldiging (want zo was het bedoeld) toen evenmin als nu. De VDB positioneerde zich tussen de liberalen en de sociaal-democraten. De bond meende het beste uit die beide stromingen in zich te verenigen. In de praktijk keek de partij meer naar de sociaal-democraten dan naar de liberalen, omdat zij hunkerde naar de erkenning als ‘progressieve’ partij. Zodoende was niet het individu een richtsnoer voor haar politieke handelen maar voer zij een meer collectivistische koers. Wat dit betreft kan D66 eveneens als een erfgenaam van de VDB worden beschouwd.

Meer dan één erfgenaam

D66 kan zich echter niet als enige de erfgenaam van de VDB noemen. Als partij ging de VDB in 1946 namelijk samen met enkele andere groeperingen op in de Partij van de Arbeid. De politiek leider van de VDB was sinds 1935 Pieter Oud. Hij stond in 1948 aan de wieg van de VVD. Oud nam verschillende partijgenoten mee en hij heeft in de eerste vijftien jaar ook een duidelijk stempel op de VVD gedrukt.

Inhoudelijk wijkt D66 uitgerekend op enkele van haar speerpunten af van hetgeen de VDB voorstond. Vrijzinnig-democraten zagen niets in een gekozen premier, omdat een eigen mandaat van de kiezers afbreuk zou doen aan het primaat dat bij het parlement behoorde te liggen. Daarnaast was de VDB blij in 1918 eindelijk af te geraken van het tot die tijd ook in ons land geldende districtenstelsel, terwijl D66 dat juist zou willen herinvoeren.

D66 als ‘liberale’ partij

Toch is het al met al niet geheel ten onrechte dat D66 in de voetsporen van de vrijzinnig-democraten wil treden. Maar hoe zit het met haar claim dat zij een sociaal-liberale partij is?

Hierboven zagen we al dat op de punten waar zij aanspraak kan maken erfgenaam te zijn van de VDB, dit een liberaal etiket uitsluit. Vanaf haar oprichting wilde D66 trouwens zelf niet ideologisch maar pragmatisch zijn; anderen zouden dit opportunistisch noemen. Hans van Mierlo en de zijnen vonden begrippen als ‘liberalisme’ achterhaald. Pas in 1998 sprak een meerderheid op een D66-congres uit ‘sociaal-liberaal’ te zijn, tegen de zin van de partijleiding.

EU-federalisme is drang van bovenaf

D66 heeft sindsdien moeite gehad hier invulling aan te geven, vooral omdat de partij nooit inhoud en implicaties van het ‘sociaal-liberalisme’ heeft willen doorgronden [zie voor die inhoud mijn vorige essay]. Een van de hoofdkenmerken van sociaal-liberalisme is dat individuen nooit los van elkaar maar altijd in hun sociale context moeten worden beschouwd. Met elkaar bouwen zij een samenleving op. De staat begeleidt hen hierbij, maar dient niet in een bepaalde richting te stuwen.

Eén van de gevolgtrekkingen van dit gedachtengoed is dat indien vanuit de samenleving zelf het streven opwelt naar een groter staatkundig verband dan historisch was gegroeid, dit volstrekt legitiem is. De politiek dient dit dan te faciliteren. Maar politici mogen hun beschikking over staatsmacht niet aangrijpen om burgers tegen hun zin, en in ieder geval voordat zij daaraan toe zijn, in zo’n groter staatkundig verband te dwingen. Kortom, voor sociaal-liberalen mag de overdracht van bevoegdheden aan de Europese Unie nooit uit een top down-drang naar federalisering voortspruiten. Precies de weg die D66 wel wenst te gaan.

Een grondrecht héb je, je hoeft er niet om te vragen

Het sociaal-liberalisme verdraagt zich ook op andere terreinen slecht met standpunten van D66. Maar zelfs de bredere benaming ‘liberaal’ wringt tot aan immaterieel terrein toe met speerpunten van de partij. Een goed voorbeeld is de op voorstel van D66 ingevoerde ‘actieve donorregistratie’ (ADR). Onder dit systeem wordt iedere burger die niet expliciet heeft aangegeven dat hij (of zij) na zijn dood de eigen organen niet ter beschikking stelt aan een ander, geregistreerd alsof hij daar wel zelf mee heeft ingestemd. Dit druist lijnrecht in tegen het (liberale) grondrecht op zelfbeschikking over het eigen lichaam.

Kern van de liberale leer over grondrechten is dat zij niet pas gelden als een burger zich er expliciet op beroept. De staat mag hoe dan ook niet treden in wat bij uitstek tot de privésfeer van de burgers behoort. ADR is dan ook exemplarisch voor anti-liberale politiek. Het individu wordt geprest zijn organen af te staan. Dat bij het niet maken van een keuze zijn of haar organen aan de gemeenschap vervallen, is ultra-collectivistisch. D66 is geen (sociaal-)liberale partij. Zij valt beter te typeren als libertair links.