De Swinging Sixties in Nederland
Artikel beluisteren
Het waren de jongeren die de ouderen een lesje leerden, in plaats van omgekeerd. Ze schiepen een compleet eigen wereld en cultiveerden daar een opgewekt hedonisme: sex and drugs and rock ’n roll. Ze zetten zich af tegen gevestigde gewoonten en traditionele autoriteiten. Voor het eerst zou een generatie haar opvattingen en gedrag niet automatisch veranderen met het volwassen worden.
De soundtrack van de Swinging Sixties werd verzorgd door de popmuzikanten uit de Verenigde Staten en Engeland. Zij inspireerden anno1966 de opkomst van wat de nederbeat ging heten.
I hope I die before I get old
De Amerikaanse protestzanger Bob Dylan zei het zo:
Come fathers and mothers throughout the land
And don’t criticize what you can’t understand.
The Who, een onstuimige Britse popgroep, verkondigde de boodschap eind 1965 in een van hun grote hits: My Generation:
People try to put us down
Talking ’bout my generation
Just because we get around
Talking ’bout my generation
Things they do look awful cold
Talking ’bout my generation
I hope I die before I get old
Talking ’bout my generation.
Het nummer kwam net op tijd in Nederland op de markt om de laatste plaats in de single top 100 van 1965 te halen. Een jaar later eindigde My Generation op plek 63. Substitute, de opvolger van The Who, deed het op plaats 36 beter.
Een korte blik op de top 100 van 1966 vergeleken met die van 1965 laat opvallende verschillen zien. Te midden van gevestigde popacts als The Beatles, The Rolling Stones, The Animals, The Byrds en The Kinks zien we in 1965 nog veel oubolligheid. Op nummer 1 stond La danse de Zorba van het Trio Hellenique. Het was niet het enige Franse nummer. Verder veel ballades (You’ve got your troubles, Goodbye My Love) en opvallend veel Nederlandstalig werk (Johnny Lion, Ria Valk, Trea Dobbs, Ronnie Tober, Gert Timmerman, Willeke Alberti en Imca Marina).
In de top 100 van 1966 was het ineens vrijwel allemaal Engelstalig. Dat gold ook voor de Nederlands groepen die de nederbeat zouden dragen: Q65 (The life I live, You’re the victor), The Outsiders (Lying all the time, Keep on trying), The Motions (Why don’t you take it, Wasted words).
Radar Love
The Golden Earrings was met That Day op 13 de hoogst genoteerde Nederlandse popgroep. Bijzonder was dat de plaat in Engeland was opgenomen. De band, die in 1961 in Den Haag was opgericht, zou als Golden Earring met Radar Love een internationale hit scoren en een succesvolle tournee in Noord-Amerika maken. Dat was uitzonderlijk, want de nederbeat wist over de landsgrenzen weinig potten te breken.
De groepen spiegelden zich aan hun Britse en Amerikaanse voorbeelden. Ze schreven voortaan hun eigen songs, in niet al te sophisticated Engels. Ze traden in het hele land live op, in de gymzalen, de dorpshuizen en op andere podia. Daar drong al gauw de penetrante geur van cannabis door.
Maatschappijkritiek was over het algemeen ver te zoeken. Boudewijn de Groot bleef met zijn protestsong Welterusten meneer de president steken op plaats 58 in de top 100 van 1966. Maar dankzij de nederbeat genoot ook de jeugd van Nederland volop van de Swinging Sixties.
Gemengde gevoelens
Intussen werd het ook onrustig in de concertzaal. Jonge componisten begonnen zich af te zetten tegen het risicomijdende muziekbestel, dat de baantjes en de subsidies angstvallig in eigen kring hield. De orkesten wilden hun vingers niet branden aan het uitvoeren van al te moderne muziek.
Jonge honden als Misha Mengelberg, Han Bennink, Willem Breuker, Reinbert de Leeuw en Peter Schat wilden een doorbraak forceren. Op 23 juni 1966 ging de opera Labyrint van Peter Schat tijdens het Holland Festival in theater Carrė in première. Schat voelde zich nauw verbonden met Provo, dat in zijn souterrain zijn hoofdkwartier had.
Labyrint was een samenwerking van de componist met tekstschrijver Lodewijk de Boer, choreograaf Koert Struyf en filmregisseur Albert Seelen, onder leiding van de Italiaanse dirigent Bruno Maderna. Architect Aldo van Eyck zorgde voor de decors. Naast koor, orkest en zangsolisten werd ook elektronische muziek ingezet. Het publiek reageerde met gemengde gevoelens.
Vijf jonge componisten, Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg, Peter Schat en Jan van Vlijmen richtten in het voorjaar van 1966 hun pijlen op het Concertgebouworkest en dirigent Bernhard Haitink. Die werd weggezet als ‘incompetent’ in het uitvoeren van eigentijdse composities. Naast Haitink zou dan ook Bruno Maderna als vaste dirigent benoemd moeten worden. Maderna had internationaal naam gemaakt als vernieuwend dirigent en was bevriend met geestverwanten als Pierre Boulez en Luciano Berio.
Met harde hand verwijderd
De actie van de vijf leverde geen direct resultaat op, maar het zou niet meer rustig worden aan het Museumplein. Op 17 november 1969 onderbrak actiegroep De Notenkraker met ratels en een toeter een uitvoering onder leiding van Haitink in het Concertgebouw. De dirigent werd door een megafoon opgeroepen tot een openbare discussie over de ‘ondemocratische structuur’ van het Concertgebouworkest. Andriessen, De Leeuw en Schat deelden pamfletten uit aan de orkestleden en het publiek. Dat reageerde ontstemd op de ordeverstoring. De actievoerders werden door suppoosten met harde hand uit de zaal verwijderd.
Van Hans Wansink verscheen bij uitgeverij Blauwburgwal Ontketend Nederland. Van Provo tot PVV. Dit artikel maakt deel uit van een reeks die hij schrijft over het jaar 1966 naar aanleiding van dat boek. Eerdere stukken zijn hier, hier, hier, hier en hier te lezen.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!


