Een districtenstelsel helpt veel beter tegen versplintering dan een kiesdrempel – en heeft nog andere voordelen ook
Artikel beluisteren
Het kabinet-Jetten kan de plannen om een kiesdrempel in te voeren inmiddels schrappen. Maar dat is niet het einde van de discussie. De versplintering en de gebrekkige democratische mandaten blijven. Zou een districtenstelsel soelaas kunnen bieden?
Het nieuwe kabinet heeft, ruim voordat het op het bordes staat, een eerste onzalig plan al geblokkeerd gezien. Twee onzalige plannen eigenlijk, want deze week werd duidelijk dat het voornemen om ‘informeel onderwijs’ nauwkeurig te gaan inspecteren, inclusief zondagsscholen en de padvinderij, van tafel is en zich zal beperken tot streng toezicht op scholen die financieel door ‘onvrije landen’ worden gesteund. Het gaat dan dus om avond- en weekendscholen die worden gesponsord door islamitische landen en China. Een oud plan van het kabinet-Schoof, dat veel maatschappelijk protest heeft opgeroepen, wordt door het nieuwe kabinet dus in herziene vorm bij de Kamer ingediend.
Tegen een door dit nieuwe kabinet zelf bedacht plannetje stemde deze week de voltallige oppositie, en daarmee een ruime Kamermeerderheid. Het gaat om het idee uit het coalitieakkoord om te gaan onderzoeken of er niet een kiesdrempel zou moeten komen. Een kiesdrempel betekent dat een partij minstens een bepaald percentage van het totale aantal uitgebrachte stemmen moet hebben behaald om een zetel in de Tweede Kamer te kunnen innemen. Alle stemmen die op een partij zijn uitgebracht die in totaal minder dan een bepaald percentage van de stemmen heeft behaald, belanden dan in de prullenbak.
Zestien fracties
In Duitsland en in België hebben ze dat systeem bijvoorbeeld: een partij moet minstens vijf procent van de stemmen hebben behaald, anders gaat het feest niet door. Het systeem is bedacht om te voorkomen dat een groot aantal kleine partijtjes in het parlement komt, met als gevolg dat er steeds meer partijen nodig zijn om een meerderheid te vormen: een land wordt dan zo goed als onbestuurbaar. De Tweede Kamer bestaat momenteel uit zestien fracties, en de meeste zijn zogeheten mediumfracties met vijf tot vijfentwintig zetels. Slechts vijf fracties hebben meer dan tien zetels. Met zijn 26 zetels is D66 de kleinste grootste partij ooit.
Het kabinet van D66, CDA en VVD wilde een onderzoek naar de wenselijkheid om zo’n systeem met een kiesdrempel ook in Nederland in te voeren. Alle drie hadden ze deze wens in hun verkiezingsprogramma staan. Het CDA wilde een onderzoek en de VVD dacht al hardop na over een drempel van 2 procent (dat is in de praktijk zo’n drie zetels). CDA-woordvoerder Tijs van den Brink zei voor de televisie dat de ‘fragmentatie’ in de Kamer is toegenomen en hij vond dat een kiesdrempel daar de oplossing voor was. ‘We moeten wat.’ Als die kiesdrempel zou worden ingevoerd, zouden Volt (1,1 procent), 50PLUS (1,43 procent), de ChristenUnie (1,9 procent) en de SP (1,89 procent) bij de laatste verkiezingen geen zetels hebben bemachtigd en zouden de SGP (2,25 procent) en de Partij voor de Dieren (2,08 procent) op het randje hebben gebalanceerd.
Dat voorstel lijkt een onhandigheidje dat op een moment van onbedachtzaamheid in het coalitieakkoord is geslopen. Want als minderheidskabinet ben je aangewezen op de medewerking en de steun van de oppositie om bepaalde plannen er doorheen te krijgen, en dan kunnen juist kleine partijen als 50PLUS, SGP en CU een belangrijke, doorslaggevende rol spelen. Je dingt dus naar de hand van partijen die je tegelijkertijd bedreigt met een systeem waarin zij niet meer in de Kamer zullen terugkeren.
Mirjam Bikker van de ChristenUnie noemde het argument van de onbestuurbaarheid een ‘kulargument’’, dat aan de werkelijke oorzaak van de versplintering van de Kamer voorbij gaat: de vele afsplitsingen en weglopers. ‘Het is de arrogantie van de macht’, zei Bikker, en zij verwees naar de veel kleinere fracties die CDA en D66 recent nog vormden. D66 behaalde in 2006 drie zetels, en het CDA in 2023 vijf zetels. ‘Nu beide partijen teruggekeerd zijn in het centrum van de macht, is het je reinste vorm van machtspolitiek om kleine partijen door een kiesdrempel de nek om te draaien’.
Zij verwoordde daarmee gedachten die ook bij DENK, 50PLUS en de SGP leefden. Bovendien heeft een commissie onder leiding van Johan Remkes in 2018 al vastgesteld (in het rapport Lage drempels, hoge dijken) dat een kiesdrempel tot vijf procent ‘onvoldoende effectief is als het gaat om het verminderen van het aantal fracties’. Het zou pas zin hebben, zo’n kiesdrempel, wanneer die drempel op 10 procent van de stemmen zou liggen. En dat is weer onaanvaardbaar omdat de pluriformiteit in het parlement dan zou afnemen.
Dat is natuurlijk het kernargument. Nederland kent een representatieve democratie, waarbij het voor iedere levensovertuiging in de samenleving relatief gemakkelijk is om haar stem in de Kamer te laten horen: 0,67 procent van de stemmen (de kiesdeler) is genoeg voor één zetel. Die diversiteit, en de idee van de Kamer als een adequate afspiegeling en representatie van het geheel van de bevolking, is natuurlijk een groot goed. Maar het betekent niet het einde van de discussie.
Volksvertegenwoordiger met 115 stemmen
Want wat stelt die representatie nou helemaal voor wanneer je bedenkt dat teveel mensen het parlement binnen rollen zonder dat zij een adequaat democratisch mandaat hebben. Om zo maar een willekeurig voorbeeld te noemen: de vervanger van Thierry Baudet in de fractie van Forum voor Democratie, Tom Russcher, behaalde in oktober vorig jaar 115 stemmen. De zeven leden van de PVV die zich recent hebben afgescheiden, hebben samen 26.848 stemmen behaald (nog niet de helft van de kiesdeler).
Dat heeft natuurlijk alles te maken met het gegeven dat de meeste Kamerleden op de slippen van de lijsttrekker in de Kamer terechtkomen. De leider behaalt de stemmen, en die worden vervolgens doorberekend naar de personen die lager op de lijst staan. Niemand kent ze, maar ze vertegenwoordigen formeel toch de Nederlandse bevolking.
Dit stelsel is in 1918 ingevoerd en verving het districtenstelsel dat we tot dan toe hadden. Via een grondwetswijziging en een nieuwe kieswet kwam er algemeen kiesrecht, en tegelijkertijd werd het districtenstelsel vervangen door het systeem van evenredige vertegenwoordiging. Om de versplintering en het gebrek aan representatie te repareren, is het misschien wel een goed idee om die beslissing te heroverwegen. In een districtenstelsel geldt het principe dat degene die in een bepaald district de meeste stemmen behaalt, namens dat district in de Tweede Kamer komt, met een duidelijk democratisch mandaat dus, bevochten in een eigen campagne.
‘Mannen van bekwaamheid’
Het waren niet de minsten die zich destijds tegen de invoering van het nieuwe stelsel uitspraken. Onze grootste historicus ooit, Johan Huizinga (1872-1945), schreef in een meesterwerkje, Neerland’s geestesmerk (1934), dat de evenredige vertegenwoordiging de ‘dode mechanisering van het staatkundig leven’ betekende. ‘Wanneer men de massa uitnodigt, zich te groeperen naar ideeën en inzichten, dan is het resultaat, dat zij zich groepeert naar belangen, of belangetjes, of leusjes’. Hij voorzag dat de totstandkoming van de evenredige vertegenwoordiging tot een bevestiging en versterking van nationale partijorganisaties zou leiden. Politiek zou meer en meer partijpolitiek worden. Huizinga steunde een nieuw ‘Comité voor de Verkiezing van Onafhankelijke Kamerleden’, omdat Nederland behoefte had aan onafhankelijke Kamerleden, aan ‘mannen van bekwaamheid en hooggestemd karakter’.
Een districtenstelsel voorkomt niet alleen dat de Tweede Kamer versplinterd raakt maar ook dat onbekenden met behulp van de stemmen van de leider, en niet op eigen kracht, in de Tweede Kamer komen. Dat systeem is meer dan het (her)overwegen waard.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!























