Gaat het kabinet-Jetten eindelijk de jeugdhulp hervormen? De voortekenen zijn niet gunstig
Artikel beluisteren
De door gemeenten gefinancierde jeugdhulp is al minstens acht jaar een bron van soms verhitte discussies. Een paar jaar nadat in 2015 de jeugdhulp naar de gemeenten was gedecentraliseerd, bleken de kosten sterk te stijgen. Er begonnen alarmerende berichten te verschijnen over de tekorten waar gemeenten mee te maken zouden krijgen. Het was in ieder geval duidelijk dat er wat moest gebeuren. Het Rijk zelf gaf in 2023 een voorzet met de Hervormingsagenda Jeugd.
De Hervormingsagenda Jeugd is zo ongeveer de bijbel voor al diegenen die zich met de jeugdhulp bezighouden. Niet dat er zo veel oplossingen voor praktische problemen worden aangedragen. Misschien moeten we alleen al blij zijn dat een overheidsdocument de problemen erkent. Op de eerste pagina van de agenda wordt een aantal van die problemen opgesomd. Het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van jeugdzorg is sterk gestegen. De uitgaven zijn in vier jaar tijd met 50 procent toegenomen. De gemiddelde behandelduur is in twee jaar met 35 procent gestegen. Het aantal jeugdzorgaanbieders is van 2015 tot 2023 met 1.500 toegenomen. Desondanks groeien de wachtlijsten.
Wat werk wel en wat niet?
Maar dat is nog niet alles. Want terwijl het aantal behandelingen toeneemt, is er te weinig zekerheid over de effectiviteit van die behandelingen. Wat werkt nu wel en wat niet? Het is nauwelijks bekend. Toch meldt de Hervormingsagenda: ‘Jeugdhulp die aantoonbaar niet werkt, wordt niet meer ingezet en niet meer vergoed. Hulp moet van meerwaarde zijn voor de jeugdige. Dit betekent dat hulp aantoonbaar effectief is volgens de stand van wetenschap en praktijk. (-) Er wordt in 2023 een zogenaamde “niet doen”-lijst opgesteld door het veld.’
Het is nu drie jaar later, maar die ‘niet doen’-lijst bestaat nog steeds niet. Gemeenten die de jeugdhulp moeten uitvoeren – en bekostigen – weten dus niet welke hulp ze niet hoeven te vergoeden.
De Hervormingsagenda werd opgesteld tijdens het kabinet-Rutte IV. Na het ontslag van dat kabinet trad in juli 2024 het kabinet-Schoof aan. Het hoofdlijnenakkoord van de regeringsploeg maakte mij al behoorlijk sceptisch. ‘Wat het nieuwe kabinet dus wil met de jeugdhulp is de Hervormingsagenda Jeugd uitvoeren,’ schreef ik destijds. ‘Maar dat is – het woord zegt het al – een agenda. Die agenda bevat geen hervormingsvoorstellen die je kunt uitvoeren. De demissionaire regering sprak wel over “bewuste en scherpe” keuzes die gemaakt moeten worden, maar die keuzes liet de regering vooral aan anderen over. Aan het volgende kabinet, kennelijk.’
Precies een jaar later, in juni 2025, kwam het kabinet-Schoof ten val. Veel tijd om de jeugdhulp te hervormen was er dus niet. Er bleef een demissionair rompkabinet over, dat onder auspiciën van staatssecretaris Judith Tielen (VVD) in januari een zogenoemde voortgangsbrief naar de Tweede Kamer stuurde:
‘Het terugdringen van het aantal jeugdigen dat jeugdhulp gebruikt vraagt om inzet van alle betrokkenen en stevige sturing op inhoud en financiën op basis van kwalitatief goede data. We werken daarom aan een samenhangend pakket aan maatregelen om het aantal individuele maatwerktrajecten fors terug te dringen, evenals de intensiteit, duur en kosten daarvan. Het betreft maatregelen die reeds in de Hervormingsagenda Jeugd zijn aangekondigd, zoals (-) het bouwen aan stevige lokale teams die zelf effectief hulp bieden.’
Het enige echte programmapunt dat de voortgangsbrief overneemt van de Hervormingsagenda is de verplichting voor gemeenten om Stevige Lokale Teams (SLT’s) te gaan ontwikkelen. Die SLT’s beoordelen of een jeugdige recht heeft op niet-vrij beschikbare specialistische hulp. Ze moeten zo ongeveer van alle markten thuis zijn. De professionals in een SLT zijn goed opgeleid en beschikken over alle relevante ontwikkelingspsychologische en orthopedagogische kennis. Ze zijn in staat te beoordelen wanneer dure specialistische hulp echt nodig is en zullen alleen hulp inzetten als die aantoonbaar werkt. Die hulp verlenen ze eventueel zelf en daarmee kunnen ze dan ook direct de sociale basis van gezinnen versterken. Gezinnen zijn daardoor beter in staat opvoedproblemen zelf op te lossen. Oftewel: het aantal jeugdigen dat dure specialistische hulp nodig heeft, zal dankzij de SLT’s dalen.
Gekwalificeerd personeel
Ik heb me eerder afgevraagd hoe de opsteller van de Hervormingsagenda – voormalig staatssecretaris Maarten van Ooijen (ChristenUnie) – kon denken dat gemeenten van pakweg 15.000 inwoners in staat zouden zijn een hoogwaardig SLT te installeren. Als die gemeenten het al niet aan geld ontbreekt om zo’n team te financieren, dan zullen ze problemen hebben om aan gekwalificeerd personeel te komen. Vooral ook omdat veel gemeenten uit dezelfde pool van professionals moeten vissen.
Staatssecretaris Tielen heeft er echter nog altijd alle vertrouwen in dat die SLT’s tot stand komen. Desnoods zet ze die teams zelf op poten. Ze schrijft: ‘Met het wetsvoorstel reikwijdte kunnen de lokale teams wettelijk verankerd worden. Parallel worden steeds stappen gezet om het werken met stevige lokale teams in de praktijk door te ontwikkelen. (-) We creëren stevige lokale teams die zelf ondersteuning en (collectieve) hulp bieden.’
Ouders verantwoordelijk
Binnenkort wordt het rompkabinet-Schoof opgevolgd door het minderheidskabinet-Jetten. Gaat de jeugdhulp dan met concrete maatregelen worden hervormd? Het coalitieakkoord meldt:
‘Ouders of opvoeders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen en doen dit binnen de pedagogische civil society. Nu is het zo dat 1 op de 7 kinderen jeugdzorg krijgt. Het stelsel is sterk geïnstitutionaliseerd en leunt te veel op het leveren van – voor aanbieders financieel aantrekkelijke – lichte zorg, waardoor zorg voor kinderen met complexe zorgvragen niet altijd tijdig beschikbaar is. (-) Er wordt veel jeugdzorg geboden bij problemen die eigenlijk geen zorgproblemen zijn. Denk aan kinderen die het thuis lastig hebben vanwege problemen van hun ouders: een scheiding of schulden. Deze problemen leggen we waar ze thuishoren, bijvoorbeeld in het sociaal domein.’
Hoe dan, vraag ik me dan direct af, en wie gaat dat ‘verleggen’ doen? Ik heb geen idee. Volgende maatregel dan maar:
‘We passen de reikwijdte van de aanspraken in de jeugdzorg aan. We maken een scherp onderscheid tussen preventie, lichte (opvoed)ondersteuning en specialistische zorg. Lichte (opvoed)ondersteuning wordt niet meer gefinancierd of collectief georganiseerd. Passende zorg is de norm en waar mogelijk vergoeden we alleen bewezen effectieve jeugdzorg.’
Alweer helemaal mee eens, maar die reikwijdte – waar Tielen ook al wat aan wilde doen – is al jaren een heet hangijzer. Het is, schreef ik in januari 2025, vrijwel zeker niet objectief vast te stellen wanneer de gemeente jeugdhulp moet leveren en wanneer het gezin zelf verantwoordelijk is voor de hulp aan het kind. Er zijn te veel meetproblemen. Hoe moet de toegang van de gemeente die uiteindelijk de beslissing moet nemen daar dan uitkomen? Omdat iedere beslissing kan worden aangevochten, tot aan de rechter toe, ligt het voor de hand dat de toegang hulpvragers vaak het voordeel van de twijfel gunnen. Hebben we hier een andere oorzaak voor de sterke stijging van de kosten van de jeugdhulp?
Geen oplossingen in zicht
Mijn conclusie: het coalitieakkoord verplicht het kabinet-Jetten tot vrijwel niets wat de jeugdhulp betreft. Er is geen enkel zicht op concrete oplossingen voor de al jaren doorzeurende problemen (kostenoverschrijdingen, te veel lichte zorg, wachtlijsten voor de kinderen met zware problemen, geen afbakening voor de jeugdhulpplicht, enzovoorts).
Maar: wat niet is, kan nog komen. Dus we blijven wachten, maar wel met een groot vraagteken.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!





















