Kiesdrempels helpen voor geen meter. Onze lokale politici zijn het bewijs

ww
Voor een raadszetel is, afhankelijk van het aantal inwoners, grofweg 2 tot 11% van de stemmen nodig. Beeld: Suikerbiet.nl

Artikel beluisteren

Steeds vaker klinkt de laatste tijd de roep om een kiesdrempel. Ook het aanstaande kabinet-Jetten lijkt er niet afkerig van te zijn: in het vorige week gepresenteerde coalitieakkoord van D66, VVD en CDA wordt een onderzoek naar de invoering van een kiesdrempel aangekondigd.

Hoewel dergelijke plannen niet nieuw zijn – al in 1934 diende minister van Binnenlandse Zaken J.A. de Wilde tevergeefs een wetsvoorstel in dat voorzag in een kiesdrempel van 3 procent – lijken er meer dan ooit goede redenen voor te bestaan. Veel burgers hebben het gevoel dat ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging is vastgelopen en heeft geleid tot een verbrokkelde volksvertegenwoordiging. Daardoor lijkt efficiënt bestuur steeds moeilijker te worden.

Dat er iets aan de hand is, staat buiten kijf. Politieke partijen die bij Tweede Kamerverkiezingen meer dan 30 procent van de stemmen in de wacht slepen, hebben we al sinds 1989 niet meer meegemaakt. Sinds 2012 is ook de grens van 25 procent niet meer gepasseerd en op 29 oktober werd D66 de kleinste grootste partij ooit: met welgeteld 16,9 procent van de stemmen. Ter vergelijking: met de 26 zetels die ‘winnaar’ Rob Jetten veroverde, was hij veertig jaar geleden, bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1986, slechts vierde geworden: na het CDA van Ruud Lubbers (54 zetels), de PvdA van de Joop den Uyl (52) en de VVD van Ed Nijpels (27).

De kiesdeler als kiesdrempel

Bij een kiesdrempel van 3 procent – à la De Wilde – zouden BBB, DENK, SGP, Partij voor de Dieren, ChristenUnie, SP, 50PLUS en Volt op 29 oktober geen Tweede Kamerzetels hebben gehaald. Zou dat erg zijn geweest? In elk geval wel voor de ruim 1,6 miljoen burgers die op deze partijen stemden. Hoewel de leden van de Staten-Generaal conform artikel 50 van onze Grondwet hoe dan ook ‘het gehele Nederlandse volk’ vertegenwoordigen, zouden deze kiezers zich bekocht kunnen voelen.

Of is dat te simpel geredeneerd? Laten we niet vergeten dat nu bij Tweede Kamerverkiezingen de kiesdeler de facto fungeert als kiesdrempel. Het totaal aantal geldige stemmen wordt immers gedeeld door het aantal te verdelen zetels. Partijen met minder dan 0,67 procent van de stemmen vallen daardoor buiten de boot. Dat waren er op 29 oktober twaalf, met NSC (0,37 procent) als bekendste.

Alle stemgerechtigde burgers hebben bij Tweede Kamerverkiezingen te maken met dezelfde kiesdrempel, of die nu gelijk is aan de kiesdeler, zoals nu, of hoger, zoals steeds vaker wordt voorgesteld. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar bij gemeenteraadsverkiezingen – op woensdag 18 maart is het weer zover – is dat heel anders.

De omvang van een gemeenteraad hangt immers samen met het aantal inwoners van de gemeente. De grootste gemeenteraden van Nederland hebben 45 leden, dat zijn gemeenten met meer dan 200.000 inwoners. De kleinste gemeenteraden hebben 9 leden, dat zijn gemeenten met minder dan 3000 inwoners.

Hoewel de Tweede Kamer in 1956 werd uitgebreid van 100 naar 150 leden en de Eerste Kamer van 50 naar 75, is de Gemeentewet die het aantal raadszetels voorschrijft al heel lang nauwelijks veranderd. In de negentiende eeuw, becijferde politicoloog Simon Otjes twee jaar geleden in het AD, kreeg bijvoorbeeld Amsterdam, met nog geen kwart miljoen inwoners, ook al 45 raadsleden – en dat is nog steeds het maximum. Maar in de hoofdstad wonen inmiddels meer dan 900.000 mensen.

Bewijs niet geleverd

In de praktijk komt het er op neer dat voor een raadszetel, al naar gelang het aantal inwoners, grofweg 2 tot 11 procent van de stemmen nodig is. Dat is aanzienlijk meer dan de 0,67 procent die geldt bij Tweede Kamerverkiezingen. Als het klopt dat een hogere kiesdrempel zorgt voor efficiënter bestuur, zou dat dus op gemeentelijk niveau merkbaar moeten zijn.

Maar wat is de werkelijkheid? Van de circa 1400 wethouders die Nederland telt, pakken er jaarlijks vele tientallen hun biezen, in de meeste gevallen na een politieke vertrouwensbreuk. Volgens het jaarlijkse wethoudersonderzoek door kennisplatform De Collegetafel waren het er de afgelopen drie jaar maar liefst 183 (2023), 225 (2024) en 203 (2025). ‘Zeer zorgwekkend,’ zei toenmalig directeur Jeroen van Gool van de Wethoudersvereniging vorig jaar tegen de NOS.

Zorgt een kiesdrempel van tussen de 2 en 11 procent voor slagvaardiger bestuur? Op lokaal niveau is dat bewijs nog niet geleverd. Waarom zou het in de landspolitiek ineens wél werken?

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!