Taalmanipulatie en nieuwspraak bloeien als zelden tevoren

In politiek, media en het publieke debat is taalmanipulatie in opkomst. Woorden dekken de lading niet meer, veranderen in hun tegendeel of krijgen een negatieve politieke connotatie. Wie profiteert van deze nieuwspraak?

Woorden dienen steeds vaker om acties, intenties en situaties aan te duiden die juist niet bestaan. Spreken organisaties en hun besturen van transparantie? Dan is dat doorgaans een aanwijzing dat openheid van zaken niet gaat plaatsvinden. Organiseren publieke organisaties inspraakprocedures of bijeenkomsten voor de achterban? Dan is de kans groot dat de beslissingen al genomen zijn. Belegt een organisatie onder druk een voorlichtingsavond voor journalisten en belanghebbenden? Dan is het doel van de voorlichters die daar komen optreden vrijwel zeker het toedekken van ongemakkelijke feiten.

Politici lanceren actieplannen die geen activiteiten teweegbrengen. Schermen met akkoorden die niet met de burger maar met (en tussen) belangengroepen onderling zijn afgesloten. Beginnen inspraakprocedures waarbij inspraak bestaat om die ter zijde te schuiven. En beroepen zich op actiegroepen die bij nadere bestudering geen achterban in de samenleving hebben, maar wel vele lijntjes naar en het oor van politieke partijen. Sluipenderwijs verandert zo de betekenis van woorden totdat ze bijna het omgekeerde gaan betekenen.

Politieke taal

De politieke geschiedenis zit vol van benamingen van politieke bewegingen, organisaties en ideeën die exact het tegenovergestelde inhielden van wat hun naam aanduidde. Zo was de Duitse Democratische Republiek een ondemocratische éénpartijstaat. En was de door dat land gebouwde Antifaschistischer Schutzwall (‘beschermingsmuur tegen fascisme’) bedoeld om de eigen bevolking op te sluiten binnen de landsgrenzen.

Taal hangt nauw samen met macht. George Orwell beschreef in ‘1984’ dat Nieuwspraak (‘newspeak’) er voor moet zorgen dat mensen verkeerde gedachten niet meer kunnen uitdrukken in woorden en uiteindelijk zelfs niet meer kunnen denken. Bestaande woorden krijgen een andere betekenis. Of er komen nieuwe woorden voor in de plaats, om nieuw (en gewenst) gedachtegoed te definiëren. En om al bestaand (en ongewenst) gedachtegoed verdacht te maken.

Tegengestelde intenties

Woorden als ‘diversiteit’, ‘tolerantie’ en ‘inclusief’ zijn gemeengoed in het politieke debat. Vaak dekt de vlag niet de lading. Zodra het woord ‘diversiteit’ opduikt is alertheid geboden. Meestal komt het neer op mensen in categorieën stoppen op basis van uiterlijke (of geslachtelijke) kenmerken en daar een teller op loslaten. Diversiteit betekent zelden diversiteit van opvattingen, inzichten en standpunten. Integendeel, vaak gaat diversiteitstaal in politiek gekleurde organisaties gepaard met het expliciet selecteren op een zeer beperkt aantal gewenste opvattingen en meningen.

Tolerantie betekent van oorsprong het toelaten van verschillende opvattingen, levenswijzen en gedragingen zolang het allemaal maar niet botst met het strafrecht of de mensenrechten. In het politieke discours is tolerantie verworden tot een oproep tot kritiekloos accepteren van de opvattingen van de politieke groeperingen of belangenclubs die zichzelf tolerant noemen, zoals BIJ1 van Sylvana Simons. Deze groeperingen leggen doorgaans zelf geen enkele tolerantie aan de dag voor de standpunten van anderen en accepteren al helemaal geen afwijkende meningen in eigen kring.

Als iets of iemand organisaties oproept inclusief te zijn betekent dat in de praktijk vaak dat de gebruiker van het woord vooral eigen opvattingen wil terugzien in de koers van een partij of organisatie. En expliciet alles en iedereen wil uitsluiten die andere meningen en opvattingen heeft.

Wit

Woorden die huidskleur en etniciteit aanduiden veranderen voor onze ogen van betekenis onder druk van luidruchtige antiracisten. Omdat een beperkt aantal mensen ‘blank’ als aanduiding voor iemands huidskleur onacceptabel vindt – vanwege vermeende connotaties met superioriteitsdenken – is het gebruik van de term ‘wit’ toegenomen. Wit heeft binnen de kortste keren allerlei ladingen en betekenissen gekregen die niets te maken hebben met het aanduiden van huidskleur, maar alles met negatief oordelen over cultuur, gedrag en denkbeelden. Zo zijn er opeens witte denkbeelden, witte wetenschap en witte gedragingen die problematisch zouden zijn. De klacht dat organisaties of politieke partijen ‘te wit’ zijn duidt vaak aan dat de afzender vindt dat die organisatie er niet de ‘juiste’ denkbeelden op na houdt.

De onlogica regeert. Zo benoemt men ‘mensen van kleur’ als een aparte categorie tegenover ‘witte mensen’, die blijkbaar geen kleur hebben of fundamenteel anders zijn dan de ‘mensen van kleur’. De titel van de documentaire ‘Wit is ook een kleur’ van Sunny Bergman zou dan toch op basis van deze logica moeten verdwijnen, of liefst nog de hele documentaire? Antiracisten zijn inmiddels vaak herkenbaar aan hun totale obsessie met uiterlijke en ‘raciale’ kenmerken.

Genders

De afgelopen jaren is nieuwe en sterk gepolitiseerde taal rond geslacht en seksuele voorkeuren ontstaan. Het aantal aanduidingen voor verschillende genders stijgt gestaag. LGBTQIAP is inmiddels nog een vrij compacte afkorting. Ook hier komen allerlei betekenissen bijeen: lichamelijke kenmerken, seksuele voorkeuren en zelfidentificatie.

Tegelijk is de vrijheid van denken over het onderwerp radicaal afgenomen. Wie de terminologie van de nieuwe gedachtewereld niet wil gebruiken of accepteren is een vertegenwoordiger van de ‘oude’, prerevolutionaire, denkwereld. Het niet, of niet correct, gebruiken van de terminologie (‘misgenderen’) heeft niet zelden aantijgingen, verdachtmakingen en boycot-campagnes tot gevolg. Schrijfster JK Rowling werd ongevoeligheid voor de kwetsbaarheid van transgenders verweten omdat ze vrouwen aanduidde als ‘people who menstruate’. Niet-ingewijden begrijpen amper welk taalmisdrijf JK Rowling nu precies beging, maar het punt was duidelijk: de schrijfster had verkeerde gedachten in haar spraak laten terugkomen en beging daarmee een gedachtenmisdrijf (‘thought crime’).

Hate speech

Ook de betekenis van het woord ‘haat’ is aan het veranderen. Steeds vaker is ‘haat’ een aanduiding voor andere meningen, tegenspraak of discussie. Tegenargumenten zijn ‘haat’, mensen die het niet met de ander eens zijn ‘haters’. Overheden buigen zich over de juridische bestrijding van haatspraak (‘hate speech’).

Bij onderwerpen van debat als immigratie, integratie en de islam zijn er altijd wel mensen beledigd of op hun staart getrapt en wat is dan makkelijker dan de tegenstander ‘hate speech’ te verwijten? Zeker als dat voor die tegenstander juridische consequenties kan hebben. Ook politici en overheden zelf komen zo natuurlijk gemakkelijk in de verleiding om kritiek op hun beleid als ‘haat’ aan te duiden.

Ook een begrip als ‘vrijheid van meningsuiting’ krijgt vaker een negatieve lading omdat het gebruik ervan – bijvoorbeeld door het Franse weekblad Charlie Hebdo dat op 1 september de cartoons van Mohammed, die het in 2015 had gepubliceerd, opnieuw op de voorpagina zette – een ‘recht op beledigen’ zou opeisen. En daarmee zelfs de opmaat zou zijn naar ‘hate speech’. Vrijheid van meningsuiting is daarmee al bijna toegevoegd aan het woordenboek van de Oudspraak (‘oldspeak’), de taal die wij behoren te vergeten.  

Bedoeling nieuwspraak

Ook in Nederland zijn de benamingen van politieke partijen doorspekt met verwijzingen naar democratie en vrijheid. Van de grotere partijen dragen VVD, PVV, CDA, D66 en FvD ‘vrijheid’ of ‘democratie’ (of beide) in hun naam. Deze verwijzingen zijn vaak in directe tegenspraak met hoe het er bij politieke partijen intern aan toe gaat.

Op de website van D66 staat bij de standpunten, onder de kop ‘overheid en democratie’, de volgende stelling: ‘Als het om onze democratie gaat, mogen we nooit achterover leunen. Wij willen jou meer inspraak en invloed geven.’ Op 1 september debatteerde de Tweede Kamer over het initiatief-wetsvoorstel van SP-Kamerlid Ronald van Raak over de invoering van een correctief referendum. D66 doet als regeringspartij juist zijn best de invoering van zo’n correctief referendum tegen te houden. D66-kamerlid Joost Sneller hing in het Kamerdebat wederom tegen door internationale verdragen niet-referendabel te willen verklaren.

D66 hield momenteel een interne verkiezingscampagne waarvan de uitslag vooraf vaststaat. De overal al als lijsttrekker voor de verkiezingen van maart 2021 aangekondigde Sigrid Kaag klom op podia samen met de voorheen onbekende Ton Visser. D66 gebruikte voor deze tournee consequent het woord ‘verkiezingen’. D66 heeft in het partijprogramma een nieuwe slogan geadopteerd: ‘Wij zijn vrij maar laten niemand vallen’. Wie weet wat het betekent mag het zeggen.

Doublethink

CDA-minister van Justitie Ferd Grapperhaus werd tijdens zijn bruiloft diverse malen gefotografeerd terwijl hij geen 1,5 meter afstand hield. Weinigen zullen hem dat persoonlijk kwalijk nemen. Maar 1,5 meter afstand houden is wel een regel die het kabinet voorschrijft aan burgers en voor overtredingen van die regel laat Grapperhaus boetes uitdelen. NOS Teletekst meldde op 28 augustus toen de foto’s in de openbaarheid kwamen: ‘Rutte: Grapperhaus nog geloofwaardig’. Online verscheen een nieuwsbericht met een kop waarin vicepremier Hugo de Jonge zei: ‘Ferd Grapperhaus is zeer geloofwaardig’.

Als lezer ga je vervolgens op zoek naar aanwijzingen voor humor en satire, want het brein verwacht gezien de situatie dat de letters ‘ON’ voor het woord ‘geloofwaardig’ staan. Maar de bron blijkt NOS Teletekst en Tpook.nl te zijn en niet het satirisch magazine De Speld. Rutte en De Jonge gebruikten daadwerkelijk het woord ‘geloofwaardig’ om een situatie waarin Grapperhaus ongeloofwaardig is aan te duiden.

Stel dat deze beide politici dit elke week zouden doen. Op enig moment is het dan niet meer mogelijk het woord ongeloofwaardig te gebruiken in relatie tot Ferd Grapperhaus, omdat dat een situatie aanduidt die volgens de politici niet kan en mag bestaan. Uiteindelijk gaat het publiek dan vanzelf internaliseren dat het woord geloofwaardig vanaf nu ook bedoeld is om situaties van ongeloofwaardigheid aan te duiden. Het woord ongeloofwaardig verliest daarmee zijn functie en bestaansrecht in relatie tot politici en komt daarmee in de categorie Oudspraak te vallen.

Om dit soort misleiding consequent vol te houden moet een politicus in staat zijn twee zaken te geloven die met elkaar in strijd zijn: weten dat het noodzakelijk is om toe te dekken dat de positie van Grapperhaus ongeloofwaardig is én tegelijkertijd geloven dat Grapperhaus geloofwaardig is. Doublethink, noemt Orwell dat.