Uw vermogen is een makkelijke melkkoe – en de overheid is verslaafd aan de miljardenopbrengst
Artikel beluisteren
Het was te mooi om waar te zijn. Maar lang duurde het niet. Toen werd de fiscale fictie ingehaald door de werkelijkheid. De rechter maakte er een eind aan. Of toch niet…?
De overheid belast particuliere vermogens, zoals spaargeld, beleggingen en vastgoed. Maar hoe moet de overheid de belasting heffen? Dat is de vraag ter waarde van 2,4 miljard euro die op tafel ligt.
Niet tevreden
Deze week gaat de Tweede Kamer waarschijnlijk akkoord met een wetswijziging voor de belasting op vermogens (box 3). Maar de meerderheid én de verantwoordelijke staatssecretaris, Eugène Heijnen (BBB, Fiscale Zaken), lijken niet tevreden. Het is een lapmiddel. De wetswijzing moet per 2028 ingaan. Elk jaar uitstel kost namelijk 2,4 miljard euro.
Ondertussen ploeteren een miljoen of meer belastingplichtigen én de ambtenaren van de Belastingdienst met een ondeugdelijk fiscaal stelsel. Met alle kosten en frustraties van dien.
Hoe is Nederland in deze fiscale zomp terecht gekomen?
Het was in 1997, in het eerste kabinet-Kok (PvdA, VVD en D66) dat de fiscale tovenaar Willem Vermeend (PvdA), tevens staatssecretaris belastingzaken, en minister van Financiën Gerrit Zalm (VVD), een boud plan lanceerden. Een belastingherziening.
De tijdgeest was hun bondgenoot. Lage inflatie, stijgende inkomens, beurskoersen en huizenprijzen. Met Zalm en Vermeend aan de knoppen kwam een nieuwe belastingstelsel tot stand, met box 1, 2 en 3. Zo ongeveer iedereen ging erop vooruit.
Wereldprimeur
Zalm en Vermeend bedachten een unieke fiscale regeling voor de belasting op vermogen. Weg met vermogensbelasting. Vanaf de invoering in 2001 stond de belasting op het rendement op dat vermogen centraal in box 3. Of dat nu rente op spaargeld was, dividend of koerswinst op aandelen; de vrijstellingen laat ik verder terzijde, op één na: de eigen woning bleef buiten deze belasting.
Als belastbaar rendement kozen ze voor een fictief percentage: 4 procent. Dat was minder dan de spaarrente en de koersstijgingen. Eigenlijk werd je nog gematst. Over het rendement betaalde je 30 procent belasting.
Ze hadden een wereldprimeur. Een fictief, verzonnen rendement belasten, dat deed niemand. Het paste in de traditie dat Nederland graag gidsland speelt.
Maar het gidsland had met één ding geen rekening gehouden: de werkelijkheid. Na de bankencrisis van 2008/2009 forceerde de Europese Centrale Bank de rente omlaag tot een negatieve stand. De 4 procent fictief rendement was écht fictie geworden. Het sprookje was uit. Spaarders werden bozer en bozer.
Den Haag deed niks.
Na de bankencrisis volgde een economische recessie. De overheid bezuinigde. Politici konden de opbrengsten van de fictieve rendementsheffing niet missen. Ze zochten hun heil in afweermechanismen en ontkenningen, een reflex die doet denken aan de politieke reacties op de bevingsschade in Groningen en het toeslagendebacle.
Drijfzand
De Hoge Raad maakte op 24 december 2021 een einde aan de fictie van 4 procent rendement op spaargeld. De fiscus moest het werkelijke spaarrente belasten. Andere arresten volgden en het bouwwerk uit 2001 bleek te berusten op drijfzand. Burgers hadden jarenlang te veel belasting betaald. Maar het was te duur om iederéén te compenseren. Dus alleen de bezwaarmakers van het eerste uur kregen volledige compensatie, anderen alleen over de laatste jaren.
Sinds dat arrest wordt over een nieuw fiscaal stelsel gesoebat. Pesterige sentimenten slopen in het debat. De overheid moet natuurlijk de rechtsregels handhaven, maar de gedupeerde belastingplichtigen zijn niet armlastig, ze eten er geen boterham minder om. De overheid gaat ondertussen rustig door met ficties. Het fictieve rendement op beleggingen zou dit jaar naar 7,78 procent verhoogd worden. Daar stak de Tweede Kamer een stokje voor. Het is nu 6 procent. De belasting daarover is 37 procent.
Welke winst?
De politieke vraag is nu: moet de fiscus vanaf 2028 de vermogenswinst belasten of de vermogensaanwas? Voor de belasting op vermogenswinst moet je wachten tot de belegging is verkocht, dan is immers de winst gerealiseerd. De vermogensaanwas kun je jaarlijks belasten aan de hand van de gestegen of gedaalde waarde.
Simpel, zou je zeggen. Vermogenswinst belasten ligt voor de hand. De belastingplichtige en de Belastingdienst kennen de opbrengst. Het voelt ook het meest rechtvaardig. Winst is pas winst als het bedrag op je bankrekening staat.
Het aanstaande kabinet-Jetten belooft de fiscale wetgeving ‘door te ontwikkelen’, wat dat ook moge betekenen, naar zo’n vermogenswinstbelasting. Maar hoe en hoe snel? Hun coalitieakkoord straalt hierover geen urgentie uit.
Makkelijke melkkoe
De vermogenswinstbelasting wordt vanaf 2028 alleen ingevoerd voor vastgoed en durfinvesteringen. Niet voor aandelen en obligaties. Daar gaat de fiscus rekenen met de vermogensaanwas. Ook de aanwas is weer fictie. Want je betaalt belasting over een vermogensstijging die alleen op papier bestaat en niet op je rekening staat. Het ministerie van Financiën loopt opnieuw het risico op een juridische zeperd. Nederland kiest opnieuw internationaal een uitzonderingspositie, concludeert de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs.
Waarom willen kabinet en Kamer dit toch? De overheid loopt anders miljarden mis. Bij het belasten van vermogenswinst is het wachten op de eerste beleggers die winst realiseren. De meeste beleggen op langere termijn, dus dan kan het nog jaren duren voordat de opbrengst voor de fiscus weer op peil is.
Daarom de vermogensaanwasbelasting. Niet omdat het rechtvaardig is, maar omdat particuliere vermogens een onmisbare, makkelijk melkkoe zijn.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!



















