NGO’s die verkiezingsuitslagen laten herroepen in de rechtszaal, wat heeft dat met parlementaire democratie te maken?

WW Jonkhoff 17 januari 2026
Beleid wordt steeds vaker niet vastgesteld door het parlement, maar afgedwongen via rechterlijke uitspraken op vordering van belangenorganisaties die zeggen het ‘algemeen belang’ te vertegenwoordigen. Beeld: Tweede Kamer

Door Henk C. Jonkhoff*

Als verkiezingsuitslagen ertoe doen, moet dat consequenties hebben. In Nederland lijkt die vanzelfsprekende regel steeds minder vanzelfsprekend. Verkiezingen veranderen het politieke landschap, maar het beleid blijft op cruciale dossiers opvallend constant. Niet omdat kiezers zich vergissen, maar omdat beslissende macht zich steeds vaker buiten het parlement heeft genesteld.

De electorale hegemonie van links is de afgelopen jaren zichtbaar afgekalfd. Rechts beschikt inmiddels over een meerderheid in de Tweede Kamer, zij het gefragmenteerd. Toch wordt alles wat ook maar enigszins kan worden gezien als oppositie tegen het gevestigde ngo-complex en aanverwante structuren systematisch buiten de macht gehouden. Het minderheidskabinet-in-wording – door sommigen al omschreven als ‘drie keer D66’ – past in dat beeld. Het kan zelfs worden opgevat als een poging om, nu de electorale steun is weggevallen, te redden wat er te redden valt. Waar politieke meerderheden ontbreken, wordt een nieuw bolwerk opgetrokken rond instituties waarin de oude machtsverhoudingen nog intact zijn. Dat is geen incident, maar een patroon.

De politieke machtsverhoudingen zijn veranderd, de institutionele machtsverhoudingen nauwelijks. In delen van de rechterlijke macht, in het uitgebreide netwerk van belangenorganisaties, in gesubsidieerde maatschappelijke instellingen en in grote delen van de opiniërende media bestaat een opmerkelijke continuïteit. Daar waar verkiezingen hun corrigerende werking verliezen, nemen instituties het over. Minderheden behouden zo invloed via structuren die zich grotendeels aan directe democratische correctie onttrekken.

Geen duidelijke grenzen

Een van de belangrijkste schakels in dit systeem is de rechtszaal. In Nederland wordt beleid steeds vaker niet vastgesteld door het parlement, maar afgedwongen via rechterlijke uitspraken op vordering van belangenorganisaties die zeggen het ‘algemeen belang’ te vertegenwoordigen. Deadlines, reductiepercentages en beleidsprioriteiten worden opgelegd zonder dat daar een expliciete politieke afweging aan voorafgaat.

Het is verleidelijk om deze ontwikkeling toe te schrijven aan ‘activistische rechters’. Die verklaring is te eenvoudig en uiteindelijk misleidend. De kern van het probleem ligt niet bij de rechter, maar bij de wetgever. Het parlement heeft nagelaten duidelijke grenzen te stellen aan ontvankelijkheid, representativiteit en rechterlijke beleidsafdwinging.

Binnen dit open juridische systeem spelen ngo’s een sleutelrol. Zij fungeren als instrument waarmee beleidsdoelen kunnen worden afgedwongen die politiek geen meerderheid (meer) hebben. Dat is geen samenzwering, maar een rationele machtsstrategie binnen de mogelijkheden die het systeem biedt.

Een complicerende factor is de financiering. Veel van deze organisaties worden grotendeels betaald met publiek en semipubliek geld: nationale subsidies, Europese fondsen en bijdragen uit goededoelenloterijen. Dezelfde burger die via verkiezingen een andere koers kiest, financiert zo indirect organisaties die via juridische weg die koers corrigeren.

De rol van ngo’s reikt bovendien verder dan de nationale rechtszaal. Ook binnen het Europees Parlement is hun invloed de afgelopen jaren sterk toegenomen. Grote milieu- en klimaatorganisaties functioneren daar steeds nadrukkelijker als lobbyclubs die wetgeving rond onder meer de Green Deal actief ondersteunen. Voor de promotie en implementatie van deze agenda ontvingen zij via Europese fondsen en programma’s miljarden euro’s aan subsidies.

Een illustratief voorbeeld daarvan is het door de EU gefinancierde project The Eastern Frontier Initiative 2: New Horizons (TEFI 2). Dit lopende project (2026–2027) ontvangt circa 1,27 miljoen euro aan EU-bijdragen en heeft als doel het versterken van ‘democratische weerbaarheid’, het monitoren van desinformatie en het informeren van beleidsmakers. Formeel betreft het journalistieke samenwerking; materieel ontstaat een door Brussel gesubsidieerd netwerk dat beleidsdoelen ondersteunt, duiding geeft en mede richting geeft aan het publieke debat over wat als desinformatie wordt aangemerkt. De vraag is niet of hier journalistiek wordt bedreven, maar wie uiteindelijk bepaalt wat als waarheid mag circuleren — een vraag die George Orwell al stelde, lang voordat ‘desinformatie’ een beleidsdoel werd.

Nederland als internationale uitzondering

Dat Nederland hierin zo ver gaat, is geen internationale noodzaak. Het is een bewuste – of nalatige keuze van de wetgever.

In Duitsland is de toegang tot de rechter voor belangenorganisaties strikt beperkt tot concrete besluiten die hen rechtstreeks raken. Algemene beleidskeuzes zijn daar niet justitiabel. Rechters bewaken nadrukkelijk hun terughoudendheid en laten inhoudelijke beleidsafwegingen bij regering en parlement.

In het Verenigd Koninkrijk is judicial review principieel procedureel van aard. De rechter toetst of besluitvorming zorgvuldig en rechtmatig is verlopen, maar onthoudt zich van inhoudelijke beleidssturing. Het opleggen van doelen, termijnen of kwantitatieve verplichtingen wordt gezien als een aantasting van de parlementaire soevereiniteit.

In de Verenigde Staten zijn de drempels nog hoger. Zonder aantoonbare en concrete schade ontbreekt procesbevoegdheid. Daarnaast voorkomt de political question doctrine dat rechters zich mengen in kwesties die primair politiek van aard zijn. Pogingen om algemeen beleid via de rechter af te dwingen stranden daar meestal al in een vroeg stadium.

Ook in Frankrijk en Denemarken geldt een strikte scheiding tussen rechterlijke toetsing en beleidsvorming. Rechters corrigeren individuele besluiten, maar treden niet in de plaats van de wetgever. De politieke verantwoordelijkheid blijft ondubbelzinnig bij gekozen organen.

Alleen Nederland combineert lage procesdrempels met vergaande rechterlijke beleidsbevelen. Dat is geen teken van vooruitstrevendheid, maar van het ontbreken van wettelijke afbakening.

Bestuurlijke en economische impasse

De stikstofcrisis laat zien wat de gevolgen zijn van deze juridisering van beleid. Wat begon als een juridisch vraagstuk is uitgegroeid tot een bestuurlijke en economische impasse. De maatschappelijke kosten worden inmiddels geraamd op veertien tot vijftien miljard euro per jaar.

De kernvraag is uiteindelijk eenvoudig: doen verkiezingsuitslagen ertoe, of niet? Als verkiezingsuitslagen ertoe doen, kan niet worden aanvaard dat beleid structureel via ngo’s en rechterlijke uitspraken tot stand komt. In dat geval rust op het parlement de plicht om grenzen te stellen.

Als verkiezingen ertoe doen, mogen zij niet eindigen bij de stembus en worden herroepen in de rechtszaal.

*Henk C. Jonkhoff is onafhankelijk auteur en ondernemer. Hij houdt zich bezig met de invloed van instituties en belangenorganisaties op beleid en democratie.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!