Met hun steeds hogere lokale lasten nivelleren de gemeenten er lustig op los – en het geld wordt vaak ook nog eens verspild

ww 10-2
Bij de lokale lasten hoort ook de afvalstoffenheffing: een belasting voor het inzamelen en verwerken van huishoudelijk afval. Beeld: YouTube.

Artikel beluisteren

Afgelopen week kwam het bericht naar buiten dat de gemeentelijke lasten dit jaar met 6,5 procent stijgen. Dat is bijna het driedubbele van de algemene inflatie die dit jaar wordt verwacht en volgt op een stijging van 8 procent vorig jaar. Het gaat hierbij om zaken als de onroerendezaakbelasting (OZB), afvalstoffenheffing, rioolheffing en parkeergelden, maar ook de toeristenbelasting en leges vallen eronder.

Er is sprake van een al jaren durende trend van ruim bovengemiddelde lastenverzwaringen: gemeenten halen nu met 15,3 miljard euro zo’n 68 procent meer op dan de 9,1 miljard euro in 2016. Gemeenten zijn behoorlijk ‘creatief’ in het opleggen van specifieke lastenverzwaringen. De toenames per categorie variëren enorm in de tijd en tussen gemeenten. Zo stijgt de OZB dit jaar in sommige gemeenten met meer dan 20 procent en betalen eigenaren van een vakantiehuis in Nederland nu in veel gevallen drie- tot viermaal meer belasting dan vijf jaar geleden (mede door nationale belastingen en stijging van de WOZ-waarde). Kortom, het hakt er steeds harder in.

Scepsis is op zijn plaats

Deze behoorlijk dramatische ontwikkeling roept twee vragen op die tot op heden nauwelijks in de publiciteit aan bod komen: hoe goed wordt al dit extra geld besteed en wat zijn de implicaties voor de nationale economie, inclusief het macro-economisch plaatje van totale belastingdruk en financieringssaldo?

De eerste vraag betreft de mate van efficiency (verhouding tussen kosten en opbrengsten) en effectiviteit (de mate waarin een gesteld doel wordt bereikt) van het gemeentelijk beleid. Deze zullen fors uiteenlopen tussen specifieke beleidsterreinen en individuele gemeenten, maar in het algemeen is scepsis op zijn plaats. Die scepsis berust op drie factoren.

Ten eerste wordt een dergelijke, in de kern van de zaak ‘bedrijfseconomische’ vraag in veel gevallen niet of weinig expliciet en met kracht gesteld, en blijven substantiële consequenties bij falend beleid veelal uit. Dat is heel anders bij ondernemingen, andere particuliere organisaties en individuele burgers die direct, keihard met de gevolgen van falend beleid worden geconfronteerd. Daar waar die zeer kritisch over de eigen uitgaven (moeten) zijn, ontbreekt die druk in aanzienlijke mate als het om de collectieve, gemeentelijke uitgaven gaat.

Anders gezegd: de politieke druk vanuit de kiezers op een gemeente om efficiënt en effectief te opereren is veel minder dan de druk en verantwoordelijkheid die men ervaart als het om het eigen geld gaat. Hierbij speelt ook mee dat men veel minder op de hoogte is van waar al die belastingcenten naartoe gaan en wat er precies mee gebeurt. Door verkiezingen kunnen wat algemene beleidsprioriteiten verschuiven, maar de kwaliteit van de concrete uitvoering zal men doorgaans niet of nauwelijks op de radar (kunnen) hebben.

De scepsis is ten tweede gebaseerd op talrijke indicaties dat de uitvoering van beleid serieus hapert. De problemen bij de jeugdzorg – waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn en waar meer dan 8 miljard euro per jaar aan uitgegeven wordt – zijn welbekend. Ook de schuldhulpverlening blijkt in de praktijk weerbarstig. Men vermoedt dat wel zo’n 80 procent van de mensen met problematische schulden niet in beeld is, mede omdat mensen zich schamen, slechte ervaringen met de overheid hebben, en het proces om tot gehele of gedeeltelijke schuldkwijtschelding te komen ingewikkeld en bureaucratisch (en dus kostbaar) is, en wel een jaar kan duren. Volgens de verantwoordelijk wethouder in Arnhem ‘bleek [het] enorm veel werk’.

Jo-jo-beleid

Ook de energietoeslag wordt door de gemeenten uitgevoerd. Daarbij is sprake van een jo-jo-beleid – dan kan er weer wél en dan plotseling weer níet een beroep op worden gedaan en pech gehad als de pot leeg is (binnen een week eind april 2025) – hetgeen ook niet bevorderlijk is voor de effectiviteit.

Bij de individuele inkomenstoeslag constateert het Nibud dat het aanvragen in sommige gemeenten onnodig complex is. Verschillende regelingen binnen één gemeente worden soms afgehandeld door verschillende instanties en inwoners moeten hun inkomen volgens het budgetinstituut ‘bij elkaar sprokkelen via diverse loketten’. De uitvoeringskosten laten zich raden.

Ook hulp bij het huishouden en voor vervoer wordt door gemeenten, via de WMO, gefinancierd en er is een schoolkostenregeling. En dan is er nog de collectieve zorgregeling of Gemeentepolis: een zorgverzekering speciaal voor inwoners met een laag inkomen en/of weinig vermogen. De gemeente betaalt vaak een deel van de premie mee en biedt gunstige voorwaarden. 

Dit beknopt overzicht laat zien hoezeer gemeenten inkomenspolitiek zijn gaan voeren; iets waarvoor ze nooit bedoeld zijn en ook niet geschikt voor zijn: de derde bron van scepsis. Ze begeven zich op terreinen die ver afliggen van hun traditionele, onomstreden taken en zijn een soort brandweer geworden die her en der, ad hoc en tegen hoge kosten maar nogal eens met weinig resultaat, brandjes blussen – brandjes die vooral te maken hebben met tekortschietende inkomens. De eigen verantwoordelijkheid van betrokkenen wordt veelal niet aan de orde gesteld. In feite is er sprake van forse, verdere nivellering waarmee we bij de tweede vraag aan het begin van dit artikel zijn beland: wat betekenen de sterk stijgende gemeentelijke lasten voor de nationale economie, inclusief totale belastingdruk en financieringssaldo?

Het antwoord is vrij simpel. De toenemende belastingdruk wordt deels verschoven naar lokaal niveau, maar belast de burger even hard. Als reactie op de geplande forse afname van de inkomsten uit het Gemeentefonds – leidend tot het zogenoemde ravijnjaar – verhogen de gemeenten hun lokale belastingen en heffingen drastisch, direct resulterend in hogere inflatie en lagere koopkracht. Het nationale financieringssaldo wordt weliswaar redelijk in de hand gehouden, maar dat gebeurt vooral door via een omweg de belastingen te verhogen.

In de kern van de zaak wordt zodoende een nog groter deel van ons inkomen door de collectieve sector opgeëist en besteed, en blijft er voor de burger minder over om naar eigen inzicht te besteden. Dat is niet wat je van zich liberaal noemende partijen zou verwachten.

Grote verspilling

Naast deze voortschrijdende collectivisering, waardoor de individuele keuzevrijheid van de burger wat te doen met zijn geld steeds verder wordt ingeperkt, is een wellicht even belangrijk aspect dat veel van dat geld inefficiënt en ineffectief wordt besteed, zodat er sprake is van grote verspilling. Burgers kunnen het niet alleen niet naar eigen inzicht en voorkeuren besteden, maar zien het ook uitgegeven worden aan zaken waar ze niets of weinig mee hebben – als ze er al weet van hebben – en dat door een instantie die al te vaak faalt bij de uitvoering.

De focus van de beleidsmakers op het in de hand houden van macro-economische kengetallen – zoals het nationaal financieringssaldo – laat onverlet dat de burger financieel hard wordt getroffen. Hij krijgt veel te weinig waar voor almaar meer afgedragen belastinggeld. Daarbij doet het er niet toe of het nationale of lokale belastingen zijn; dat is een kwestie van door de kat of de hond gebeten worden…

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!