Pleiten voor strategische autonomie maar beleid voeren dat die autonomie ondermijnt. Is dat masochistisch of hypocriet?

HandeJong 19-2-2026
‘Boeren staan onder grote druk en het beleid is erop gericht de sector steeds verder te saneren. Overwegingen met betrekking tot strategische autonomie kom ik echter opvallend weinig tegen in de uitlatingen van beleidsmakers.’ Beeld: boerenvlag.nl

Artikel beluisteren

Tijdens de coronapandemie ontstonden tal van logistieke verstoringen. Snel werd erop gewezen dat de complexe, lange en vooral internationaal vervlochten productieketens ons kwetsbaar maken. Om die kwetsbaarheid te verminderen, moesten de productieketens worden ingekort en liefst moest zoveel mogelijk productie worden teruggehaald binnen de landsgrenzen of in ieder geval terug naar het eigen continent.

Ik verbaasde me dat zoveel van mijn vakbroeders die zienswijze enthousiast onderschreven en ook in de media uitdroegen. Beslissingen over hoe productieketens in elkaar zitten worden door bedrijven genomen op basis van prijsprikkels. Die ketens zijn complex aangezien dat de meeste welvaart oplevert. Economen die destijds pleitten voor verkorting en versimpeling van productieketens, en daarmee in principe voor een vermindering van de internationale handel, hadden erbij moeten uitleggen hoe dat zou kunnen worden bewerkstelligd en dat daaraan het prijskaartje van een lagere welvaart hangt.

Strategische autonomie kost welvaart

Dezelfde economen veroordeelden vorig jaar de importheffingen van Donald Trump in de scherpst mogelijke bewoordingen. Dat mag natuurlijk, maar is het niet inconsequent om tijdens de pandemie feitelijk te pleiten voor het verminderen van de internationale handel en een paar jaar later maatregelen te veroordelen die daarop zijn gericht?

De laatste jaren is het pleiten voor ‘strategische autonomie’ in zwang gekomen. We moeten voor essentiële zaken niet afhankelijk zijn van anderen. Deze gedachte klinkt logisch en wordt breed omarmd. Ik plaats er vraagtekens bij. Ten eerste valt mij op dat ook nu vergeten wordt te melden dat strategische autonomie ten koste gaat van welvaart.

Tot veel meer ergernis bij mij leidt de vergelijking tussen het bepleiten van strategische autonomie en beleidskeuzes die in het verleden zijn gemaakt en die ook nu nog worden gemaakt.

De beschikbaarheid van betrouwbare en betaalbare energie is waarschijnlijk de meest fundamentele pijler van onze welvaart. Rond de eeuwwisseling voorzag de eigen productie van olie zowel in Europa als de VS in ca. 40 procent van het eigen verbruik. De Amerikanen besloten stevig in te zetten op exploratie en op ‘fracking’. Dat wilden wij juist niet. In Europa is de zelfvoorzieningsgraad inmiddels gezakt naar 20 procent, terwijl de VS de facto zelfvoorzienend is. Waar waren de pleitbezorgers van strategische autonomie toen dit gebeurde?

Bij gas is het beeld vergelijkbaar. Rond de eeuwwisseling voorzag de Amerikaanse gasproductie in ca. 80 procent van het eigen verbruik. Inmiddels is dat opgelopen tot ruim boven 110 procent en exporteren zij gas. Over dezelfde periode is de zelfvoorzieningsgraad in Europa (inclusief Noorwegen) gedaald van zo’n 55 procent tot 40 procent. Wij hebben zelfs besloten de gasproductie te stoppen. De reden daarvoor is evident. Elke suggestie om te onderzoeken of de gaswinning ook op een veilige manier zou kunnen werd rigoureus van tafel geveegd. Sterker nog, de gasputten worden volgestort met beton opdat ze nooit meer geopend kunnen worden. Waar waren de pleitbezorgers van strategische autonomie toen die beslissingen werden genomen?

Snellere energietransitie zet ons op achterstand

Wanneer ik dit naar voren breng in discussies, is de reactie vaak dat we dus veel meer haast moeten maken met de energietransitie en daarbij vooral moeten inzetten op zon en wind. Dat is een weinig realistische zienswijze. Ten eerste zijn de groeimogelijkheden van zon en wind veel te beperkt om het gebruik van fossiel echt stevig te verminderen. Ten tweede blijkt dat energieprijzen het hoogst zijn in landen die het meest gebruikmaken van zon en wind. Het versnellen van de energietransitie zal ons derhalve structureel op een concurrentieachterstand zetten. Bereiken we daarmee strategische autonomie?

Teloorgang Nederlandse chemie

Of neem de ontwikkelingen in de industrie. De chemie en zeker de in ons land traditioneel belangrijke basischemie vormt een cruciale grondslag voor de maakindustrie in het algemeen. Toen de energieprijzen sterk stegen in 2021 en vooral in 2022 kreeg de sector een gevoelige klap. Tussen maart 2022 en maart 2023 daalde het productievolume in de Nederlandse chemie volgens CBS-cijfers met bijna 20 procent. Inmiddels zijn de energieprijzen gelukkig weer fors teruggevallen, maar de productie in de chemie is niet meer hersteld. Vooral het klimaatbeleid zit de sector in de weg en houdt de energiekosten toch hoog. Zo is de teloorgang voortgezet. In december lag de productie bijna 30 procent lager dan in maart 2022 en werd, afgezien van twee maanden in de recessie van 2009, het laagste productieniveau in decennia bereikt. Waar zijn de pleitbezorgers van strategische autonomie wanneer klimaatbeleid wordt bepaald?

Ook voor voedsel willen we liever niet afhankelijk van anderen zijn, hoewel wij het als belangrijke voedselexporteur wel prima vinden wanneer andere landen voor hun voedsel van ons afhankelijk zijn. Over de voedselproductie in ons dichtbevolkte land is veel te doen. Boeren staan onder grote druk en het beleid is erop gericht de sector steeds verder te saneren. Overwegingen met betrekking tot strategische autonomie kom ik echter opvallend weinig tegen in de uitlatingen van beleidsmakers.

Kapitaalverschaffers willen rendement

De rapporten van Mario Draghi en Peter Wennink betogen dat we heel stevig moeten investeren in technologie als we de boot niet spectaculair willen missen. We zijn veel te afhankelijk van Amerikaanse technologiebedrijven. Dat moet anders. De bedragen die daarvoor noodzakelijk worden geacht, zijn duizelingwekkend. Waar moet dat geld vandaan komen?

In koor roepen diverse instanties om de totstandbrenging van een Europese kapitaalmarktunie. Die moet het beschikbare kapitaal naar de juiste investeringsmogelijkheden leiden. Ook onze aanstaande regering is een enthousiast aanhanger van die zienswijze. Maar uiteindelijk laten kapitaalverschaffers zich leiden door rendementsperspectieven.

Maar Box-3 perkt het rendementsperspectief in

Onlangs heeft de Tweede Kamer ingestemd met de invoering, in 2028, van een vermogenswinstbelasting van 36 procent. Die zal dan zelfs niet alleen over gerealiseerde, maar ook over papieren vermogenswinsten worden geheven. Wat is dat anders dan het inperken van rendementsperspectief, wat de beschikbaarheid van risicodragend vermogen zal tegenwerken? In de VS, het lichtende voorbeeld als het gaat om de beschikbaarheid van risicodragend vermogen voor de technologiesector, worden slechts gerealiseerde vermogenswinsten belast tegen een voor de grote meerderheid van belastingplichtigen veel lagere 15 procent. Waarom zetten we onszelf zo op achterstand? En waar waren de pleitbezorgers van strategische autonomie toen het nieuwe box-3 plan in de Tweede Kamer werd besproken?

Strategische autonomie ondermijnd

De mond vol van strategische autonomie, maar keer op keer beleid voeren dat de strategische autonomie juist ondermijnt. Het is om gek van te worden. Wat voor kwalificaties passen daarbij? Ik zou zeggen kortzichtig, masochistisch maar vooral hypocriet.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee?Hartelijk dank!