60 jaar na de rookbommen van Provo: in de zogenaamd bevrijdende sixties begon het links-elitaire gescheld op het ‘klootjesvolk’
Artikel beluisteren
Historici houden ervan om de geschiedenis te verdelen in tijdvakken. Op die manier, zo is de veronderstelling, wordt het verleden hanteerbaar en dus begrijpelijker.
Dat periodiseren gebeurt niet altijd op dezelfde manier. Neem de vraag hoe je de twintigste-eeuwse geschiedenis van ons land het beste zou kunnen opdelen. Lange tijd bestond daarover nauwelijks verschil van mening: je had een Nederland van voor en een Nederland van na de Tweede Wereldoorlog. De bezettingsjaren waren het breukvlak.
Keerpunt jaren zestig
Voor die opvatting viel, zo op het eerste gezicht, wel wat te zeggen. Sociaaldemocraten (PvdA), katholieken (KVP) en liberalen (Partij van de Vrijheid, later de VVD) stichtten direct na de bevrijding nieuwe politieke partijen en de overheid ging zich veel intensiever dan voorheen bemoeien met economische en sociale kwesties. Stapje voor stapje werd de verzorgingsstaat in de steigers gezet. Minstens zo belangrijk: met de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië hield ons land in 1949 op een koloniale grootmacht te zijn. Tegelijkertijd kwam dankzij het Nederlandse NAVO-lidmaatschap een einde aan onze traditionele neutraliteitspolitiek.
Of gebeurden er twee decennia ná de Duitse bezetting veel belangrijkere dingen in ons land? Ja, schreef de gezaghebbende historicus Hans Blom in 1980. ‘Zo er al sprake zou zijn van een breuk in de jongste geschiedenis van Nederland, dan zou die in de jaren zestig te vinden zijn en niet in de bezettingstijd. (-) Pas in de jaren zestig, met enige voorboden in de jaren vijftig, gaat het hele systeem kraken.’
De visie van Blom werd al snel gemeengoed. Het is dan ook geen toeval dat journalist en historicus Hans Wansink zijn onlangs verschenen geschiedenis van hedendaags Nederland laat beginnen op 10 maart 1966, bij de rookbommen die provo’s lieten ontploffen op de trouwdag van kroonprinses Beatrix en de Duitse diplomaat Claus von Amsberg.
In ons collectieve geheugen is vooral blijven hangen dat de provo’s ‘ludiek’ in de weer waren met witte fietsen, ‘happenings’ en het uitdelen van krenten. Het is het suikerzoete beeld dat we vaak krijgen voorgeschoteld in nostalgische boeken en documentaires over de jaren zestig.
Maar de provo’s hadden ook een donkere, meer lugubere kant. In hun publicaties werd opgeroepen tot het ‘liquideren’ van ‘dragers van de technocratie’ en andere ‘overheidsmisdadigers’. ‘Dat geweld geweld oproept, daarvoor zijn wij allang niet bang meer,’ zo heette het.
‘Het moderne klootjesvolk’
Provo werd eerst en vooral gedreven door klassenhaat – tegen al die Nederlanders van eenvoudige komaf die na de oorlog met hard werken en nijver studeren hogerop waren gekomen. ‘Het moderne klootjesvolk’ heetten ze in provo-jargon: die ‘apathische, afhankelijke, geesteloze troep kakkerlakken’, die ‘miljoenen elleboogwerkertjes, succesjagertjes en maatschappelijke-ladder-beklimmertjes’ die hun best deden voor ‘een eigen home, een eigen auto, een eigen tv, een eigen vrouw-van-het-jaar, een eigen ijskast, een eigen positie’. Auteur van deze filippica: Provo-aanvoerder Roel van Duijn, geboren in het Haagse Bezuidenhout, ex-leerling van de Eerste Nederlandse Montessorischool aan de Laan van Poot en zoon van een in theosofie geïnteresseerde accountant. Ook aan zijn geaffecteerde stemgeluid kon je trouwens heel goed horen dat hij niet van de straat was.
De meeste hoofdrolspelers uit de sixties – van Hans van Mierlo tot Robert Jasper Grootveld, van Jan Cremer tot Wally Tax en van Willem de Ridder tot Simon Vinkenoog – zijn ons inmiddels ontvallen. Toch kun je het decennium nog elke dag zien, horen, ruiken, proeven en voelen.
Multiculturele drama
Zo is het multiculturele drama waarover nu al jaren wordt gedebatteerd, een gevolg van het destijds genomen besluit om op grote schaal gastarbeiders naar Nederland te halen. In dat kader werden zogenoemde ‘wervingsverdragen’ gesloten met onder meer Turkije (1964) en Marokko (1969).
Als we horen over het groeiend aantal kinderen dat gebruikmaakt van jeugdzorg (inmiddels bijna een half miljoen), heeft dat direct te maken met de explosieve stijging van het aantal echtscheidingen en eenoudergezinnen, ingezet in de ‘bevrijdende’ jaren zestig.
Wanneer we lezen dat de onderwereld de baas is in Amsterdam en dat Nederland de facto een narcostaat is geworden, is dat een uitvloeisel van de sinds de jaren zestig populair geworden opvatting dat drugsgebruik eigenlijk heel normaal is en dus ‘gedoogd’ moet worden.
Steeds als er opschudding ontstaat over moordenaars, verkrachters en geweldplegers die wegkomen met lichte (taak)straffen, heeft dat te maken met het jaren zestig-denkbeeld dat ‘straffen niet helpt’ en dat we voor daders ‘begrip’ moeten hebben.
Telkens wanneer we vernemen dat de kwaliteit van het onderwijs verder achteruit holt en dat bijna de helft van de studenten geen begrijpelijk Nederlands kan schrijven, is dat een resultaat van het in de jaren zestig doorgebroken idee dat het op scholen niet moet gaan om kennisoverdracht en discipline, maar om ‘ontplooiing’ en ‘jezelf zijn’.
Ook de haat tegen het ‘klootjesvolk’ is nog altijd springlevend, nu uitgedost als elitaire weerzin tegen ‘domrechts’. Volkskrant-columnist Sander Schimmelpenninck is de populairste vertolker ervan. Evenals Roel van Duijn is hij niet van de straat.
Eindeloze sixties
En zo kunnen we nog wel even doorgaan. In zekere zin, schreef historicus en hoogleraar Hans Righart in 1995 in zijn boek De eindeloze jaren zestig, is het decennium nog altijd niet afgelopen. Dat geldt tot op de dag van vandaag en er zijn helaas weinig redenen om daar blij mee te zijn.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!





















