Geef discriminatie in het strafrecht minder prioriteit dan de gekwetsten opeisen

JoostSchepel 14-4-26
Lale Gül valt in het tv-programma RTL Tonight Arjen Lubach aan, die heeft gezegd dat hij geen grappen over de islam durft te maken. Beeld: YouTube

Artikel beluisteren

In Nederland bestaat een welhaast obsessieve aandacht voor het discriminatieverbod en de (vermeende) overtredingen daarvan. Politici moeten hun woorden op een goudschaaltje wegen, worden al snel van discriminatie (groepsbelediging/haatzaaien) beschuldigd en worden daarvoor wel (Wilders, Van Meijeren) of niet (Keijzer) vervolgd.

Onlangs ontstond ophef omdat het gerechtshof Den Haag bepaalde dat een visboer wegens discriminatie moet worden vervolgd, omdat hij weigerde een bakje kibbeling aan een nikab-draagster te verkopen.

Is discriminatie überhaupt toegestaan en zo ja in welke situaties?

Wij discrimineren allemaal

Discriminatie is van alle tijden en van alle culturen. Vreemdelingen worden overal in principe met argwaan bekeken. In primitievere culturen zonder staatsgezag wordt uit zelfbescherming in eerste instantie op de familie vertrouwd en vervolgens op de stam. Hoe nader mensen je staan, des te meer kun je ze vertrouwen. Het is ook bij ons in beginsel verstandig om niet op het eerste gezicht een onbekende, een vreemde te vertrouwen, zeker niet in tijden van toenemend gevaar en onveiligheid. U en ik, wij discrimineren allemaal.

Artikel 1 van de Grondwet luidt sinds de laatste grondwetswijziging van 2023: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’

Het artikel van de Grondwet dat nu op zo’n prominente plaats staat bevatte oorspronkelijk alleen het klassieke grondrecht ‘gelijkheid voor de wet’ (de eerste zin), een verplichting van de overheid jegens haar burgers (verticale werking). De overheid dient volstrekt neutraal te zijn in de behandeling van burgers.

De tweede zin (het discriminatieverbod) deed haar intrede met de grondwetswijziging van 1983 en richt zich in beginsel ook alleen op de overheid en haar ambtenaren. Zij mogen burgers niet discrimineren. Of de burgers ook onderling mogen discrimineren (horizontale werking van het discriminatieverbod) wordt steeds nauwer in regels en jurisprudentie vastgelegd, maar in onze samenleving blijft het uitgangspunt dat burgers elkaar niet gelijk hoeven te behandelen.

Of we met iemand willen omgaan, met iemand een overeenkomst willen aangaan, met iemand vriendschap willen sluiten, verliefd worden op iemand, dat is helemaal aan onszelf, de een is daar ruimhartiger in dan de ander. De laatste die daar iets mee te maken zou moeten hebben is de overheid.

Algemene wet gelijke behandeling

In 1994 is de Algemene wet gelijke behandeling in werking getreden. Deze wet verbiedt discriminatie en garandeert gelijke behandeling bij arbeid, onderwijs, huisvesting en goederen/diensten. Bij vermoeden van discriminatie kan een klacht worden ingediend bij het College voor de rechten van de mens. Op de website van dat College zijn meer dan 5000 oordelen over zulke klachten te vinden en de teller loopt verder op.

Daarnaast zijn in internationale verdragen die Nederland heeft gesloten (waaraan rechters rechtstreeks toetsen) discriminatieverboden vastgelegd.

Keurslijf aangehaald

Ook het strafrecht verbiedt verschillende vormen van discriminatie.

Art. 137c richt zich op groepsbelediging, art. 137d op het aanzetten tot haat en art. 137e verbiedt het openbaar maken of verspreiden van materiaal (zoals teksten of afbeeldingen) waarin sprake is van groepsbelediging of het aanzetten tot haat. Art. 137g verbiedt discriminatie bij de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf. En ook het artikel 429quater (waarvoor de visboer moet worden vervolgd) verbiedt beroepsmatige discriminatie.

Door deze wettelijke bepalingen is het keurslijf van de burger in de afgelopen decennia veel nauwer aangehaald.

Provocerende methoden

Daarbij komt dat er een steeds grotere groep is die meent en claimt slachtoffer van discriminatie te zijn, waarbij provocerende methodes vaak niet worden geschuwd (zoals het filmen van de visboer in zijn winkel door de nikab-draagster).

Activisten zitten op het vinkentouw om bij (vermeende) discriminerende opmerkingen van politici aangifte te doen. Politie en openbaar ministerie worden hierdoor (verder) overbelast.

Critici van de heersende opvattingen worden weggezet als zouden zij lijden aan een psychische ziekte (transfobie, homofobie, islamofobie).

Rabin Baldewsingh

In de nasleep van ‘Black lives matter’ heeft de regering in 2021 een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme ingesteld en daar Rabin Baldewsingh als onafhankelijk regeringscommissaris benoemd. In een interview van april 2025 met de Arabische nieuwszender Al Jazeera stelde hij dat de situatie voor moslims sinds de aanslagen van 11 september 2001 ernstig is verslechterd. Volgens hem wordt moslimdiscriminatie in Nederland inmiddels als normaal gezien en zou de ‘oorlog tegen terreur’ die vanaf 2001 werd begonnen veranderd zijn in een ‘oorlog tegen moslims’.

Dat interview baarde grote ophef. Uit een representatief onderzoek van Hart van Nederland bleek 65 procent het oneens te zijn met zijn uitspraken en vond 52 procent dat hij moest opstappen. Desondanks is Baldewsingh nog steeds in functie en heeft hij op 15 maart 2026, op de ‘Internationale dag tegen islamofobie’ (sic) bekend gemaakt dat hij een Programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie’ aanstelt. Een en ander leidt tot gerede twijfel over de onafhankelijkheid en de geschiktheid van Baldewsingh voor zijn functie.

De huidige polarisatie komt een gezond politiek klimaat niet ten goede. In een open en eerlijk debat (‘niet alleen de eigen quotes via eigen sociale media uitzenden’) zouden ook moslim vertegenwoordigers enige (mede) verantwoordelijkheid moeten kunnen nemen voor de vele bedreigingen van geweld uit hun kring, die zich via daadwerkelijke uitingen daarvan (New York 9/11, Madrid, Parijs, Brussel, Londen, Nice, Maagdenburg, Utrecht en zoveel andere gebeurtenissen in de afgelopen 25 jaar) hebben gemanifesteerd.

Met name het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting staat daardoor onder grote druk. Zo durven cabaretiers als Arjen Lubach en Youp van ’t Hek geen grappen meer te maken over moslims uit angst voor geweld. Alleen dapperen laten zich niet de mond snoeren.

Gelet op de structurele overbelasting van politie en openbaar ministerie (waar meer dan 80 ptocent van de geregistreerde misdrijven óf niet wordt opgelost óf niet wordt vervolgd en altijd prioriteiten worden gesteld), lijkt het niet onredelijk om te vragen het onderwerp discriminatie in het strafrecht wat minder prioriteit te geven dan de ‘gekwetsten’ daarvoor opeisen.

Sisser

De rechtszaak van de visboer zal wel met een sisser aflopen, als hij verklaart dat hij aan niemand met een volledige gezichtsbedekking vis verkoopt (ook niet aan een man met bivakmuts) en dat daar geen discriminatie wegens godsdienst achter zit, maar het is natuurlijk nooit een pretje om je als verdachte bij de strafrechter te moeten verantwoorden.

En hoeveel zinloze ‘justitie-arbeid’ is dan inmiddels in zo’n zaak gestopt?

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!