Was Arnout Jaspers wel/niet te kort door de bocht over lhbtiq+ rapport?
Artikel beluisteren
door Nikki P. Dekker, Bert N. Bakker en Han van der Maas
De auteurs reageren op een recente column van Arnout Jaspers over een rapport van hun hand. Bij wijze van uitzondering publiceert Wynia’s Week hun reactie. De repliek van Arnout Jaspers staat onder dit stuk van Dekker, Bakker en Van der Maas.
Wynia’s Week publiceerde onlangs een analyse, geschreven door Arnout Jaspers over ons rapport over de lhbtiq+-opvattingen van Nederlandse jongeren. De analyse bevat een aantal relevante punten maar rechtvaardigt niet de hyperbolische titel (‘drijft op moeras van verzwegen vooronderstellingen en sociale-wenselijkheidsdwang’). In dit artikel weerleggen wij de belangrijkste kritiekpunten uit het stuk.
Lhbtiq+ en migratie
Het eerste kritiekpunt is dat wij zouden concluderen dat lhbtiq+-opvattingen geen verband houden met migratieachtergrond. Dat is niet correct: we vinden namelijk wel een interactie tussen migratieachtergrond en religiositeit. Die interactie wordt echter niet gedragen door islamitische jongeren met een migratieachtergrond die conservatiever zouden scoren.
Hoewel islamitische jongeren inderdaad gemiddeld het meest conservatief scoren, vinden we binnen deze groep geen statistisch significant verschil tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond; als er al een patroon is, wijst dat eerder in omgekeerde richting. Het enige robuuste verschil naar migratieachtergrond vinden wij juist bij christelijke jongeren, waar christelijke jongeren met migratieachtergrond gemiddeld significant conservatiever scoren op de stellingen uit onze vragenlijst dan christelijke jongeren zonder een migratieachtergrond.
De opmerking dat ‘migratieachtergrond’ niet gelijkgesteld kan worden aan ‘islamitisch’ wordt door onze resultaten dus expliciet bevestigd. Jaspers verbaast zich ook dat wij in onze data over een korte tijd geen afname vinden. Dit is volgens Jaspers ‘in tegenspraak met bovenvermeld anekdotisch bewijs, maar ook met eerder onderzoek op dit gebied’. Onze conclusie kan een beperking van de data zijn, maar wijst niet op verzwegen vooronderstellingen of sociale-wenselijkheidsdwang.
Tweede generatie
Het tweede kritiekpunt is dat wij migratieachtergrond hebben beperkt tot de tweede generatie. Concreet betekent dit dat wanneer beide ouders in Nederland geboren zijn, we de respondent niet als migrant beschouwen.
Tegelijkertijd hanteren wij een relatief ruime definitie: leerlingen tellen bij ons al als ‘migratieachtergrond’ wanneer zijzelf of minimaal één ouder in het buitenland is geboren. Dat is een gangbare operationalisatie in sociologisch en onderwijskundig onderzoek. In grootschalige studies zoals PISA (zie bijvoorbeeld het meest recente rapport uit 2022) wordt zelfs een strengere afbakening gebruikt, waarbij leerlingen pas als tweede generatie migrant gelden als beide ouders in het buitenland zijn geboren. Onze keuze is daarmee eerder inclusief dan restrictief, en dus bezwaarlijk als een verzwegen vooronderstelling op te vatten.
Vrijwillig?
Vervolgens bekritiseert Arnout Jaspers de vrijwilligheid van onze enquête. Uiteraard hebben we ons te houden aan de AVG [‘privacy’, red.] en de ethische richtlijnen omtrent onderzoek naar personen; verplichte deelname is daarbij uitgesloten.
Ondanks de vrijwillige afname zien we geen aanwijzing dat onze steekproef ernstig vertekend is. De enquêtes betroffen algemene thema’s (burgerschap), de uitkomsten wijzen bepaald niet op een progressieve bias onder de respondenten, en het aantal respondenten met een migratieachtergrond is ook niet opvallend laag. Omdat wij bovendien per subgroep rapporteren, is eventuele selectiebias in dit opzicht niet zo relevant.
Het volgende kritiekpunt is dat wij zouden verhullen dat islamitische leerlingen gemiddeld conservatiever scoren dan alle andere subgroepen. Maar Arnout Jaspers haalt dit resultaat uit ons rapport, uit de hoofdfiguren; het is dus niet door ons ‘onder de mat geveegd’ in het rapport. Tegelijkertijd is het wel degelijk zo dat ook jongeren van andere religieuze gezindte gemiddeld conservatiever scoren. Ook voor dat resultaat hoef je niet onder de mat te zoeken.
Jongen of meisje
Het vijfde punt betreft Jaspers’ kritiek op een specifieke vraag uit één van onze enquêtes (‘Of je een jongen of meisje bent, staat vast vanaf je geboorte’). Jaspers veronderstelt dat wij de antwoorden classificeren op een schaal van ‘oerconservatief’ naar ‘voorbeeldig progressief’, maar dat lijkt ons toch een vooringenomenheid van de auteur zelf. Deze vraag hebben we gekozen omdat hij simpel en helder is (en niet zoals Arnout Jaspers zegt ‘iets vaags over gender en/of sekse poneert’) en hopelijk maximaal onderscheid maakt tussen de progressieve en conservatieve kijk op deze kwestie – een kwestie waarover we zelf geen standpunt innemen.
Nu blijkt uit de data dat maar een kleine minderheid voor de progressieve schaalscores kiest. Misschien was het inderdaad goed geweest het genderconcept in de vraag te betrekken. Dat gezegd hebbende, het idee dat wij hier de antwoorden wilden sturen of vooringenomen zijn, zien we niet onderbouwd.
Graden Celsius?
Punt zes is meer technisch van aard en betreft het middelen van ordinale data, zoals wij doen in ons rapport. We zullen hier kort op reageren. Het middelen van ordinale data is geen onzin, maar wel riskant als de intervallen tussen de schaalpunten erg ongelijk zijn. Ordinale schaalpunten zijn niet willekeurig en vormen een sterkere meetschaal dan nominale data.
Het gaat er niet om dat de getalletjes willekeurig zijn (dat geldt bijvoorbeeld ook voor graden Celsius, een intervalschaal), maar dat de afstand tussen schaalpunten niet noodzakelijk uniform is. Kortom, we presenteren de data correct in ons rapport.
Weten voetbaltrainers het beter?
Vervolgens stelt Arnout Jaspers dat voetbaltrainers meer verstand hebben van statistiek dan wij, omdat ze nooit zullen stellen in de laatste vijf seizoenen gemiddeld tweede te zijn geworden. Ze kijken liever naar het gemiddeld aantal doelpunten.
Maar ook voetbaltrainers beseffen dat ordinale data nodig zijn. Je kunt immers kampioen worden met relatief weinig doelpunten en een relatief laag aantal overwinningen als de concurrentie het ook slecht doet. De sociale wetenschappen gebruiken waar mogelijk ook teldata, maar de validiteit is daarvan vaak beperkt.
Bovendien is de vraag of ‘simpele’ teldata zoals het aantal doelpunten wel het ordinale meetniveau overstijgen. Het ene doelpunt is immers het andere niet, en de tegenstander is van belang. Deze lastige meetproblemen zijn niet uniek voor de sociale wetenschappen maar spelen net zo goed in de economie en biologie.
‘Deugdrammers’
Het volgende punt betreft opnieuw kritiek op specifieke vragen (over Paarse Vrijdag en genderneutrale toiletten). Wij kunnen inderdaad niet vaststellen in hoeverre zelfgerapporteerde meningen één-op-één samenhangen met concreet gedrag en tolerantie in de praktijk, al bestaat daar in het algemeen wel enige correlatie. Vervolgonderzoek is zeker nodig om deze vraag te beantwoorden.
Dat Jaspers ervoor kiest om tieners die voorstander zijn van de viering van Paarse Vrijdag te typeren als ‘maoïstische deugdrammers’, reduceert de complexe werkelijkheid eerder dan dat zij haar verheldert.
En over vooringenomenheid gesproken; ten slotte wijst Arnout Jaspers met zekerheid op een genderpatroon bij meisjes in relatie tot genderneutrale toiletten (‘dus meisjes zul je daar dan met stokslagen nog niet naar binnen krijgen’). Van alle meisjes geeft 44% aan het met de stelling over genderneutrale wc’s eens te zijn. Samenvattend, Jaspers’ kritiek helpt ons om de keuzes in ons rapport duidelijk te maken. Maar, het is ons niet duidelijk waar Jaspers’ kwalificaties ‘warhoofdig’ en ‘vooringenomen’ precies op gebaseerd zijn. In elk geval biedt ons rapport daar geen aanleiding voor.
REPLIEK van Arnout Jaspers op bovenstaande reactie van Dekker, Bakker en Van der Maas
Het is prijzenswaardig, dat de onderzoekers uitgebreid reageren op mijn column. De gebruikelijke houding van Nederlandse onderzoekers die op kritiek van buiten hun peer-group stuiten is namelijk: nergens op ingaan, en hopen dat het overwaait. Hulde, dus.
Serieuze kritiek verdient echter ook een serieuze repliek, en die vindt u hieronder, puntsgewijs, in volgorde van wat volgens mij het belangrijkst is:
Hangen conservatieve lhbtiq+-opvattingen bij scholieren nu wel of niet samen met migratieachtergrond?
Nee, zeggen de onderzoekers, want als je onze definitie hanteert, blijkt dat statistisch geen significante factor. Dekker c.s. stellen dat ze zelfs een ‘inclusievere’ definitie hanteren dan Pisa (het periodieke Europese onderzoek naar de schoolprestaties van leerlingen), want voor Pisa ben je slechts 2de-generatie migrant als beide ouders in het buitenland geboren zijn, terwijl zij één in het buitenland geboren ouder al genoeg vinden.
‘Dat is een gangbare operationalisatie in sociologisch en onderwijskundig onderzoek,’ zeggen ze, maar je kunt als onderzoeker natuurlijk ook zelf nadenken of een definitie in dit geval zinnig is. Er is namelijk nogal een verschil tussen iemand wel of niet meetellen als ‘migrant’, en zeggen dat zo iemand wel of geen ‘migratieachtergrond’ heeft.
Dit gaat over de derde generatie: de vele Mohammeds en Fatima’s met vier in Turkije of Marokko geboren grootouders, die daar nog steeds elke zomer met hun – weliswaar in Nederland geboren – ouders naar op vakantie gaan, en die nog steeds stevig zijn ingebed in de cultuur en de religie van het land van herkomst. Dat zal niet voor iedereen gelden, maar wel voor een groot deel van deze derde generatie.
Er is legio onderzoek waaruit dat blijkt: er is zelfs na meerdere generaties maar zeer beperkt sprake van culturele en sociale assimilatie van deze groep. Daarom was het relevant geweest, om de derde generatie mee te tellen als ‘met migratieachtergrond’, en ongetwijfeld was dit dan wel een significante factor in de statistiek geweest.
Waarom weet ik dat zo zeker? Omdat het onderzoek van Dekker c.s duidelijk laat zien dat islamitische scholieren veel conservatievere lhbtiq+-opvattingen hebben dan elke andere religieuze groep (inclusief niet-religieus). En vrijwel geen enkele scholier in Nederland is islamitisch omdat hij/zij voorheen christen of atheïst was en zich bekeerd heeft; ze hebben dat van huis uit meegekregen, dus vanuit hun migratieachtergrond.
De onderzoekers maken daar een interessante opmerking over: ‘Hoewel islamitische jongeren inderdaad gemiddeld het meest conservatief scoren, vinden we binnen deze groep geen statistisch significant verschil tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond; als er al een patroon is, wijst dat eerder in omgekeerde richting.’ (mijn cursivering, AJ)
Wat we hier waarschijnlijk zien, is dat de derde generatie islamitische scholieren (dus volgens Dekker c.s. ‘zonder migratieachtergrond’) zelfs nog lhbtiq+-conservatiever is dan de tweede generatie islamitische scholieren die bij Dekker c.s. wel meetelt als ‘met migratieachtergrond’.
‘Of je een jongen of meisje bent, staat vast vanaf je geboorte’. Is dat hier een zinnige vraag?
Dekker c.s: ‘Deze vraag hebben we gekozen omdat hij simpel en helder is (en niet zoals Arnout Jaspers zegt ‘’iets vaags over gender en/of sekse poneert’’) en hopelijk maximaal onderscheid maakt tussen de progressieve en conservatieve kijk op deze kwestie – een kwestie waarover we zelf geen standpunt innemen.’
De onderzoekers geven wel toe: ‘Misschien was het inderdaad goed geweest het genderconcept in de vraag te betrekken’. Ja, dat was inderdaad goed geweest, want nu is die vraag simpel noch helder, maar vissen in troebel water. Als je deze vraag opvat als een biologie-vraag, heeft deze een correct antwoord dat los staat van ethische opvattingen, maar van de onderzoekers krijg je dan maar 1 punt voor progressiviteit, het minimum.
Dekker c.s. betichten me van vooringenomenheid omdat ik deze 7-puntsschaal gelijk stel aan een schaal van ‘oerconservatief’ tot ‘voorbeeldig progressief’. Maar los van mijn ‘oer’ en ‘voorbeeldig’ om de extremen aan te geven (van 1 ‘helemaal mee eens’, tot 7 ‘helemaal niet mee eens’), is dit letterlijk hoe ze zelf deze schaal en de schalen op al hun overige enquêtevragen interpreteren en rechtvaardigen: ze beogen scholieren langs een meetlat van conservatief tot progressief te leggen, waarbij progressief inhoudt: acceptatie van het lhbtiq+- gedachtegoed.
Ze beweren vervolgens dat ze over deze vraag ‘zelf geen standpunt innemen’. Dit is een gotspe. Je verdient meer punten naarmate je het meer oneens bent met deze stelling, en hoe meer punten je haalt op alle vragen, hoe progressiever een scholier is. En hun hele rapport is doordesemd van de notie dat ‘progressief’ gewenst is, en ‘conservatief’ problematisch. De conclusies op het eind bevatten nota bene alleen maar aanbevelingen om scholieren progressiever te maken.
Zie bijvoorbeeld paragraaf 4.5 (pag. 57)
‘Mogelijkheden voor bevordering’
Deelvraag: Waar liggen mogelijke kansen om de acceptatie van lhbtiq+ personen onder jongeren te bevorderen?
Waarna een waslijst aan suggesties voor acties op scholen en door leraren volgt. Niet dat dit allemaal per se verkeerd is, maar het is nonsens om als onderzoeker te doen alsof je zelf in je rapportage geen standpunt inneemt over de mérites van conservatief, dan wel progressief zijn, en dus over de vragen die dat moeten toetsen.
Verhullen de onderzoekers dat islamitische scholieren conservatiever zijn dan alle andere subgroepen?
Ik geef hen gelijk dat dit duidelijk in hun rapport staat, daar wordt dat niet verhuld. Mijn kritiek ging over hoe ze zelf over hun resultaten praten, bijvoorbeeld in een interview met Het Parool, waar ze het hebben over ‘religieuze jongeren’, terwijl het hoofdzakelijk over islamitische jongeren gaat.
Is het rekenen met ordinale data te rechtvaardigen?
We kunnen het er over eens zijn dat dit genuanceerd ligt. Soms lijkt het best zinnig, soms is het evident onzinnig. En in de sociale wetenschappen heb je vaak niks beters. Soit.
Overigens geven Dekker c.s. er blijk van weinig te snappen van de Celsius temperatuurschaal, die ook gebaseerd zou zijn op ‘willekeurige getallen’, net als hun 4- of 7-puntsschaal om de progressiviteit van antwoorden op hun vragen te meten.
Het nulpunt van de schaal en de grootte van één graad Celsius zijn inderdaad willekeurig (dat wil zeggen, gekozen om aan te sluiten bij het dagelijks leven), maar verder is er niks willekeurigs aan: één graad temperatuurverschil bij 90 graden Celsius is precies even groot als één graad temperatuurverschil bij 10 graden Celsius, op een fysisch exact definieerbare manier die consistent is over een zeer breed domein van verschijnselen. Precies daarom kan je daar mee rekenen.
Dat ontbreekt allemaal bij die 7- of 4-puntsschalen in de sociale wetenschappen. Er is geen nulpunt dat je onderling kunt vergelijken, en je hebt geen idee of 1 punt verschil links en rechts op de schaal even groot is, of hoe je dat überhaupt moet definiëren. Je hebt daarom nauwelijks een idee wat je doet als je die data middelt, of de spreiding daarin bepaalt.
Tot slot: de vraag over ‘minstens de helft genderneutrale toiletten’
Volgens de onderzoekers is dit een schoolvoorbeeld van mijn vooringenomenheid: 44% van de vrouwelijke scholieren is hier namelijk voorstander van. De echte vraag is natuurlijk: hoeveel van die meisjes hebben hier praktijkervaring mee en zijn dan nog steeds vóór? Op deze manier is dit illustratief voor het woke wereldbeeld: wat telt is hoe de ideale wereld zou moeten zijn, niet wat de consequenties zijn als dit werkelijkheid wordt.
Wynia’s Week is altijd scherp en altijd spraakmakend. Onze onafhankelijkheid wordt mogelijk gemaakt door de duizenden donateurs. Doet u ook (weer) mee? Doneren kunt u HIER. Hartelijk dank!





















