Als de staat burgers moet beschermen tegen klimaatverandering, dan ook tegen energie-onzekerheid en energie-onbetaalbaarheid
Artikel beluisteren
Door Henk C. Jonkhoff*
Rechters hebben klimaatbeleid tot een juridische plicht gemaakt. Daarmee is een nieuwe norm ontstaan: de staat moet burgers beschermen tegen voorzienbare risico’s. Maar wie die norm serieus neemt, kan haar niet beperken tot klimaat alleen. In een wereld waarin energiezekerheid en betaalbaarheid onder druk staan, blijkt dat bescherming selectief wordt toegepast — en dat is juridisch niet houdbaar.
Bescherming is geen politieke keuze meer
Met de uitspraak in KlimaSeniorinnen v. Switzerland en de recente Bonaire-zaak is een norm vastgelegd die de verhouding tussen staat en burger fundamenteel verandert. De staat moet burgers beschermen tegen voorzienbare risico’s die hun gezondheid en leefomgeving aantasten. Klimaatverandering valt daaronder. Dat is nu recht.
Maar wat hier werkelijk is neergezet, is geen klimaatdoel, maar een principe: bescherming is geen politieke keuze meer, maar een juridische verplichting.
Wat daarbij opvalt, is dat de overheid die verplichting niet consequent invult. In de communicatie over energiebeleid wordt vooral de gewenste uitkomst benadrukt, terwijl kosten, systeemrisico’s en onzekerheden structureel onderbelicht blijven. Bescherming veronderstelt echter een volledig beeld van risico’s — niet een selectieve weergave daarvan.
Die verplichting geldt in een wereld die niet alleen verandert door klimaat, maar ook instabieler wordt. Geopolitieke spanningen, verstoringen van energieroutes en afhankelijkheid van import maken duidelijk dat leveringszekerheid geen vanzelfsprekendheid is.
Daarmee ontstaat een tweede categorie voorzienbare risico’s: energie-onzekerheid. Die onzekerheid wordt in het publieke debat vaak gereduceerd tot een tijdelijk of beheersbaar probleem, terwijl de onderliggende risico’s structureel van aard zijn en toenemen naarmate systemen complexer en afhankelijker worden.
Energie is geen gewone markt. Het is een basisvoorwaarde voor het functioneren van de samenleving. Zonder energie geen economie, geen zorg, geen dagelijks leven. Daarmee raakt energievoorziening direct aan de bestaanszekerheid van burgers — en dus aan de beschermingsplicht van de staat.
Een onomkeerbare keuze
Juist daar ontstaat een fundamenteel probleem. Niet alleen omdat fysieke capaciteit verdwijnt, maar ook omdat de afweging waarop dit beleid rust zelden integraal wordt gemaakt. Kosten, leveringszekerheid en robuustheid van het systeem worden onvoldoende in samenhang beoordeeld.
De Nederlandse overheid is niet alleen bezig met het afbouwen van fossiele energie, maar ook met het structureel onbruikbaar maken van bestaande gasbronnen. Gasvelden worden gesloten, infrastructuur ontmanteld en — nog ingrijpender — putten worden volgestort. Daarmee verdwijnt niet alleen productiecapaciteit, maar wordt ook een potentiële noodvoorziening definitief uitgesloten.
Dat is meer dan een beleidskeuze. Het is een onomkeerbare handeling.
In een instabiele wereld, waarin geopolitieke verstoringen plotseling kunnen optreden, is het beschikken over strategische reserves geen luxe, maar een essentieel onderdeel van bescherming. Door die optie definitief uit te sluiten, wordt het vermogen om in crisissituaties te handelen bewust beperkt. Dat roept een fundamentele vraag op: kan een staat die zichzelf deze mogelijkheid ontneemt, nog voldoen aan zijn beschermingsplicht?
Groningen: bescherming is geen nulsom
De situatie in Groningen maakt die afweging complex, maar niet vrijblijvend. Bescherming van inwoners tegen schade en risico’s is terecht en noodzakelijk. Maar bescherming is geen nulsom. Het kan niet zo zijn dat het beschermen van een beperkte groep leidt tot het structureel verzwakken van de bescherming van de gehele bevolking.
Een rechtsstaat weegt belangen – maar verliest daarbij het geheel niet uit het oog. Wanneer het beleid ertoe leidt dat 18 miljoen Nederlanders kwetsbaarder worden voor energie-onzekerheid, dan kan die afweging niet zonder meer als evenwichtig worden beschouwd.
Minder energie, hogere kosten
Die spanning wordt versterkt door een tweede ontwikkeling. Niet alleen neemt de fysieke beschikbaarheid van energie af, ook de financiële toegankelijkheid staat onder druk. Energie die beschikbaar is, wordt zwaar belast. Voor veel huishoudens vormt belasting een substantieel deel van de energierekening.
Daarmee ontstaat een situatie waarin de staat enerzijds risico’s zegt te willen beperken, maar anderzijds zelf bijdraagt aan een toename van financiële kwetsbaarheid — zonder dat die spanning expliciet wordt erkend. Daarmee ontstaat een dubbele kwetsbaarheid: minder zekerheid én minder betaalbaarheid.
Als energie een basisvoorziening is — en dat is zij — dan raakt structurele onbetaalbaarheid direct aan bestaanszekerheid. En daarmee aan de kern van wat de staat moet beschermen.
Bescherming kan niet worden uitgesteld
Tegenover deze ontwikkeling stelt de overheid dat de energietransitie uiteindelijk zal leiden tot meer onafhankelijkheid en veiligheid. Maar dat is een belofte op lange termijn. Bovendien is die belofte gebaseerd op aannames over toekomstige systeemprestaties die in de praktijk nog niet op grote schaal zijn bewezen. De risico’s waartegen bescherming vereist is, manifesteren zich nu.
Die realiteit wordt inmiddels ook zichtbaar in de praktijk. Netbeheerders waarschuwen dat uitbreiding van het elektriciteitsnet vastloopt in procedures, terwijl bedrijven en consumenten steeds vaker geen toegang krijgen tot een aansluiting. Tegelijkertijd maken hoge netwerkkosten en belastingen de overstap naar elektriciteit financieel onaantrekkelijk.
Daarmee ontstaat een paradoxaal beleid: de staat stimuleert elektrificatie, maar maakt die in de praktijk moeilijk uitvoerbaar en kostbaar. Bescherming wordt niet alleen vooruitgeschoven, maar in sommige gevallen actief ondergraven. De beschermingsplicht van de staat kan niet worden uitgesteld tot het moment waarop beleid mogelijk effect heeft.
De ervaring in Groningen heeft laten zien wat er gebeurt wanneer bescherming tekortschiet. Dat onderstreept dat energiebeleid niet alleen een systeemvraag is, maar ook een rechtsstatelijke vraag.
De Haagse rechtbank heeft Nederland bevolen Bonaire te beschermen tegen klimaatverandering. Opmerkelijk is dat juist in deze zaak wordt gewezen op het recht op gelijke bescherming. Klimaatorganisaties benadrukken dat het recht op een veilige toekomst niet afhankelijk mag zijn van de plek waar je woont binnen Nederland. Die redenering is op zichzelf consistent — maar zij legt tegelijkertijd een bredere verplichting bloot. Als bescherming niet plaatsgebonden mag zijn, kan zij ook niet beperkt blijven tot één type risico.
Van klimaatplicht naar energieplicht
De rechtspraak heeft een norm neergezet die verder reikt dan klimaat alleen. Die norm blijft echter selectief toegepast. Want als de staat verplicht is om burgers te beschermen tegen klimaatverandering, dan is zij ook verplicht om hen te beschermen tegen energie-onzekerheid en energie-onbetaalbaarheid.
Bescherming is geen instrument dat selectief kan worden ingezet. Zij is ondeelbaar.
Een staat die gasvelden sluit, energie onbetaalbaar maakt en binnen het Koninkrijk geen gelijke bescherming biedt, kan zich niet blijven beroepen op zijn beschermingsplicht — want wie bescherming selectief toepast, ondergraaft haar fundament.
*Henk C. Jonkhoff is ondernemer.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!






















