Soldaat Jozef Gepken, luchtmobiele brigade: ‘Russen of Taliban, dat maakt geen verschil. Als ze vuren, dan vuur je terug’

WW Vrijsen 19 mei 2026
Jozef Gepken diende in 2007 als soldaat in Uruzgan. Nu geeft hij onder meer gastcolleges aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA). Foto: Gerard Wessel.

Artikel beluisteren

Jozef Gepken vocht als soldaat in Uruzgan en vertelt nu aan officieren in opleiding hoe dat is: je vijanden uitschakelen om zelf te overleven. ‘Na afloop is het net als de eerste keer seks: was dit het nou?’

‘Wederopbouwmissie,’ was de politieke kwalificatie van de militaire inzet in Afghanistan tussen 2006 en 2014. Bijna 30.000 Nederlandse militairen dienden in dat land. Het oogmerk was ‘3D’: defensie, development (ontwikkeling) en diplomatie. Soldaten sloegen waterputten en legden asfaltwegen aan. Ze beveiligden vergaderingen van dorpsoudsten en droegen eraan bij dat meer kinderen naar school gingen.

Maar ‘wederopbouwmissie’ was ook een politieke kreet van centrumrechtse kabinetten om steun te krijgen van de linkse oppositie. Het was een eufemisme, want uiteindelijk bleek ook in de Afghaanse provincie Uruzgan wat een kerntaak is van soldaten: dodelijk geweld toepassen. Naast alle goede ‘cimic’-werken (civiele – militaire samenwerking) komt het werk van een militair uiteindelijk neer op zo nodig schieten.

Vastigheid en zelfvertrouwen

Over het doden van je vijand wordt in Nederland meestal besmuikt gesproken. Zelfs in het leger worden eufemismen gebruikt als ‘buiten gevecht stellen’ of ‘neutraliseren’. Maar kapitein Jozef Gepken (43) van het 11 Infanteriebataljon Garderegiment Grenadiers en Jagers (onderdeel van de Luchtmobiele Brigade) is er eerlijk over. Hij diende als soldaat in Uruzgan en heeft een aantal vuurgevechten beleefd, waarbij hij meemaakte dat collega’s sneuvelden of zwaargewond raakten, en waarbij hij Talibanstrijders heeft gedood. Veel van zijn collega’s maakten dat ook mee, maar waarschijnlijk kan niemand de gevechtservaringen zo treffend verwoorden als Jozef Gepken.

‘Een vuurgevecht is een minder grote psychologische schok dan je zou denken,’ begint Gepken. ‘Je hebt oorlogsfilms gezien en daardoor komen veel gebeurtenissen je min of meer bekend voor. Natuurlijk moet je nu – anders dan in de bioscoop – voor je leven vrezen, maar het is eigenlijk net als de eerste keer seks. Ineens is het voorbij en denk je: was dit het nou?

‘Je bent er natuurlijk op voorbereid tijdens allerlei oefeningen en het zogenoemde opwerkingstraject voorgaande aan de militaire missie. Oorlog is chaos, maar tijdens zo’n vuurgevecht ga je behoorlijk gestructureerd te werk. Niet als een vechtmachine, zo bedoel ik het niet. Je hebt je drills, waardoor je bijvoorbeeld het aantal geloste schoten blijft tellen, zodat je weet wanneer je je magazijn moet wisselen. Dat wisselen doe je ook vanuit een automatisme, zonder er veel over na te denken. De getrainde routine geeft vastigheid en zelfvertrouwen. Daardoor valt die chaos van het gevecht wel mee, eigenlijk. Over het beschieten van je tegenstanders, het aangaan van een vuurcontact, denk je wel degelijk na. Je probeert het gevecht zo veilig mogelijk te voeren. Eerst denken, dan pas doen. Behalve als er ineens op je wordt geschoten, dan vuur je meteen terug.’

Gepken diende van juli tot december 2007 als soldaat in Uruzgan. Enkele van zijn maten kwamen om bij – wat militairen eufemistisch noemen – TIC’s. Die afkorting staat voor Troops In Contact en het betekent een direct vuurgevecht. Hij herinnert zich de eerste TIC nog precies. Het was op 20 september 2007.

‘We waren in een hinderlaag van de Taliban gelopen. Er ontstond een vuurgevecht. Op een zeker moment moest ik een betere vuurpositie innemen en daarvoor moest ik met wapen en volle bepakking een veld oversteken. Terwijl ik over dat veld rende, werd op mij geschoten. Ik hoorde kogels uit een AK-47 Kalasjnikov langs mijn oren fluiten. Kogels uit een AK-47 hebben een typisch geluid. Een heel hoge toon. Het geluid van een zweepslag. Ik heb filosofie, psychologie en rechten gestudeerd (niet afgemaakt) en in mijn jonge jaren speelde ik in bandjes. Het van jongs af aan bespelen van een muziekinstrument legt verbindingen in je hersenen. Misschien dat ik daardoor meer geprikkeld raak door bepaalde geluiden dan door beelden of geuren. Op het laatst in Afghanistan kon ik aan het geluid horen of een mortier van 107 mm, van 81/82 mm of van een kleiner kaliber op ons werd afgevuurd.

‘Dat geluid van die AK-74 hield me bezig, terwijl ik over dat veld rende. Ik was op die hoge tonen van de Kalasjnikov-kogels aan het reflecteren. Misschien dat ik daardoor geen angst voelde, althans niet meteen. Vele jaren later, toen ik al lang terug was uit Afghanistan en met mijn vrienden vakantie vierde in Tsjechië, gingen we naar een schietbaan. Bij aankomst verstijfde ik. Mijn nekharen gingen recht overeind staan. Dit was niet prettig. Ik hoorde geweerschoten. Onmiskenbaar werd op die baan met AK-47’s geschoten.’

Onbewust overlevingsinstinct

Tijdens het vuurgevecht lig je onder dekking. Je hoort dat her en der kogels inslaan, ook tegen het muurtje waarachter je dekking hebt gezocht. Of je zit in een pantserwagen en je hoort dat kogels inslaan op de carrosserie. Je instinct zegt dat je je schuil moet zien te houden, maar dan zal de vijand een granaat op je afvuren en je overrompelen. Dus moet je uit je dekking komen en terugvuren op de vijand. Je moet het gevecht winnen.

Gepken: ‘Het gevoel dat je dan hebt, is ongeveer hetzelfde als ik nu tegen jou, hier in dit café, zou zeggen dat je je ogen dicht moet doen en dat ik jou dan binnen dertig seconden wel of niet een zware stomp in je gezicht zou geven. Jij wacht in het isolement van je gesloten ogen op die vuistslag of op géén vuistslag. Dat is ongeveer wat je moet trotseren. Natuurlijk word je als militair geselecteerd op een bepaald psychologisch profiel: moed en gevechtsbereidheid. Je wordt er ook op getraind. Er is een oefening waarbij je geboeid en geblinddoekt in het zwembad moet springen. Dat traint je om vertrouwen te hebben dat je het gevecht overleeft. Je vertrouwt ook op je maten, want je weet dat je er niet alleen voorstaat. Er zijn momenten dat de angst aan je voorbijgaat. Toen ik achter dat muurtje lag, dacht ik opeens: “Is er nu wel een God?” Nee, ik kom uit een rooms-katholiek gezin, maar ik ben sinds dat vuurgevecht niet gaan geloven. Ik ben ook niet gaan roken, zoals sommigen.’

Tijdens het vuurgevecht was Gepken van alles tegelijk: bang, verdrietig, boos. ‘Er gaat van alles door je heen. Er is ook een onbewust overlevingsinstinct. We slaakten geen rauwe kreten, zoals in de oorlogsfilms. Op een bepaalde manier is het vuurgevecht heel erg Zen. Je bent je buitengewoon bewust van alles om je heen, extreem bewust van het hier en nu. Je ruikt de munitiedampen, het zweet van je maten, de geur van het zand. Je zintuigen raken zó geprikkeld dat het lijkt of ze automatisch van stand 6 op stand 11 werden gezet. Het besef van gevaar komt achteraf.’

Bij het vuurgevecht op 20 september 2007 sneuvelde zijn kameraad Tim Hoogland, een jongen van 20 jaar, net als Gepken afkomstig uit een dorp in Noord-Oost-Nederland. ‘We wisten dat hij was afgevoerd, maar wisten niet hoe het met hem was. We hoorden pas later dat hij direct dodelijk was getroffen. We waren niet eens zo ver van ons kamp in Deh Rawod, Uruzgan. Drie maanden tevoren was de slag om de Choravallei, waarbij de Nederlanders een grote hoeveelheid Taliban-strijders verdreven. Die trokken rond en verplaatsten zich begin september naar de omgeving van Deh Rawod. Wij arriveerden al een paar maanden daar en waren gewend aan een normaal straatbeeld. Opeens zagen we geen vrouwen en kinderen meer in het stadje. De straten waren goeddeels verlaten. Je zag alleen nog military aged men. Het was de beklemmende sfeer van een spookstad in een western. We hebben er een uitdrukking voor: “Het spek begint te stinken.” Tijdens een patrouille hielden we een busje staande, waarin acht mannen zaten. Overduidelijk waren het Talibanstrijders, maar ze waren niet bewapend en op grond van onze geweldsinstructie moesten we hen laten gaan. Dat was het moment dat we het dichtst bij de vijand kwamen. Ook wel een beetje soldatenromantiek: we wisten van elkaar dat we elkaar nog eens zouden treffen, waarschijnlijk op het slagveld. Een paar dagen later was het inderdaad zover.’

Er is geen plaats voor mededogen met je tegenstander. Gepken: ‘Tot op zekere hoogte is het functioneel om je tegenstander te de-humaniseren. Het militaire taalgebruik kent daarvoor eufemismen. TIC is een vuurgevecht. Neutraliseren betekent uitschakelen. OPFOR staat voor opposition forces en dat is je vijand. Dit hoort bij de professionalisering van het geweldsgebruik. In je taal neem je afstand tot degene die je moet bestrijden. Maar schelden werd niet getolereerd. Als leden van je peloton beginnen over ‘kut-Afghanen’ ontstaat verloedering en normvervaging. Dat kan ontaarden in geweld tegen onschuldige burgers. Woorden als “haatbaarden” en “jurken” waren taboe, want ook daarmee ben je verkeerd bezig.’

Morele zuiverheid

Morele zuiverheid is geboden, want alleen dan is het doden van je tegenstander te billijken. Gepken: ‘Tijdens diverse vuurgevechten heb ik op tegenstanders geschoten en ik weet vrijwel zeker dat ik sommigen heb gedood. Mijn rechtvaardigheid daarvoor is tweeledig. Ik geloofde in onze missie. Het besluit tot uitzending naar Uruzgan werd genomen door de Tweede Kamer der Staten-Generaal, die door de Nederlandse bevolking was gekozen. Als militair ben ik het instrument van de wil van het Nederlandse volk. Ik stond er ook zelf achter. Ik sta er nog steeds achter. Dat is mijn tweede rechtvaardiging. Wij gingen naar Uruzgan om daar het terrorisme te bestrijden en de zwakkeren te beschermen. Ik was bereid daarvoor mijn leven te geven. Ik zie mezelf graag als idealist. Zie wat er nu gebeurt in Afghanistan en je gelooft echt weer in onze missie.’

Tijdens een vuurgevecht zoek je niet naar ideologie. Dan is het puur overleven. ‘Is onze westerse filosofie beter dan die van de Taliban? Misschien, maar tijdens zo’n vuurgevecht is dat niet relevant. Dan strijd je niet voor dat soort dingen, je strijdt niet eens voor jezelf. Je doet het alleen voor de man die naast jou achter dat muurtje ligt. Lijfsbehoud voor je maten en dan pas voor jezelf. In die volgorde. Achteraf denk ik: die mannen die ik gedood heb, zijn ook ooit een jongetje van zes jaar geweest, dat graag met een bal speelde of eens lief werd geknuffeld. Maar ja, ze hadden de pech ons peloton te treffen en toen kwam het tot dat vuurgevecht. Tijdens het schieten, zie je hen niet als voormalige jongetjes van zes. Pas nu ik er bijna twintig jaar na dato aan terugdenk, realiseer ik me dat ze ooit ook kinderen waren. Van alles wat er gebeurde en wat ik toen deed, is dat het moeilijkste om te verwerken.’

Met wie moest hij, terug in Nederland, delen wat hem was overkomen? ‘Ik had bij thuiskomst moeite aan mijn ouders te vertellen dat ik mensen had gedood. Ik kom uit Barger-Compascuum, een dorp in Drenthe. Op een dag vertelde ik het thuis aan mijn vader. Die reageerde heel nuchter: “Je moest doen wat je deed.” Later droomde ik een keer dat ik samen met mijn vader op het dak van de garage bij ons thuis een vuurpositie hadden ingenomen en dat Talibanstrijders op ons afstormden. Wij lagen achter zandzakken op het dak van de schuur en openden het vuur. Ik vertelde hem over die nachtmerrie. Ook toen reageerde hij zonder afkeuring, zonder waardeoordelen, begripvol. Hij vroeg uit welke richting die Taliban kwamen. Dat was ongekleurde belangstelling en daaruit sprak warmte. Mijn vaders nuchterheid heeft mij geholpen.’

Soldaten houden het nu eenmaal graag feitelijk. Geen paniek of emotionele uitbarstingen. Nuchter kijken uit welke richting de vijand op je afkomt: uit het dorp of vanaf de hei. Alleen dat helpt je te begrijpen wat er is voorgevallen.

Gepken: ‘Onder soldaten is zwarte humor een methode om met stressvolle herinneringen om te gaan. Op het kamp in Uruzgan hadden wij in de verblijfsruimte van ons peloton een whiteboard waarop we met vilstift noteerden hoe vaak we direct beschoten werden, hoe vaak we indirect vuur meemaakten en hoe vaak we bermbommen hadden aangetroffen. Die laatste categorie hadden we onderverdeeld in: a) opgespoord en b) overheen gereden en geëxplodeerd. Onze oorlogsinspanning als een morbide scorebord. Uit de psychologie weet ik dat het een strategie is om je herinneringen te verwerken.’

Onderzoek naar leiderschap

Na het half jaar in Uruzgan verliet Gepken in het leger om er na drie jaar weer in terug te keren. In 2016 ging hij de Militaire School (onderofficiersopleiding) en in 2019 naar de Koninklijke Militaire Academie (officiersopleiding). Hij doorliep de rangen en is nu kapitein.

‘Na terugkeer uit Afghanistan, werd ik benaderd door de Nijmeegse antropoloog professor Tine Molendijk die onderzoek deed naar leiderschap in gevechtssituaties. Zij vroeg mij ook over mijn ervaringen te vertellen aan haar studenten van de NLDA, de Nederlandse Defensie Academie. Ik geef nu gastcolleges over leiderschap en ethiek.’

Hoe reageren de Cadetten op zijn verhaal? ‘Elke klas is natuurlijk een tikkeltje anders. In het begin sta ik als kapitein met rode baret en parachutisteninsigne tegenover ze. Ik ben nogal groot van gestalte en ik snap dat ik behoorlijk intimiderend kan zijn. Maar ik ben benaderbaar, warm en durf me kwetsbaar op te stellen. Ik vind dat je als commandant dat ook moet doen, jezelf kwetsbaar tonen. Als dat duidelijk wordt bij de leerlingen, beginnen ze open vragen te stellen, ze worden directer, persoonlijker. Dan geven ze zichzelf ook bloot. Ze stellen de vragen over geweldsgebruik die ze ook aan zichzelf stellen. Dat is de betekenis van die gastcolleges.’

Eerst nadenken, dan pas doen. Gepken, commandant van een compagnie (circa honderd militairen), is overtuigd van de ‘opdracht gerichte commandovoering’: militairen moeten vooraf nadenken over hun tactieken en desnoods hun commandant weerspreken. ‘We gaan de strijd aan als een groep militairen die wil nadenken over geweldsgebruik. Voorafgaand aan een opdracht stelt iedereen talloze vragen aan de commandant. Dit staat volledig haaks op het idee van militairen die als een vechtmachine alleen maar uitvoeren wat van hogerhand wordt bevolen. Nee, we willen het zo goed mogelijk doen en daarom stellen we eerst alle mogelijke vragen aan de commandant. De compagnie, het peloton, de groep bestaat uit nadenkende gasten, die kritische vragen stellen, zo lang als daar nog tijd voor is. Dat is wat ik wil uitdragen.’

Maakt het een verschil of hij in een toekomstige oorlog tegenover een andere soort vijand zal staan? Zijn de Russen in moreel opzicht een andere tegenstander dan de Taliban?

‘Nee, dat maakt geen verschil. Dat ligt besloten in mijn opmerking dat wij als militairen het instrument zijn van de Nederlandse Staat. Waar wij nodig zijn, daar gaan wij.’

Eerbetoon

‘In Nederland hebben we gewoon slimme soldaten, die ergens voor staan. Ze zijn overtuigd van hun missie. Je hoort wel eens over “sneuvelbereidheid” en “je kiest er toch voor om te sterven”. Maar dat is onzin. Je kiest daar niet voor. Je kiest ervoor je land te dienen, om iets te doen wat een mensenleven waard is. Dat is geen sneuvelbereidheid, maar gevechtsbereidheid.’

‘Pas na het vuurgevecht op 20 september 2007 hoorden we dat Tim Hoogland was gesneuveld. Moeilijk te accepteren dat een van ons was omgekomen. Hij werd nog naar de eerstehulppost overgebracht, maar hij was al overleden. We zouden hem nooit meer levend terugzien. Hij was een van de mitrailleurschutters in ons peloton. Weet je wat ik mooi vind aan het leger? Tim werd de eerstehulppost binnengebracht met zijn wapen nog bij zich en na zijn overlijden heeft iemand van het hospitaal dat wapen heel zorgvuldig gereinigd om het op een gepaste manier aan ons terug te kunnen geven. Een paar dagen later werd Tims Minimi-mitrailleur bij ons terugbezorgd. Het schoonmaken van een bebloede mitrailleur is geen fijn klusje. Elk onderdeeltje moet eruit worden gehaald en afzonderlijk worden schoongemaakt. Heel confronterend, omdat je weet dat de soldaat is omgekomen. Maar iemand van het hospitaal heeft die klus op zich genomen. Hij of zij wist hoe dat precies moest en wilde ons er niet mee belasten. We kregen het wapen in de oorspronkelijke staat terug. Het was als een eerbetoon aan Tim. Dat voelde goed.’

Terug naar Uruzgan

Een paar maanden geleden is Jozef Gepken voor het eerst vader geworden. Kijkt hij nu anders terug op zijn periode in de oorlogszone?

‘Er komt een dag dat ik mijn zoontje over dat vuurgevecht moet vertellen. Het is een dilemma. Moet je wel of niet vertellen dat je mensen hebt gedood? Als ik het vertel, hoop ik dat hij met dezelfde nuchterheid zal reageren als mijn vader. Dat ook hij zegt dat ik moest doen wat ik deed. Er zijn mensen die mij nu vragen of ik mijn zoon zal tegenhouden als hij ooit in het leger wil gaan. Je eigen kind als soldaat? Volmondig ja. Als ik voor een goede zaak mag strijden, dan mag hij dat ook. Zo werkt het. In mijn gezin en in mijn compagnie. Ik zal nooit iets van mijn kerels in de compagnie vragen wat ik zelf niet ook zou doen. Moeten zij iets doen, dan ik ook.’

‘Afghanistan is nu in handen van de Taliban en je ziet wat er gebeurt. Het is nu onmogelijk om er naartoe te reizen, maar zodra het kan, ga ik nog eens naar Uruzgan om de plek te bezoeken waar ik het gevecht heb gevoerd.’

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!