Binnenlaten of niet: Het oudste probleem ter wereld

PaulFrentrop 26-5-26
‘Omdat wij niet zelf de vreemdelingen kiezen die we binnenlaten, maar we iedereen die zich aanmeldt onderdak bieden, zijn we beland in de chaos.’ Beeld: nipv.nl

Artikel beluisteren

‘We hebben de instroom niet onder controle,’ zo luidt de ambtelijke formulering van een veel voorkomend probleem. Een steeds vaker voorkomend probleem. Vandaag de dag horen we het de minister van Financiën zeggen als hij het heeft over de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en horen we het de minister van Asiel en Migratie denken als hij verwijst naar het Europese immigratiepact.

Misschien zei de West-Romeinse keizer ook wel ‘we hebben de instroom niet onder controle’ toen in de koude oudejaarsnacht van het jaar 406 grote groepen Vandalen, Bourgondiërs en andere onverlaten de bevroren Rijn overstaken om Gallië te plunderen. En misschien was het woord ‘volksverhuizing’ onder Romeinen toen wel net zo taboe als het woord ‘omvolking’ tegenwoordig in Hilversum en Den Haag.

Maar in de eerste vijftien eeuwen na de ondergang van het Romeinse Rijk deden zich met uitzondering van de komst van de Noormannen geen al te grote problemen meer voor met het onder controle houden van de instroom. Stadsmuren en een burgerwacht waren tot aan de Franse Revolutie voldoende om vagebonden te weren. Toen kwam het nationalisme op en werd de bewaking verlegd naar de landsgrenzen. Ook dat werkte. Toen kwam de verzorgingsstaat en kreeg iedereen alles. En toen raakte het geld op. Dat veranderde de zaak.

Instroomproblemen alleen publiek, nooit privaat

Vóór de grote stakingen in 1995 tegen de plannen van het kabinet-Kok met strengere toelatingseisen voor de WAO-uitkering hoorde je nooit iets over problemen met ‘instroom’. Drie decennia later hebben we instroomproblemen bij de vleet. Maar alleen bij de overheid. Luchtvaartmaatschappijen hebben geen zwartrijders. Privé-klinieken hebben geen wachtlijsten. De overheid echter maakt het zichzelf steevast moeilijk bij het reguleren van ‘instroom’ want hij wil gelijkheid. Maar instroom reguleren betekent nu eenmaal ongelijkheid aanbrengen. De een mag binnen, de ander niet.

Pogingen dit dilemma te omzeilen beginnen potsierlijk en eindigen triest. Zo kunnen volgens de WIA artsen vaststellen hoeveel procent iemand arbeidsongeschikt is, maar gebrek aan mensen met deze magische vaardigheid leidt tot een wachttijd van een jaar of meer. De oplossing is gevonden in verkwistend en onwettig overheidshandelen: Iedere aanvrager krijgt een uitkering die niet hoeft te worden terugbetaald als blijkt dat die onterecht was.

Ook bij de instroom in het hoger onderwijs, worstelt de overheid met de controle. Van oudsher was het toelatingsexamen daar het instrument. Maar de moderne overheid vreest de lat te hoog te leggen. Waarom in hemelsnaam? Inderdaad zakte Albert Einstein in 1895 op zijn 16de voor zijn toelatingsexamen voor het Zwitserse Instituut voor Technologie in Zürich. Hij scoorde hoog op wis- en natuurkunde, maar bakte niets van talen, geschiedenis en biologie. Maar na een jaar van bijles slaagde hij in 1896 alsnog.

Loten om toegang

Vier van de acht geneeskunde-faculteiten organiseren inmiddels buiten de Wet op de kansspelen om een loterij. Soms is er een voorselectie en moet alleen de rest loten. De gemiddelde kans om in te stromen ligt onder de 30 procent. (De Postcodeloterij maakt de kans iets te winnen ruim 20 procent. Dat is blijkbaar het juiste percentage om mensen te verleiden mee te blijven doen). Mensen die hechten aan gelijke kansen vinden 30 procent kans op een studieplek niet erg. Het gaat hen om de gelijkheid, niet om hoe hoog de kans is. Maar ze zouden het wel erg vinden als een toelatingsexamen zo moeilijk was dat slechts 30 procent van de kandidaten slaagde. Dan zien zij ongelijkheid.

Die is er nu ook bij andere studies met numerus fixus waar zich meer buitenlandse studenten aanmelden dan Nederlandse. Daar maken Nederlanders per definitie minder kans. Dat vermindert de xenofilie.

Leven = instroom controleren

De natuur kan wel instroom controleren. Dat heet leven. De bouwsteen van het leven, de cel, heeft een wand, die wat binnen gebeurt scheidt van wat zich buiten afspeelt. Instroom controleren is de kern van het leven. Instroom controleren is het probleem dat het eerste levende wezen wist op te lossen.

Ademhaling en spijsvertering zijn processen om instroom (en uitstroom) te controleren. Meercellige organismen die via een bloedsomloop stoffen transporteren zijn een soort van biologische Schengen-zone maar blijven de binnengrenzen controleren. Ze hebben witte bloedlichaampjes die als speciale grenspatrouilles insluipers onschadelijk maken.

Culturele instroomcontrole

Op cultureel en maatschappelijk niveau gebruiken mensen rituelen om buitenstaanders binnen te laten in de groep. Bijvoorbeeld het huwelijk, van oudsher een ritueel om entree in een familie te markeren en bevestigen. Het meest ouderwetse ritueel is de ferme klap waarmee een douanebeambte zijn stempel in uw paspoort drukte.

Instroom van ideeën uit andere culturen verloopt meestal volgens de drie stappen translatio, imitatio en aemulatio (vertaling, nadoen en overtreffen) die we in de renaissance zo mooi zagen, maar nu nog slechts zelden. Men aapt gewoon na.

Het moeilijkst te organiseren in een maatschappij is de instroom in de hogere klasse. De eerste elite deed dat met wapengeweld en noemde zich adel. Kapitalisme maakte dat proces iets vreedzamer. Het gebruikt geld als middel om de instroom te controleren.

Inwoners kunnen binnen de Europese Unie vrijuit verhuizen, maar iedere gemeente kan via het uitgeven van huisvestingsvergunningen de instroom controleren. Op Terschelling bijvoorbeeld mag je alleen wonen in een huis met een huur van onder de 1562 euro per maand of een koopprijs onder de 750.000 als je al maatschappelijk of economisch gebonden bent aan die gemeente.

Maar voor mensen die Nederland binnendringen zonder maatschappelijk en economisch te zijn gebonden geldt zoals Arnout Jaspers vorige week citeerde uit het nieuwe EU immigratiepact: ‘Tijdens de screening en de grensprocedure hebben personen geen toestemming om het EU grondgebied te betreden, maar ze hebben wel het recht om te verblijven.’ En verblijven is wonen.

Maar waar? In de ‘spoednoodopvang’ bedacht de wetgever. Zulks wekt wrevel. ‘Geweld is nooit de oplossing’ zeggen dan politici die door de Romeinse keizer voor gek zouden zijn verklaard. En wie erop wijst dat als in Utrecht nieuwe woningen niet meer toegelaten worden tot het stroomnet er daar geen plaats is voor immigranten, wordt door de hoofdredactie van Trouw welgemoed beticht van een niet op feiten gebaseerde mening.

Instroom en economie

De economische wetenschap bekijkt instroom van twee kanten. Enerzijds heeft zij de collectieve goederen bedacht. Geen enkel individu kan worden uitgesloten van het gebruik daarvan, zo luidt de definitie. De instroom is dus open maar consumptie door de een gaat volgens dezelfde definitie niet ten koste van een ander. Er is genoeg voor iedereen. Dat is in het echt natuurlijk nooit het geval.

Anderzijds weet de economie dat iets in waarde stijgt naarmate je moet betalen om binnen te komen. Gratis toegang bieden is daarom zelden aan te raden. Dat verlaagt de kwaliteit. Dat geldt voor gratis openbaar vervoer, voor een ziektekostenverzekering zonder eigen risico en voor onderwijs.

Niet-financiële entreekaartjes

Een toegangsprijs hoeft niet altijd in geld te worden voldaan. Neem bijvoorbeeld de vernederingen die moeten worden doorstaan om een studentenvereniging binnen te stromen. De ‘feuten’ hebben die er graag voor over en een van de wonderen van de mens is dat zo vriendschapsbanden voor het leven worden gesmeed.

Ook godsdiensten eisen niet financiële offers. Volgens Laurence Iannaconne, een econoom die godsdienst onderzoekt, biedt een godsdienstige gemeenschap een collectief goed (wederzijdse hulp) en moeten gelovigen om free rider-gedrag te voorkomen zichtbare offers brengen. Je kunt immers niet zien wat iemand gelooft, wel wat hij doet. Op zondag de kerk bezoeken en het altijd een hoofddoekje dragen zijn beide middelen om de instroom onder controle te houden.

Binnen op uitnodiging

Zo tobt de moderne mens wat af in zijn pogingen om iets te doen wat eencelligen al vier miljard jaar kunnen. Het fraaiste middel om instroom onder controle te houden blijft natuurlijk de uitnodiging. Dat kan met een gegraveerd kaartje of met een vriendelijk woord en gebaar. Zo is rond 1973 ook het Nederlands asielbeleid begonnen. Mensen die zuchtten onder rechtse dictaturen in Chili en Argentinië werden via onze ambassades aldaar geselecteerd en vervolgens uitgenodigd om hierheen te komen. Allerlei – veelal kerkelijke – mensen vormden werkgroepen om hen te helpen hier een bestaan op te bouwen. Om dat vrijwilligerswerk te doen moest je destijds Spaans kunnen spreken. Toen bedacht iemand in 1979 dat dit eigenlijk een overheidstaak was en de regering vroeg al die vrijwilligers zich in een stichting vluchtelingenwerk te organiseren, zodat de overheid die taak aan hen kon uitbesteden.

Onderscheid maken moet

Maar een overheid die zich wettelijk heeft gebonden om geen onderscheid te maken tussen vreemdelingen zal nooit de instroom onder controle krijgen. Omdat wij niet zelf de vreemdelingen kiezen die we binnenlaten, maar we iedereen die zich aanmeldt onderdak bieden, zijn we op nationaal niveau beland in wat op 21 september 2012 gebeurde in het Groningse dorp Haren, toen een meisje de aankondiging van haar verjaardagsfeest voor iedereen zichtbaar op Facebook had geplaatst: chaos.

De fraaiste formulering van de noodzaak om instroom te controleren dateert alweer van een eeuw geleden: ‘Als het huis openstaat voor iedere voorbijganger is het geen thuis meer, maar een herberg.’ Julien Benda haalde die aan in ‘Het verraad van de intellectuelen’ uit 1927.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!