Slecht lezen van Nederlandse leerlingen hangt samen met wanorde in de klas en gebrek aan motivatie en discipline

RobertHamerslag 17-9-26
In ruim een derde van de lessen Nederlands heerste volgens leerlingen lawaai en wanorde en vaak moest de docent lang wachten voordat het stil was. Beeld: klassenkracht.nl

Artikel beluisteren

Volgens de resultaten van PISA 2025 (Programme for International Student Assessment), die deze week werden gepresenteerd, is de leesvaardigheid van Nederlandse scholieren opnieuw gedaald. De coronapandemie kan daarom niet langer als verklaring voor de vorige neergang in 2022 dienen. De daling was al eerder ingezet en het herstel blijft uit.

Afgezien van de leesvaardigheid waren de Nederlandse resultaten relatief gunstig. Nederland presteert internationaal nog goed in wiskunde, gemiddeld in natuurwetenschappen en redelijk in computational problem solving. Alleen bij leesvaardigheid gaat het dus dramatisch fout. Nederlandse leerlingen blijken dus niet minder slim dan hun Europese leeftijdgenootjes, maar waarom lezen ze dan zo slecht?

Een leesles in groep 6

Juf Femke van groep 6 geeft de klas twintig minuten om een verhaaltje te lezen. Na twee minuten gaat de eerste vinger omhoog.
‘Juf, hoeveel bladzijden zijn dit wel niet?’
‘Zes.’
Een zucht van ontevredenheid gaat door het lokaal. Een leerling bladert alvast naar het einde. Twee jongens hebben hun telefoon al onder de tafel. Wanneer de leerkracht na afloop vragen stelt over de inhoud, kunnen de meeste leerlingen de hoofdpersoon wel noemen, maar nauwelijks navertellen waar het verhaal over gaat. Enkele leerlingen zijn halverwege blijven steken.

In de lerarenkamer vertelt de juf over de mislukte les. Collega’s helpen graag. Was het niveau van de tekst te moeilijk? Had zij vooraf meer moeilijke woorden moeten uitleggen? De opdracht beter moeten structureren? Meer moeten differentiëren? Misschien de volgende keer eerst een filmpje laten zien, de tekst in kleinere stukken verdelen of na een aantal alinea’s klassikaal vragen stellen?

De gemiddelde leesvaardigheidsscore van Nederlandse 15-jarigen bedroeg in 2025 441 punten, 18 punten minder dan in 2022. Nederland scoorde daarmee 23 punten onder het gemiddelde van 464 van de EU14-vergelijkingsgroep. De EU14-groep bestaat uit veertien West-Europese landen die al lange tijd aan PISA deelnemen, waaronder Nederland zelf.

Sinds 2015, toen Nederland 503 punten behaalde, is de score met 62 punten gedaald. Alleen Griekenland deed het nog slechter. Ook groeide het verschil tussen meisjes en jongens: van 24 punten in 2015 tot 35 punten in 2025, steeds in het voordeel van meisjes.

Aantal functioneel analfabeten verdubbeld

Deze achteruitgang is geen typisch Nederlands verschijnsel. Nederland valt echter op door de omvang ervan. Tussen 2015 en 2025 verloor Ierland 21 PISA-punten, Estland 20, België 33, Zweden 34, Denemarken 40, Duitsland 44 en Finland 52. Ik herhaal: Nederland verloor in dezelfde periode 62 punten. Geen van de hier genoemde landen kende een grotere daling.

Die terugval vertaalt zich in het aandeel leerlingen dat volgens PISA het minimale leesniveau niet haalt. In 2025 bereikte 61 procent van de 15-jarige scholieren tenminste niveau 2, tegenover 69 procent gemiddeld in de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, die 38 landen telt).

Niveau 2 geldt als het basisniveau waarop leerlingen de hoofdgedachte van een tekst van gemiddelde lengte kunnen herkennen en informatie volgens expliciete criteria kunnen vinden. In Nederland bleef 39 procent onder dit niveau. Dat aandeel lag in 2015 twintig procentpunt lager: in 2015 behaalde nog ongeveer 81 procent tenminste niveau 2. Het aantal leerlingen met functioneel analfabetisme is dus in tien jaar meer dan verdubbeld.

De leerlingenpopulatie verandert

Het aandeel leerlingen met een migratieachtergrond in Nederland nam volgens de PISA-definitie toe van ongeveer 11 procent in 2012 tot 14 procent in 2022. Volgens CBS-cijfers is deze toename 6,9 procentpunt. We gaan dan uit van leerlingen met tenminste één buitenlandse ouder. De beperkte groei van 3 tot 6,9 procentpunt kan wel een deel van het lagere gemiddelde verklaren, maar is niet de hoofdoorzaak. Bovendien zijn er andere landen met een vergelijkbare stijging van de groep leerlingen met een migratieachtergrond waar de leerresultaten niet zo dramatisch zijn gekelderd als in ons land.

Weinig leesplezier

Wel een plausibele verklaring is het gestaag dalende leesplezier. Al in PISA 2018 werd deze achteruitgang duidelijk. Ten opzichte van 2009 was het leesplezier verder afgenomen en zijn scholieren nog minder gaan lezen. In andere landen scoorden het leesplezier en leesgedrag eveneens lager, terwijl de leesprestaties daar toch hoger bleven. Het blijkt een bredere internationale ontwikkeling, met vooral in Nederland grote gevolgen. Er bestaat bovendien een duidelijke samenhang tussen leesgedrag en leesprestaties. Leerlingen die vaker voor hun plezier en langere teksten lezen, behalen gemiddeld hogere leesscores.

De PIRLS 2021 (Progress in International Reading Literacy Study) liet zien dat bij Nederlandse tienjarigen tussen 2016 en 2021 zowel de leesvaardigheid als het leesplezier was gedaald. Dit wordt ondersteund door meer onderzoek dat laat zien dat het leesplezier inderdaad al rond het midden van de basisschool afneemt, al bestaat geen duidelijkheid over het precieze moment (ik schat vanaf groep 5).

School als tijdverspilling

Na lezing van het PISA-rapport kan een akelig beeld overblijven van ongemotiveerde Nederlandse kinderen die school niet bijzonder waardevol vinden. Dat beeld verdient echter nuancering: verschillende aspecten van motivatie wijzen niet allemaal in dezelfde richting en kunnen zowel oorzaak als gevolg van onderwijservaringen zijn.

Nederlandse leerlingen vallen in de eerste plaats op door hun houding tegenover het leren. In PISA 2025 zei 67 procent nieuwsgierig te zijn naar veel verschillende dingen, tegenover 73 procent gemiddeld in de OESO-landen. 48 procent zei extra moeite te doen wanneer het werk moeilijk wordt: het OESO-gemiddelde was 60 procent. 35 procent vond dat school tijdverspilling was, tegenover 24 procent in de OESO. Verder onderschreef 62 procent een ‘groeimindset’ tegenover 69 procent in de OESO (leerlingen met een zogenaamde groeimindset geloven dat zij hun vaardigheden door oefening kunnen ontwikkelen). Ongeveer 32 procent zei vaak of zeer vaak zijn aanpak bij het huiswerk te plannen. Het OESO-gemiddelde was 37 procent.

Deze cijfers onthullen een ongunstig beeld waarin tegenvallende leesresultaten samengaan met relatief weinig waardering voor school, een geringe leesmotivatie en minder doorzettingsvermogen bij moeilijke opdrachten.

Leerlingkenmerk gevolg van school of wisselwerking?

Juist daarom is de vraag waarom Nederlandse leerlingen steeds slechter lezen zo interessant. Op andere gebieden, zoals wiskunde, presteren zij internationaal nog altijd relatief goed. Leerlinggedrag biedt mogelijk een deel van de verklaring. Onderwijs kan belangstelling en doorzettingsvermogen aanwakkeren, maar ook laten uitdoven. Leerlingen kunnen minder goed presteren, terwijl aanhoudende negatieve leerervaringen hun motivatie verder kunnen ondermijnen.

Aan de andere kant scoren Nederlandse leerlingen internationaal zeer hoog op welbevinden. Maar het is dus niet zo dat zij dan ook gemotiveerder zijn om te lezen.

Leesonderwijs verbinden met andere vakken

De Inspectie van het Onderwijs benadrukt dat de onderwijskwaliteit sterk tussen scholen verschilt en dat scholen veel van elkaar kunnen leren. Tegelijkertijd zorgen de nieuwe kerndoelen voor duidelijkere en meer samenhangende verwachtingen. Er is inderdaad veel bruikbare kennis beschikbaar: daarvoor hoeft geen geheel nieuwe onderwijsfilosofie te worden uitgevonden.

Taal- en leesonderwijs verbinden met andere vakken is een goed onderbouwde richting, maar zo’n aanpak vraagt om een gemeenschappelijke visie, voortdurende professionalisering en goede organisatorische voorwaarden. De grootste uitdaging is dan ook niet het bedenken van nóg een nieuwe aanpak, maar het vertalen van bestaande kennis naar een samenhangende praktijk die wordt volgehouden. Daarbij is een cruciale rol weggelegd voor de schoolleider, die richting moet geven, samenwerking moet organiseren en moet bewaken dat goed leesonderwijs niet afhankelijk blijft van enkele bevlogen leraren.

PISA 2025 legt een ongemakkelijke waarheid bloot: Nederlandse scholieren verliezen niet alleen in fors tempo hun leesvaardigheden, maar lijken ook steeds minder bereid moeite te doen zodra lezen lastig wordt. In eerder onderzoek zei ongeveer 60 procent van de Nederlandse vijftienjarigen alleen te lezen omdat het moest of om informatie op te zoeken. Bij jongens was de leesweerstand sterker dan bij meisjes. Bevindingen van het Kohnstamm Instituut sluiten daarbij aan: jongens bleken gemiddeld minder gemotiveerd, hadden een negatievere schoolbeleving en zetten zich minder in voor school dan meisjes.

Er klinkt geregeld de klacht dat leerlingen ongemotiveerd zijn. Motivatie is echter geen vaste karaktereigenschap waarmee een leerling ’s ochtends de klas binnenkomt. Deze wordt mede door school gevormd. Leesplezier, zelfbeeld, leesgedrag en leesvaardigheid hangen met elkaar samen (zie bijvoorbeeld Houtveen, Van Steensel & De la Rie, 2019).

Ordeverstoringen

Er zijn al eerder aanwijzingen dat lessen in Nederland wanordelijker verlopen dan elders. In eerder PISA-onderzoek (2018) vielen Nederlandse vijftienjarigen op door hun negatieve gedrag in de klas. In ruim een derde van de lessen Nederlands heerste volgens leerlingen lawaai en wanorde en vaak moest de docent lang wachten voordat het stil was. Bijna vier op de tien leerlingen rapporteerden dat de klas in de meeste of alle lessen pas laat aan het werk ging. Binnen de OESO-landen was dat gemiddeld ongeveer één op de vier.

Leerlingen die voortdurend met ordeverstoringen worden geconfronteerd scoren aanzienlijk lager op leesvaardigheid. Juist met lezen telt rust in de klas zwaar mee. Een langere tekst lezen vraagt immers dat een leerling informatie vasthoudt, verbanden legt. Rust en concentratie zijn hierbij voorwaardelijke factoren. Gebrek aan motivatie en groeiende schoolhekel kunnen weleens veel belangrijker blijken te zijn dan gedacht.

Oude gewoonten niet meer vanzelfsprekend

Scholen proberen nu het leesonderwijs zoveel mogelijk met andere vakken te verbinden. Tegelijkertijd moeten zij leerlingen helpen bij het ontwikkelen van gedrag dat leren mogelijk maakt: concentratie, motivatie, doorzettingsvermogen en (zelf)discipline. De gewoonten waarop het onderwijs van oudsher vertrouwde, zijn immers niet meer vanzelfsprekend. Zonder die gezamenlijke inspanning dreigt juist het lezen – een basisvaardigheid die vrijwel al het andere leren mogelijk maakt – voor deze groeiende groep jongeren het kind van de rekening te worden.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!