De VVD is dol op baantjes, maar bang voor liberaal beleid – en daarvoor bestaat een logische reden
Artikel beluisteren
Politieke partijen, zo weten we allemaal, bestaan in diverse soorten en maten. Je hebt – om maar eens wat te noemen – grote en kleine partijen, oude en jonge, rijke en arme, maar natuurlijk ook rechtse en linkse en landelijke en lokale partijen.
Amerikaanse en Britse politicologen zijn zo creatief geweest om nog een andere methode te ontwikkelen waarmee verschillen tussen politieke partijen in kaart kunnen worden gebracht.
Bij deze methode wordt niet gekeken naar oprichtingsdata, statuten, jaarverslagen of verkiezingsprogramma’s, maar naar hoe partijen zich gedragen: proberen ze het aantal stemmen te maximaliseren (‘vote-seeking parties’), zijn ze vooral uit op het beïnvloeden van het beleid (‘policy-seeking parties’) of willen ze primair posities in het openbaar bestuur veroveren (‘office-seeking parties’).
Spectaculaire groei
Hoe interessant dit model is, blijkt als we het loslaten op de VVD.
Onder leiding van Hans Wiegel – we hebben het over de jaren 1971-1982 – gebeurden met die partij spectaculaire dingen. Het liberale stemmenpercentage verdubbelde van ruim 10 naar ruim 22 procent en ook het ledental van de VVD steeg explosief: van 38.000 naar 102.000. Nooit eerder was een Nederlandse politieke partij in zo korte tijd zo snel gegroeid.
Maar die ontwikkeling heeft de afgelopen decennia niet echt doorgezet. Zo had de VVD op 1 januari nog maar 22.483 leden en staat het beste liberale verkiezingsresultaat aller tijden nog steeds op naam van Frits Bolkestein: 27,2 procent van de stemmen bij de Provinciale Statenverkiezingen van 1995. Dat is alweer meer dan dertig jaar geleden. Ter vergelijking: Dilan Yeşilgöz kwam bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2025 niet verder dan 14,2 procent.
Belangrijkste verklarende factor: de VVD toonde zich in het post-Bolkestein-tijdperk veel vaker dan verstandig was allergisch voor klassiek-liberale en conservatieve kiezers. Die zochten hun politieke heil vervolgens elders. Niet toevallig groeide het aantal Tweede Kamerzetels rechts van de VVD tussen 1998 en 2025 van 3 naar 49, een van de grootste electorale aardverschuivingen uit onze parlementaire geschiedenis. Een vote-seeking party laat zoiets niet gebeuren, dat hoeft geen betoog.
Historische kans
Zou de VVD dan misschien een policy-seeking party zijn, die eerst en vooral streeft naar het realiseren van liberale beleidsdoelen?
Als de eerste liberale premier sinds Pieter Cort van der Linden, minister-president tussen 1913 en 1918, kreeg Mark Rutte vanaf 2010 veertien jaar lang een historische kans om op belangrijke politieke dossiers een VVD-stempel te drukken.
Maar wat gebeurde er?
Geen enkele belangrijke verkiezingsbelofte werd door Rutte ingelost. Nederland kreeg niet minder, maar méér Europese Unie. Niet minder, maar méér migratie. Plus klimaat- en diversiteitsbeleid uit de koker van linkse actiegroepen.
‘De hypotheekrenteaftrek stond als een huis, tot hij werd afgebroken,’ resumeerde politiek commentator Wouter de Winther in De Telegraaf. ‘Nederlanders zouden belastingverlaging krijgen, tot Rutte dat niet waarmaakte en sorry moest zeggen. Er zou geen extra geld meer naar de Grieken vloeien, tot Rutte besloot om dat wel te doen. De teugels zouden worden aangehaald op veiligheid en justitie, tot het onder VVD-bewind verwerd tot een grote puinhoop. Er zou een streng asielbeleid komen, tot de VVD haar goedkeuring gaf aan een nieuw kinderpardon.’
Het liberalisme als zondagsleer
Een partij die centrale beleidsdoelen zo nadrukkelijk en zo langdurig negeert – zoals bekend is daar ook ná het vertrek van Rutte geen einde aan gekomen – kunnen we bezwaarlijk typeren als een policy-seeking party.
Zouden we dan – want het is de enige optie die resteert – te maken hebben met een office-seeking party?
De politieke essentie van de VVD, schreef de vermaarde journalist Hendrik Jan Schoo in 2003 in zijn Volkskrant-column, is ‘meedoen’ en ‘erbij zijn als er ambten worden verdeeld’. En inderdaad, de VVD is de enige partij die dat nu al zestien jaar op rij lukt, in zes opeenvolgende kabinetten. Het liberalisme is ondertussen een zondagsleer geworden die geen praktische invulling krijgt.
Minder te verdelen
Dat lijkt misschien vreemd, maar dat is het niet. ‘Liberalisering van markten’, schreef Schoo, ‘ontneemt politici macht en slaat ze ruilmiddelen uit handen. Wie voor liberalisering is, zaagt de tak af waarop hij zit en heeft minder te verdelen en te beloven.’
Dat willen VVD-politici zichzelf uiteraard niet aandoen. Voor de landspolitiek maakt het daarom weinig uit hoeveel office-seeking liberalen er in de Tweede Kamer of in het kabinet zitten. Het verschil zullen ze nooit maken.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!



