Waarom horen we in Den Haag niemand meer over het S-woord?
Artikel beluisteren
Bijna iedereen kent ze: familieleden, buren of collega’s die, zodra het over politiek gaat, meteen beginnen te klagen over de desastreuze gevolgen van het zogenoemde ‘neoliberalisme’. Maar weinig andere begrippen roepen bij vooruitstrevende Nederlanders zoveel afkeer op.
Het is gelukkig niet heel moeilijk om de betrokkenen van repliek te dienen. Meestal volstaat het om te informeren naar het verschil tussen neoliberalisme en ‘gewoon’ liberalisme. Er volgt dan zelden een zinnig antwoord. Neoliberalisme is namelijk eerst en vooral een etiket: dat je door anderen – lees: politieke opponenten – kan krijgen opgeplakt.
De propagandistische betekenis van het voorvoegsel ‘neo’ mag daarbij niet over het hoofd worden gezien. In de politiek heeft het een gevaarlijke klank gekregen, niet in de laatste plaats omdat het na de Tweede Wereldoorlog vaak is gebruikt in samenstellingen als ‘neonazi’s’ en ‘neofascisme’. Zeg ‘neo’ en er klinken als vanzelf sirenes en alarmbellen – precies wat opponenten van het liberalisme graag willen.
Overal socialisten
Met een andere politieke stroming – te weten het socialisme – zijn in Nederland eveneens opvallende dingen aan de hand.
Een paar decennia geleden kwam je nog overal socialisten tegen. Zo was in de Tweede Kamer tot 1989 de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) vertegenwoordigd, de laatste jaren onder leiding van Andrée van Es. De PSP wilde behalve het leger en het Nederlandse NAVO-lidmaatschap ook de mobiele eenheid, de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en de strafbaarstelling van pedofilie afschaffen. In 1990 ging de PSP op in GroenLinks, een partij waar al heel snel niks meer over pacifisme en socialisme werd vernomen.
Taaie ideologische kost
Met name in kerkelijke kring genoten de Christenen voor het Socialisme in de jaren zeventig en tachtig grote bekendheid. De beweging ontstond in Zuid-Amerika, onder aanhangers van de zogenoemde ‘bevrijdingstheologie’. De in 1974 opgerichte Nederlandse afdeling onderscheidde zich door veel sympathie voor de regimes achter het IJzeren Gordijn en had nauwe banden met vooral de DDR. Niet lang na de ineenstorting van het Oostblok hielden tevens de Christenen voor het Socialisme het in 1994 voor gezien.
Ook in boekenland kon je nog niet zo lang geleden socialisten tegenkomen. Bijvoorbeeld bij de de Socialistische Uitgeverij Amsterdam (SUA) en de Socialistische Uitgeverij Nijmegen (SUN), beide gespecialiseerd in taaie ideologische kost. De SUA hield in 1997 op te bestaan, de SUN hield het – laatstelijk als imprint – vol tot 2012.
En dan was er natuurlijk de onlangs opgedoekte Partij van de Arbeid. Het socialisme was er decennialang gemeengoed. Niet voor niks was de PvdA aangesloten bij de Socialistische Internationale, heette de eigen jeugdclub ‘Jonge Socialisten’ en droeg het orgaan van het wetenschappelijk bureau de titel Socialisme & Democratie.
‘Het socialisme heeft altijd een beweging willen zijn die mensen tot bewustzijn en activiteit brengt. Het beoogt immers anti-kapitalistische machtsvorming binnen de samenleving in al haar geledingen en dit lukt alleen als de mensen ook worden geïnspireerd om zich daadwerkelijk in maatschappelijke organisaties aaneen te sluiten en op te komen voor gelijkheid, vrijheid en solidariteit,’ zo vermeldde het in 1977 vastgestelde beginselprogramma van de PvdA.
En: ‘De afwijzing van de kapitalistische samenleving, de overtuiging, dat door actief optreden een socialistische samenleving tot stand kan worden gebracht, het inzicht dat hiervoor politieke machtsvorming noodzakelijk is en de bereidheid om zich voor de hervorming van de samenleving in te zetten, dat alles brengt inwoners van Nederland ongeacht hun levensbeschouwing of hun sociale positie samen in de PvdA, een democratische en socialistische partij.’
In de lift
Daar was geen woord Spaans bij. Maar de PvdA bestaat niet meer en het socialistische vaandel wordt in de Tweede Kamer nog slechts hooggehouden door de SP. Daarbij past echter de kanttekening dat die partij zich pas socialistisch ging noemen nadat in 1972 was gebleken dat van de oorspronkelijke naam KPNml (Kommunistische Partij Nederland marxistisch-leninistisch) weinig werfkracht uitging. Zodoende fungeerde het predicaat socialistisch bij de SP aanvankelijk vooral als vermomming. Pas in 1991 werden de marxistisch-leninistische geloofsartikelen daadwerkelijk overboord gezet.
Ondertussen zit de partij van Jimmy Dijk al jaren in de lift – naar beneden. Dankzij een onwaarschijnlijke reeks verkiezingsnederlagen kelderde het zeteltal van de SP tussen 2006 en 2025 van vijfentwintig naar drie.
Burgerlijk aftreksel
Het socialisme lijkt, resumerend, bijna volledig uit Nederland te zijn verdwenen: sluipenderwijs, not with a bang but a whimper. Natuurlijk, er zijn nog steeds partijen die zich ‘progressief’ noemen, zoals PRO en D66. Maar voor echte socialisten was progressiviteit vroeger niet meer dan een burgerlijk en dus slap aftreksel van het ware rode geloof. Iets voor kritische AVRO-leden en klanten van de Wereldwinkel.
Een fascinerend schouwspel is het wel: bijna nergens nog socialisten, terwijl het liberalisme, voorzien van een gevaarlijk klinkend voorvoegsel, vooral als schrikbeeld lijkt voort te leven. Je zou willen dat er ergens een politicoloog was die de kwestie eens grondig ging uitzoeken.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


