Vergeet stikstof. De échte reden voor de linkse haat tegen boeren en het platteland is iets heel anders
Artikel beluisteren
In het rijke oeuvre van de gelauwerde essayist Karel van het Reve (1921-1999) komen weinig passages voor over boeren. Daarvoor zou als verzachtende omstandigheid kunnen gelden dat Van het Reve, zoon van een journalist, zijn hele leven in Amsterdam woonde en hoogleraar was in Leiden. Geen stof voor een streekroman.
Toch had hij wel enige feeling met de agrarische wereld. Zo vertelt zijn biograaf Willem Melching in De zelfdenker (2023) dat Van het Reve de zomer van 1943 doorbracht in een herberg in het Gelderse Varsseveld, en dat hij daar bijstand verleende aan plaatselijke boeren. ‘Het werken op het land en de gemoedelijke sfeer bevielen Karel zo goed dat hij overwoog om een vergunning aan te vragen waarmee hij in de landbouw zou kunnen weken om zo uitstel van het werken in Duitsland te krijgen. Uiteindelijk zou hier niets van komen.’
Misschien waren zijn ervaringen in Varsseveld er wel de oorzaak van dat Van het Reve, de enkele keer dat hij de agrarische sector in zijn beschouwingen betrok, steeds buitengewoon interessante dingen beweerde.
Onzinnige theorie
Zo stelde Van het Reve in een opstel, voor het eerst gepubliceerd in het literaire tijdschrift Tirade (1960), de vraag aan de orde of de boer, krachtens zijn beroep, ongevoelig is voor landelijk schoon.
Vooral stedelingen hoor je dat vaak zeggen. De achterliggende redenering, zo legde Van het Reve uit, is dat een boer een stuk land bekijkt louter met het oog op de landbouw of de veeteelt:
‘Een “mooi” stukje land betekent voor hem een stukje land dat veel geld op kan brengen of er, in landbouwkundige zin, goed bijstaat. Voor wat “wij” de schoonheid van zo’n stuk land zouden vinden heeft hij daarom geen oog.’
Een onzinnige theorie, meende Van het Reve. Vioolbouwers worden toch ook niet per definitie onberoerd gelaten door een mooi vioolconcert? En als er een paar van zulke vioolbouwers zouden bestaan, bewijst dat natuurlijk nog niet dat een praktisch belang bij violen ongevoeligheid voor vioolmuziek in de hand werkt.
In 1969 publiceerde Van het Reve zijn klassiek geworden boek Het geloof der kameraden. Daarin demonteerde hij op sublieme wijze de geloofsartikelen van het communisme.
De communistische wereldbeschouwing, benadrukte Van het Reve, is een leer zonder enige sympathie voor de eenvoudige landman, die zich verbonden voelt met de aarde en alles wat daarop groeit.
Sterker nog, aldus Van het Reve: men stelde zich voor dat er aan die landman een einde zou komen. Niet toevallig wordt in het door Karl Marx en Friedrich Engels opgestelde Manifest der kommunistischen Partei (1848) met verachting gesproken over ‘der Idiotismus des Landlebens’. Boeren, zo vonden de oude marxisten, dienden in ‘tuinsteden’ te gaan wonen.
Verschrikkelijke hongersnood
In Rusland, het eerste land waar aanhangers van Marx en Engels aan de macht kwamen, werd de landbouw in de jaren dertig gecollectiviseerd. Daarbij kwamen zo’n zes miljoen boeren om het leven. Honderdduizenden tijdens deportaties, de meeste anderen in de jaren 1932-1933, toen er een verschrikkelijke hongersnood heerste, die door het communistische regime opzettelijk was bewerkstelligd om het verzet van de boeren te breken.
In China, het tweede grote land waar aanhangers van Marx en Engels de macht wisten te veroveren, werd de plattelandsbevolking in 1958 naar ‘volkscommunes’ gejaagd, feitelijk kampen voor slavenarbeid. Het werd de boeren niet alleen verboden thuis te eten, hun woks en fornuizen werden zelfs kapotgeslagen.
‘De grote sprong voorwaarts’ noemde communistenleider Mao zijn megalomane campagne om van agrarisch China een industriële supermacht te maken. Meer dan 45 miljoen mannen, vrouwen en kinderen werden in de jaren 1958-1962 zo afgebeuld, uitgehongerd of gemarteld dat de dood erop volgde. ‘Er daalde een angstaanjagende, onnatuurlijke stilte over het Chinese platteland,’ schreef de Brits-Nederlandse sinoloog Frank Dikötter in zijn standaardwerk Mao’s great famine (2010).
Natuurlijk, soortgelijke campagnes om de boerenstand uit te roeien staan in het Nederland van 2026 bij niemand op het programma. Maar er bestaat vooral ter linkerzijde wel degelijk ongemak over het platteland dat vérder strekt dan zorgen over bijvoorbeeld dierenwelzijn of de uitstoot van stikstof.
In de Randstad, waar het electoraat van D66 en PRO zwaar is oververtegenwoordigd en waar de progressieve opinieleiders wonen die de toon zetten aan de talkshowtafels van de NPO en in de kolommen van de Volkskrant en NRC, wordt steeds vaker met openlijke afkeer over het platteland gesproken.
Je ziet er veel rechtse kiezers die protesteren tegen azc’s en klagen over wolven – daar begint de ellende al. Paasvuren en Zwarte Piet zijn er nog steeds niet helemaal verdwenen en ook gaan nog altijd relatief veel plattelanders naar de kerk. Slechts hoogstzelden zie je een boerderij met een regenboogvlag, zelfs kringverjaardagen schijnen er nog in zwang te zijn en op veemarkten wordt naar verluidt weinig gesproken over het slavernijverleden of de boeken van Joris Luyendijk en Arnon Grunberg.
Zelfde traditie
Gaat het hier niet gewoon over ‘der Idiotismus des Landlebens’ waarover Marx en Engels reeds hun beklag deden in hun Manifest der kommunistischen Partei? En staan politici als Rob Jetten, die bij de algemene beschouwingen van 2019 hardop droomde over een toekomstig ‘Berlijn aan de Rijn’ – lees: een urbaan Nederland met hier en daar een biologische boer voor de sier ertussen – niet in dezelfde traditie als de oude marxisten die landbouwers wilden opbergen in ‘tuinsteden’?
Laten we Karel van het Reve ook postuum erkentelijk zijn voor de inzichten die hij ons nog altijd verschaft.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!


