Als progressieve ideeën destijds met het communisme sympathiseerden hoe zouden ze dan nu onze democratie kunnen redden?

6
De Franse filosoof Jean-Paul Sartre (links) rookt een sigaar met de communistische guerillaleider Che Guevara, Havana, 1960. Beeld: elpais.com.

Door Rik Torfs*

Een veelgehoord cliché wil dat onze tijd herinnert aan de jaren dertig. We horen het gestamp van laarzen al. Geregeld verschijnt een nieuwe Hitler in beeld. Kandidaten bij de vleet. De buurman bijvoorbeeld, die klaagt over overhangende takken. Of Donald Trump, zegt de krant.

Maar wat als onze tijd nu eens sterker op het begin van de jaren vijftig zou lijken? Met talloze intellectuelen, genre Sartre en Aragon, die tegen de empirische werkelijkheid in het Sovjetregime bleven verdedigen. Heel wat denkers geloofden ook toen in één enkele, objectief juiste, wetenschappelijke maatschappijanalyse die de wereld beter zou maken.

Morele superioriteit

Tijdens de Duitse bezetting stonden deze denkers aan de goede kant van de geschiedenis. Zelfs eerder. Ze hadden in de jaren dertig door dat de samenleving bezig was te ontsporen. Helaas, na de nederlaag van het nazisme meenden ze een blijvend patent op het grote gelijk te hebben. Zeker tijdens de eerste jaren van de Koude Oorlog weigerden ze de dictatuur in de Sovjet-Unie te veroordelen. Weliswaar was er soms enige twijfel, maar een veroordeling zou ‘rechts in de kaart spelen’. Die gedachte won het pleit.

Merkwaardig is hoe de keuze voor het socialisme als wetenschappelijk en moreel superieur werd beschouwd. Ook mensen met een grote reputatie trapten in de val. Neem nu de Amsterdamse filosoof professor Hendrik Josephus Pos (1898-1955), in zijn tijd een van de vermaardste intellectuelen van Nederland. Toen hij in 1948 een congres organiseerde, sloot hij alle hele of halve sympathisanten van nazisme en fascisme van deelneming uit. Martin Heidegger bijvoorbeeld. Alleen ‘vrije’ denkers waren welkom, zowel niet-communisten als communisten.

Communisten mochten van hun nieuwe aan de Sovjet-Unie onderworpen regimes veelal niet deelnemen. Toch verzette Pos zich tegen een resolutie waarin de regeringen werden opgeroepen de vrijheid van filosofisch onderzoek en onderwijs te eerbiedigen. De onvrijheid die hij terecht bij nazi’s en fascisten ontwaarde, weigerde hij bij communisten te zien. Over het eerste had hij gelijk. Over het tweede ongelijk.

In dienst van de mensheid

In 1954 schreef Pos voor een congres in Den Haag een preadvies over ‘De verantwoordelijkheid in de geesteswetenschappen’, een onderwerp dat ook vandaag een razend interessant – maar helaas veelal ontweken – discussiethema zou zijn. Pos kwam op voor een rationele, kritisch-universele geschiedwetenschap in dienst van de eenheid van de mensheid. Dat moest, zo ging hij verder, tot concrete actie leiden: ‘Het is redelijk noch zedelijk om het kennen in de vorm van verheven beschouwelijkheid af te zonderen van de praxis.’

Meer in het bijzonder had Pos veel sympathie voor het communisme en de Sovjet-Unie. Dat vloeide voort uit zijn positief ethisch en sociaal-filosofisch oordeel over de fundamentele grondslag van een socialistische samenleving, en dit in schrille tegenstelling tot het ‘egoïstische fundament van de kapitalistische maatschappij.’

De argumentatie van Pos zou die van een hedendaagse filosoof kunnen zijn. Alleen de conclusie, leidend tot sympathie voor de Sovjet-Unie, is vandaag welvoeglijkheidshalve niet langer mogelijk, daar het zogenaamd superieure systeem inmiddels is ingestort.

Vijandig tegenover vrijheid

Maar als de ‘progressieve’ ideeën van Pos destijds tot sympathie voor het communisme in de Sovjet-Unie leidden, waarom zouden ze dan vandaag plotseling behulpzaam zijn om onze democratie te redden? Als een uitgesproken rechts discours gevaar loopt om tot totalitaire keuzes te leiden, en dat doet het beslist, waarom zou het een uitgesproken links discours dan anders vergaan? Allebei verwarren ze ideologie met wetenschap. In beide gevallen wordt die laatste misbruikt om mensen met een andere mening als leugenaars van het gesprek uit te sluiten.

Als er iets het linkse, academisch aanvaarde, antifascisme met het rechtse fascisme verbindt, is het een gedeelde vijandschap tegenover de vrijheid, vanuit de gedachte dat de waarheid tegen haar moet worden beschermd. Onze tijd is niettemin geneigd een verschil te maken: het fascisme zou erger zijn. Meer zelfs, je ‘normaliseert’ het door het antifascisme op hetzelfde niveau te plaatsen. Helemaal zoals H.J. Pos redeneerde in de jaren vijftig, toen hij stelde dat kritiek op de Sovjet-Unie rechts in de kaart speelde. Vandaar mijn stelling: laten we niet enkel naar de jaren dertig kijken, maar ook naar de jaren vijftig.

Verstandig, maar ook verblind

Jean-Paul Sartre behield, als denker met een feilloze neus voor trends, levenslang communistische sympathieën. Wel brak hij met de Sovjet-Unie na het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956.

Zou H.J. Pos hetzelfde hebben gedaan? We zullen het nooit weten, aangezien hij op 25 september 1955 stierf. Het blijft dus speculeren. Enerzijds was Pos een oprecht en verstandig man, anderzijds maken die eigenschappen een mens niet immuun voor ideologische verblinding. Ook vandaag niet.

*Kerkjurist Rik Torfs is emeritus-hoogleraar en oud-rector van de Katholieke Universiteit Leuven. Dit artikel verscheen eerder op Doorbraak.be

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zoHartelijk dank!