Bevrijd Willem-Alexander van het meeregeren (en breng hem bij de tijd)

Premier Rutte noemt het koningschap in Nederland ‘kwetsbaar’ en ‘een precair systeem’ maar zegt niet waarom dat zo is. Rutte wil het ook helemaal niet hebben over hoe de monarchie anders zou moeten of kunnen. Maar juist het koningschap zo kwetsbaar en precair is en volgens de premier ten prooi zou kunnen vallen aan ‘populisme’ is er alle reden om het koningschap van de meest ouderwetse, feodale trekken te ontdoen.

Bij de koning en zijn familie gaat het doorgaans vooral over de plaatjes, de kleding, de vakanties. En over de kosten, en de vliegreisjes – dat dan weer wel. Zelden gaat het over wat de koning doet, wat hij te vertellen heeft en waarom. Politici branden zich er liever niet aan, premier Mark Rutte al helemaal niet. Rutte beroept zich op de band van 500 jaar met de Oranje-Nassau’s. En zo gaat het bij de rol en de macht van ons staatshoofd steevast over bijzaken.

Er zijn natuurlijk ook altijd urgentere kwesties dan de modernisering van de monarchie: altijd is er wel iets met de economie, de migratie of, zoals nu, met de volksgezondheid. Maar dat mag geen reden zijn om rare, onlogische en al te ondemocratische toestanden in het Nederland van de 21ste eeuw ongemoeid te laten. Dat gebeurt nu wel, en zonder dat er deugdelijke redenen voor zijn.

Dat Nederland een monarchie is, is uit democratisch oogpunt al slecht te verkopen. Daar staat tegenover dat de monarchie door de bank genomen behoorlijk populair is. En waarom zou je iets vervangen als het werkt, ook al is het niet meer van deze tijd? Dat neemt niet weg, dat de merkwaardigheden van de monarchie wel van tijd tot tijd tegen het licht moeten worden gehouden.

Staatshoofd en regeringslid

Het gekste is wel dat de koning – het staatshoofd – ook deel uitmaakt van de regering. Dat is om tal van redenen vreemd en onwenselijk. De koning is ook voorzitter van de Raad van State, die zowel de belangrijkste adviseur van de regering is als de hoogste bestuursrechter. Dat is zo mogelijk nog gekker: de koning als belangrijkste adviseur van zichzelf, tevens hoogste rechter over het optreden van de overheid. Ook is het de hoogste tijd om de begroting, het inkomen, de privileges en de belastingvrijstelling van de koning en zijn naasten te saneren.

De meeste gekkigheden aan de monarchie van nu zijn een erfenis van de voorgangers van Willem-Alexander. De eerste Oranjevorst (Willem I, 1813-1840) kon dat koninkrijk van hem zo’n beetje zelf inrichten en werd dan ook nauwelijks geremd in zijn macht. Hij runde het koninkrijk en de koloniën als een onderneming, waarbij het niet duidelijk was waar zijn particuliere belangen ophielden en die van de staat begonnen. Ministers waren zijn dienaren en werden – net als de leden van de Eerste Kamer – door hem aangewezen.

Langzaam brokkelde de macht af

In 1848 werd Nederland een constitutionele monarchie, in 1983 werden een groot aantal archaïsche bevoegdheden van de koning – zoals de buitenlandse betrekkingen en het uitroepen van oorlog – uit de Grondwet geschrapt en in 2002 werd de omvang van het Koninklijk Huis laatstelijk beperkt tot de Koning en zijn naaste omgeving. Een kleinere ingreep was de verhuizing van het Kabinet des Konings – het doorgeefluik tussen hof en kabinet – van de koning naar de minister-president.

Een eigenlijk vrij revolutionaire ingreep in de macht van de koning was het bij de koning weghalen van de kabinetsformatie, in 2012. Alle Oranjevorsten, van Willem I tot Beatrix, hadden zich meer of minder intensief met de samenstelling van de ministersploeg (en de formulering van het voorgenomen kabinetsbeleid) bemoeid. Onomstreden was dat niet, zoals Beatrix in 1994 bijvoorbeeld Wim Kok aan het werk zette als informateur. Het liep succesvol af, dat hielp.

De chaos van 2010

In 2010 ging het heel anders. Het was een chaotische kabinetsformatie, waarbij Beatrix de verdenking over zich afriep de tweede grootste partij uit de verkiezingen – de PVV van Geert Wilders – buiten de formatie te willen houden. De kring van adviseurs van Beatrix, met name oud-premier Ruud Lubbers (CDA) en Herman Tjeenk Willink (PvdA), deelden die missie en gingen eigenzinnig en bemoeizuchtig te werk. Ze konden niet voorkomen dat de PVV een minderheidskabinet van VVD en CDA ging gedogen.

De consternatie in 2010 droeg er toe bij dat de Tweede Kamer op voorstel van D66 in 2012 besloot om de formatie in eigen hand te nemen. Koningin Beatrix moest aldus nog meemaken dat zij geen noemenswaardige inbreng meer had. Of er enig verband is, is onbekend. Maar feit is dat zij enkele maanden na de kabinetsformatie van 2012 besloot zij af te treden.

Willem-Alexander wil best uit de regering

Beatrix’ opvolger, Willem-Alexander, liet aan de vooravond van zijn koningschap publiekelijk weten er geen enkele moeite mee te hebben als ook een ander prerogatief van de koning, te weten het lidmaatschap van de regering, hem als koning zou worden ontnomen – als zo’n besluit maar democratisch tot stand zou zijn gekomen.

Terwijl WA’s voorgangers in persoon obstakels waren bij de modernisering van het koningschap, wenst de huidige koning dat in dit opzicht kennelijk niet te zijn. Willem III heeft zijn hele koningschap getreurd dat de almacht van de koning voorbij was, Wilhelmina wilde evenzeer graag terug naar de situatie van Willem I, Juliana heeft nog wel eens geweigerd een doodvonnis van nazi’s te tekenen en lag pal voor de belangen van haar familie.

Beatrix gedroeg zich in de woorden van haar oud-voorlichtster Jessa van Vonderen in lijn met de familietraditie: ‘Het zijn
háár ambassadeurs en háár commissarissen van de koningin. Zij heeft de monarchistische
trekjes van een ouderwetse vorst als Willem I’. Toch heeft Beatrix geaccepteerd dat de omvang van het Koninklijk Huis werd gereduceerd. En ze heeft moeten slikken dat zij en haar familie geen voorrechten meer hebben bij de kabinetsformatie.

Moderniseren om te overleven

In een deze week verschenen boek van staatsrechtgeleerde Paul Bovend’Eert (‘De Koning en de monarchie. Toekomstbestendig?, Uitgeverij Wolters Kluwer), wordt een reeks voorstellen gedaan om het koningschap bij de tijd – en daarmee toekomstbestendig – te maken. Dat begint bij het helder maken van de koning als staatshoofd. Die hoort niet thuis in de regering, zoals diverse partijen als PVV tot D66 al twintig jaar zeggen. Het is een verwarrend relict uit vervlogen tijden. Het geeft de koning bovendien een instrument om zich naar believen met het kabinetsbeleid te bemoeien, ook als daar zijn particuliere belangen in het geding zijn.

Bovend’Eert stelt ook voor om alle uitgaven netjes op één begroting te zetten, de minister-president voor al die uitgaven verantwoordelijk te maken en de leden van het Koninklijk Huis die een staatsinkomen ontvangen gewoon belasting te laten betalen. De Nederlandse monarchie gaat dan in grote trekken lijken op de Zweedse en kan zo weer een tijdje vooruit, aldus de auteur: ‘Ook het koningschap behoeft periodiek onderhoud’.

Persbreidel

In een ander boek dat binnenkort verschijnt, ‘Zwartboek Oranje’ van de historicus Gerard Aalders, wordt een schriller beeld geschetst van de rol van de Oranjes in het Nederlandse staatsbestel. Hij voegt nog wat elementen toe die zich voor modernisering zouden lenen. Zo hebben achtereenvolgende Oranjevorsten zich actief weten af te schermen van grondwettelijke vrijheden als die van drukpers en meningsuiting.

Koning Willem I vaardigde al ‘drukperswetten’ uit, zoals de Rijksvoorlichtingsdienst onder Willem-Alexander een eenzijdige ‘Mediacode’ dicteerde, waarbij de koning feitelijk dicteert wat privé is. Met als merkwaardig neveneffect dat Máxima in badpak deze zomer wel in Duitse, maar niet in Nederlandse media te zien was. Dat de majesteitsschennis – ook als die betrekkelijk onschuldig is – nog steeds buitengewoon zwaar wordt bestraft komt ook in aanmerking voor revisie.

Indonesië, Wilhelmina en de Gouden Koets

Nu kwam koning Willem-Alexander dit jaar tot dusver drie keer in het nieuws met wat je politiek-historische uitspraken zou kunnen noemen. De eerste was op 10 maart, toen hij in Indonesië excuses aanbood voor Nederlands geweld aldaar in de jaren 1945-1949. Op 4 mei zei Willem-Alexander op een (lege) Dam met zoveel woorden dat zijn overgrootmoeder Wilhelmina de Nederlandse Joden in de oorlog in de steek had gelaten. En op 8 september liet de koning – althans de RVD-Koninklijk Huis – weten dat de Gouden Koets tot eindvolgend jaar te zien zal zijn in het Amsterdam Museum (en dus niet op Prinsjesdag door hem gebruikt zal worden).

Wat te zeggen van deze gebeurtenissen?

De excuses in Indonesië waren naar verluidt vooraf onbekend bij de vicepremiers, de rest van de ministerraad (en sowieso bij het parlement, de Tweede Kamer in het bijzonder). Dat is vreemd: een historische spijtbetuiging die de Nederlandse staat aangaat en die even tussen de koning, de minister-president en hun coterie wordt geregeld.

Het soort van excuus van Willem-Alexander over Wilhelmina is als zodanig nuttig en wenselijk, maar je kunt je afvragen in welke mate hier sprake is van een uitlating van een achterkleinzoon of van een staatshoofd. Eigenlijk interessanter: bij de gebeurtenis op de Dam was het parlement willens en wetens volledig geweerd. Dat deugt niet, al is dat de koning niet aan te rekenen.

De Gouden Koets: potentieel mikpunt

Dat Willem-Alexander niet met de Gouden Koets naar de Troonrede rijdt is volgens de NOS zijn persoonlijke beslissing en zijn persoonlijke bevoegdheid. Dat is braaf van de NOS, maar is dat wel zo en als dat al zo is, hoort dan wel zo te zijn?

De enige reden waarom de Gouden Koets nu een kwestie is, is omdat er koloniale taferelen en toegewijde en nederige ‘inlanders’ op te zien zijn, naar de stijl van de jaren rond 1900. Net als andere instituties, van Zwarte Piet tot Michiel de Ruyter, is de Gouden Koets de laatste jaren doelwit geworden van activisten in de sfeer van Kick Out Zwarte Piet en Black Lives Matter. Hun ideeën, denkwijzen en doelstellingen zijn doorgaans geïmporteerd uit de Verenigde Staten en zorgen hier net als daar voor grote verdeeldheid.

De Gouden Koets is daarmee geen vervoermiddel, maar een potentieel mikpunt van acties en onderwerp van maatschappelijke consternatie. Het zou werkelijk heel erg dom zijn om het al dan niet inzetten van de Gouden Koets op Prinsjesdag over te laten aan de nukken van de koning van dienst. Dat is uiteraard de verantwoordelijkheid van de regering en niet van het ongekozen staatshoofd.

Rutte en de monarchie

Dat brengt ons op de jaarlijkse behandeling van de monarchie in de Tweede Kamer, afgelopen week in de Tweede Kamer. Ging het over de modernisering en het toekomstbestendig maken van het koningschap? Nauwelijks. De regeringspartijen lopen er om heen of hebben er geen behoefte aan. De linkse oppositie heeft het vooral over de kosten (zo’n 50 miljoen) en de salarissen en onkostenvergoedingen. En dan vooral over het feit dat die salarissen met 5 procent verhoogd worden en dat Amalia eind volgend jaar al een stevig aanvangssalaris krijgt. De Partij voor de Dieren wilde het hebben over onterechte subsidies voor de jachtterreinen bij Het Loo.

Het is echter vooral interessant om te zien hoe premier Mark Rutte zich door zo’n debatje danst. Hij verwijst naar later (iets over salarissen). Hij wijst de PvdA terecht, omdat die als ‘grotere systeempartij’ een bijzondere verantwoordelijkheid voor de monarchie zou hebben. De monarchie noemt hij terloops, maar zonder nadere toelichting – niemand vraagt er ook naar – ‘een kwetsbaar systeem’. De PvdA wijst hij er ook op dat discussies over geld gemeden moeten worden, omdat ‘die al heel snel meer populistisch gevoerd gaan worden’.

De monarchie als vaasje

Wie Rutte goed beluistert, hoort een premier die de monarchie als iets buitengewoon waardevols ziet, dat verankerd is in 500 jaar gedeelde geschiedenis met de Oranjes en dat dit instituut beschermd moet worden omdat het extreem breekbaar zou zijn – een beetje zoals het vaasje waarmee Rutte in 2019 campagne voerde.

Rutte: ‘Zodat je met elkaar afspreekt om dat te beschermen, om die bijzonder precaire staatsvorm goed te laten functioneren’. Hij noemt discussies over geld ‘niet fair’. En weer heeft Rutte het over ‘Nederland een republiek waarin één familie altijd de president levert’ en als je ‘dit precaire systeem’ overeind [wilt] houden dan moet je niet ieder jaar eindeloze discussies voeren.’ Het klonk niet alleen als een berisping, zelfs een beetje als een dreigement. Alsof de Oranjes er anders de brui aan zouden geven. Een loze suggestie is dat niet, omdat zowel Juliana als Beatrix dergelijke dreigementen wel eens hebben geuit.

‘Het perfecte schoothondje’

Het optreden van premier Rutte rond de monarchie is volgens historicus Gerard Aalders als ‘het perfecte schoothondje’. De premier is inderdaad opvallend meegaand, waarderend en beschermend als het de koning en zijn omgeving betreft. Daar is ook best veel voor te zeggen, omdat de premier al gauw in de problemen kan komen als er licht zit tussen hem en de koning.

Maar bij Rutte lijkt het dieper te zitten. Hij was in 2008 nog niet eens zo lang partijleider van de VVD, toen hij een nieuw beginselprogramma liet schrijven, waarin zijn liberale partij opmerkelijk monarchistisch werd neergezet. ‘Als staatsvorm steunt de VVD de constitutionele monarchie, vervuld door het Huis van Oranje-Nassau,’ liet Rutte bij die gelegenheid optekenen. Weinig liberale filosofen hebben kunnen voorzien dat een van hun navolgers de monarchie nog eens als beginsel zou omarmen.

Hoe dan ook. Als Rutte werkelijk de monarchie met de Oranjes zo toegenegen is èn als hij vindt dat die monarchie met de Oranjes zo ‘kwetsbaar’ en zo ‘precair’ is, dan zou het zijn zorg moeten zijn om die door hem zo gekoesterde combinatie bij de tijd te brengen. Dan helpen geen kluitjes in het riet, maar initiatief. Zodat de Nederlandse monarchie tegen de tijd dat Amalia aantreedt al geruime tijd geen rarigheden meer kent, zoals belastingvrijdom en staatsrechtelijke dubbele petten.

Er verschijnen deze maand twee nieuwe boeken over de Oranjes en het koningschap, van Gerard Aalders en van Paul Bovend’Eert