Bij links hebben de ‘petten’ het afgelegd tegen de ‘hoeden’ – met fatale gevolgen

WW Kuipers 12 februari 2026
Oud-vakbondsbestuurder en archetypisch PvdA-lid Aad van der Naad, gespeeld door Wim de Bie. Beeld: YouTube. 

Artikel beluisteren

De 80-jarige Partij van de Arbeid vierde vorige week haar laatste lustrum. Wat is er nog over van de linkse idealen van weleer en hoe kon het zo misgaan?

‘Ik moet zorgen dat rechts niet om ons heen kan,’ riep Frans Timmersmans in oktober vorig jaar in de Volkskrant. Niet lang daarna verdween hij van het politieke toneel, maar de begrippen links en rechts lijken vanzelfsprekender dan ooit.

In de bundel Anatomie van links (1968) betoogde de sociaaldemocratische bedrijfseconoom Salomon Kleerekoper al dat deze termen zelden een vaststaande betekenis hadden. ‘Socialistische’ landen en linkse partijen en stromingen vertoonden rechtse trekken en vice versa. De verwarring duurde na Kleerekopers analyse vrolijk voort.

Beide begrippen dateren uit 1789, het jaar van de Franse revolutie, toen in de Assemblée nationale de discussies woedden over afschaffing van het krakende ancien régime en de positie van de koning. Rechts van de voorzitter namen de conservatieven plaats die geen verandering wensten, links de afgevaardigden die hervormings- of zelfs revolutionair gezind waren.

Simpele onderverdeling

In Nederland raakten ‘links’ en ‘rechts’ pas aan het begin van de twintigste eeuw ingeburgerd, na de oprichting van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, 1879), de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP, 1894), de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP, 1926) en kleinere partijen zoals de vooruitstrevende Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB, 1901) en de liberale Vrijheidsbond (1921).

De onderverdeling links-rechts leek simpel. De religieus georiënteerde, dus confessionele partijen waren rechts. Links omvatte de rest, zowel de orthodoxe socialisten als de liberalen, die in het hedendaagse perspectief tot ‘rechts’ behoren.

Links geachte onderwerpen zijn van oudsher behartigd door wat nu rechts zou heten en andersom. De eerste sociale wetgeving, het ‘Kinderwetje’ uit 1874, kwam van de liberaal Samuel van Houten. Het nu in progressieve kring zo gesmade nationalisme (behalve dat van de derde wereld) en ‘natie’ als politiek begrip hoorden in de negentiende eeuw eveneens thuis in de liberale, ‘linkse’ hoek, tegenover de door het conservatisme aangehangen oude orde, die het dynastieke belang en de standenmaatschappij voorop stelde.

Het trauma van de Tweede Wereldoorlog bevorderde bij links de ‘doorbraakgedachte’: het geloof mocht niet meer bepalend zijn voor iemands politieke keuze. Sociaal- en vrijzinnig democraten moesten zich met vooruitstrevende katholieken en protestanten verenigen in één brede partij. Vaarwel SDAP en VDB, welkom Partij van de Arbeid (PvdA, 1946). De uitgestoken hand naar de confessionelen werd geneerd; die beleefden hun eigen doorbraak pas in 1980 met de oprichting van het Christen-Democratisch Appèl (CDA). De liberalen haakten ook spoedig af en stichtten de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD, 1948).

Het verschil van links en rechts betrof niet langer in de eerste plaats religie, maar het sociaaleconomisch domein: meer versus minder overheid, werknemers- versus werkgeversbelang, collectief versus individu. De confessionelen vormden ruwweg het politieke midden.

Pogingen tot neutralisatie

Na de mislukte doorbraak is meermalen getracht het wankele hek tussen links en rechts te slopen. Edzo Toxopeus (VVD) lanceerde in de jaren vijftig de leuze ‘niet links, niet rechts, maar recht vooruit’, die doorechode tot de Centrumpartij met ‘Niet rechts, niet links’ (1981) en Trots op Nederland van Rita Verdonk met ‘Niet rechts, niet links, maar recht door zee’ (2006).

Dat laatstgenoemde partijtjes als extreemrechts gelden, had mede te maken met de nieuwe ideologische bevlogenheid die door ‘links’ bleek te waaien, ondanks het afschudden van de ‘ideologische veren’ door de PvdA van Wim Kok en zijn paarse kabinetten (1994-2002). Dit afwerpen van benauwende ideologie was ingezet door de Democraten 66 (nu D66), opgericht op initiatief van ex-VVD’er Hans Gruijters. ‘Radicale democratisering’ was het doel, met ‘kroonjuwelen’ als het correctief (bindend) referendum, gekozen burgemeesters en hervorming van het kiesstelsel. En o, hoe zuur zou het deze idealen vergaan.

Heroriëntatie

Al geruime tijd vóór 1968 dienden zich nieuwe tekenen aan, dankzij het consumptiekapitalisme met zijn materiële overvloed, zijn ontdekking van de jeugd als markt, zijn stroomversnellingen op het gebied van technologie en communicatie. De naoorlogse verzorgingsstaat hief de noodzaak op van sociale bindingen, conformisme en solidariteit. Eindelijk konden we onbelemmerd ‘onszelf’ gaan zoeken. Het ‘ik’ overwon het ‘wij’, klasse werd identiteit, links heette vanaf de vroege jaren 1970 in toenemende mate ook ‘progressief’, een minder beladen geachte term.

Het begrip ‘identiteit’ zou de doem worden van links. Het leidde tot het omhelzen van ‘positieve discriminatie’ door progressieve bewegingen en overheden, nadat de rond 1968 volwassen geworden generatie het pluche had beklommen: het bevoordelen van specifieke groepen zoals etnische minderheden en vrouwen bij sollicitatieprocedures en benoemingen. Om gelijkheid te bevorderen moest ongelijkheid worden ingezet. George Orwell begon zich in zijn graf om te draaien.

Links verliet zijn ‘universele, humanistische wortels’ (Brendan O’Neill) en dat was natuurlijk geen puur Europese of Nederlandse ontwikkeling. Evenals de consumptiecultuur waartegen de progressieven en ‘alternatieven’ zich juist afzetten, waaide de nieuwe ideologische oriëntatie grotendeels over uit de Verenigde Staten.

In Nederland toonde de komeetachtige opkomst van de in 2002 opgerichte LPF, met zijn boegbeeld Pim Fortuyn, dat ook hier een grote kloof was ontstaan tussen de traditionele achterban van vooral de PvdA en de nieuwe ‘linkse kerk’, wegens de huizenhoog gerezen problemen van migratie en islamisering en de daaruit voortgevloeide taboes op het zelfs maar noemen van mogelijke problemen die hiermee samenhingen. De PVV nam sinds 2006 de rol als toevluchtsoord voor weggejaagd, traditioneel links (de ‘gewone man’) over van de LPF.

Het confessionele midden, ooit ‘rechts’, was intussen meer en meer opgeschoven naar ‘links’. Een van vele voorbeelden was de steile Mient Jan Faber, een (gereformeerde) christen die het kopstuk werd van de vredesbeweging. Begin jaren tachtig was hij een zeer frequente gast in nieuws- en actualiteitenprogramma’s, en organisator van en spreker op grote vredesdemonstraties onder het motto ‘Help de kernwapens de wereld uit, te beginnen bij Nederland’.

Labyrint van taboes

De aanpassing van artikel 1 van de Grondwet (non-discriminatie) in 1983 gaf door ruime interpretatiemogelijkheden ruim baan aan politieke inmenging door justitie, hetgeen neerkwam op ondergraving van het principe van de scheiding der machten. Onder opeenvolgende kabinetten, het links-liberale verbond van paars incluis, ontstond een nieuwe, gemêleerde onderklasse en de bureaucratie zwol alarmerend op. Protesten werden consequent gesmoord; de oude mei ’68-slogan ‘Verboden te verbieden’ verdampte in een labyrint van taboes sinds de opmars van woke, ook al een vrucht uit de VS.

Jos van der Lans vatte de ontwikkelingen in De Groene Amsterdammer (3 juni 2015) helder samen. De ‘Provo-adepten van het eerste uur’ waren de nieuwe ‘regelneven en beleidsmakers’ en wilden in hun managementwerkelijkheid niets meer weten van ‘het gemor van bewoners in achterstandswijken die hun leefomgeving in korte tijd zagen veranderen door de komst van groepen minderheden die hun eigen taal spraken en gebruiken meenamen’.

Hoeden en petten

Al in de jaren 1890 leefde in de SDAP het onbehagen tussen de ‘hoeden’ (onderwijzers, advocaten en – steeds meer – dominees) en de ‘petten’ (de arbeiders). De afgelopen halve eeuw zijn vrijwel alle ‘petten’ (qua afkomst en opleiding) verdwenen uit de linkse en progressieve beweging, uitgezonderd de tot marginaliteit gedoemde SP.

‘Ideologie’ blijkt vooral een middel om ‘hiërarchie’ te vestigen en vervolgens te bestendigen. De nare bejegening van de socialistische nieuwkomer Ferdinand Domela Nieuwenhuis in de Tweede Kamer (1888) verschilt niet van die, welke Hans Janmaat van de Centrumpartij een kleine eeuw later ten deel viel.

D66, de partij van onze nieuwe premier, biedt waarschijnlijk de opvallendste demonstratie van deze stelling. Na het Oekraïnereferendum (2016) zette zij ook dit laatste kroonjuweel bij het vuil. Het referendum is de enige directe manier waarop de petten de hoeden van het politieke establishment kunnen corrigeren. Maar wat moet je ermee als het volk ‘verkeerd’ stemt? De goed opgeleide en gesitueerde hoeden staan ondanks elke draai aan de goede kant. Ze leven gemiddeld zeven jaar langer in goede gezondheid en vertegenwoordigen ook nog het eeuwige morele gelijk. Petje af.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!