Bijles voor klimaatminister Hermans: één grote kerncentrale maakt 4 windparken en minstens 16 miljard euro subsidie overbodig
Artikel beluisteren
Uit zeer betrouwbare bron weet ik dat Sophie Hermans, ‘minister voor Klimaat en Groene Groei’, persoonlijk een exemplaar van mijn boek De Klimaatoptimist overhandigd heeft gekregen, maar ik weet bijna net zo zeker dat ze niet verder is gekomen dan de kaft. Dat leid ik af uit het ontluisterende gebrek aan inhoud dat ze tentoonspreidt als ze het over haar eigen energiebeleid heeft.
In feite is er helemaal geen energiebeleid; ze heeft een aantal dossiers onder haar hoede, met titels als ‘wind op zee’, ‘zonnepanelen’, ‘biomassa’, ‘waterstof’, en helemaal achteraan ‘kernenergie’. Ik heb haar nooit kunnen betrappen op enig besef dat al die onderwerpen binnen een echt energiebeleid communicerende vaten zijn.
Garantiesubsidie voor exploitanten
Onlangs zat Hermans bij WNL om uit te leggen dat ze nu toch weer vier miljard euro subsidie gaat geven aan een nieuw te bouwen windpark op zee, IJmuiden Ver Gamma A. ‘Want anders valt de hele sector stil’. Op de tender van vorig jaar, oktober 2025, voor windpark Nederwiek 1-A zijn namelijk nul biedingen gekomen: geen enkel bedrijf wilde die windmolens onder die voorwaarden bouwen en exploiteren. Dit ondanks dat ze, net als alle windmolenbouwers, de peperdure hoogspanningsleidingen naar de kust en de transformatorstations op zee en op land cadeau krijgen van staatsbedrijf Tennet.
Dus komt er nu weer een regeling die de exploitanten van die windmolens een garantiesubsidie met een strike price van rond de 100 euro per geproduceerde MWh (megawattuur) stroom geeft. Dat wil zeggen: zodra de momentane marktprijs van stroom onder deze 100 euro zakt, past de overheid de komende twintig jaar het verschil bij.
Blijkbaar verwachten de bouwers van windparken dat ze die ‘spotgoedkope’ (famous last words van Frans Timmermans) windstroom van de Noordzee niet voor minder dan €100/MWh kunnen produceren, wat ruim twee keer zo duur is als de stroom uit, bijvoorbeeld, de kerncentrale Borssele die wel direct aan het hoogspanningsnet op land levert.
In de media klonk de kritiek dat Hermans hier de sunk cost fallacy beging: ‘We hebben nu al zo veel in wind op zee geïnvesteerd, dat we nu moeten doorpakken, anders is dat allemaal weggegooid geld’. Maar Hermans heeft zelfs dat excuus niet, want de windparken die al gebouwd zijn, draaien gewoon door, daar heeft haar subsidie voor nieuwe windparken geen invloed op. Het enige wat stilvalt, of beter gezegd instort, als Hermans die subsidie niet geeft, is de illusie van de ‘hernieuwbare’ energietransitie.
Een van de dogma’s van die ‘hernieuwbare’ energietransitie is dat wind op zee verreweg de belangrijkste energiebron moet worden, en vanaf 2050 het leeuwendeel van de Nederlandse stroom moet gaan leveren. Dat is anderhalf à twee keer zoveel stroom als we nu verbruiken, omdat de hele samenleving dan geëlektrificeerd is en we niet of nauwelijks nog fossiele brandstoffen inzetten.
Wind op zee wordt niet alleen gepromoot in Nederland, maar breed in Europa. Zoals u hier in Wynia’s Week heeft kunnen lezen, schoof Hermans deze week in Hamburg aan bij de Europese Noordzeetop, waar door negen landen afspraken werden gemaakt over jaarlijks 15 gigawatt aan wind op zee bijbouwen, totdat in 2050 het opgesteld vermogen 300 gigawatt is. Ter vergelijking: Nederland verbruikt momenteel op piekmomenten zo’n 20 gigawatt.
Flinke korrel zeezout
Jettens ambitie in het kabinet-Rutte IV voor het Nederlandse deel van de Noordzee was maar liefst 70 gigawatt in 2050. Onder Hermans is dat bijgesteld tot minimaal 30 gigawatt in 2040 en daarna maar zien hoe het verder gaat. Gezien de omvang van deze bijstelling moeten we ook dat getal van 30 met een flinke korrel zeezout nemen. En wat dan nog? Dit is het tijdperk van D66, dus getallen, dat zijn maar metaforen.
Voor de potentiële rol van wind op zee in onze energievoorziening had Hermans twee factoren van cruciaal belang moet wegen.
Ten eerste natuurlijk de bouwkosten van die windmolens en de hele infrastructuur daar omheen (de ‘stekker op zee’, dat wil zeggen hoogspanningskabels op de zeebodem, en grote transformatorstations op land en op zee). Die kosten zijn de afgelopen jaren sterk gestegen, en die stijging zal doorzetten. Al onder Jetten werd tussen neus en lippen door gemeld dat de stekker op zee tot 2050 niet de begrote 40, maar 90 miljard euro ging kosten.
Ten tweede de daadwerkelijke stroomproductie van die windmolens. Inmiddels weet zelfs het brede publiek dat een windpark van ‘1 gigawatt’ op geen stukken na continu een gigawatt stroom levert. Dat is alleen zo als het hard genoeg waait, maar gemiddeld over een jaar is het voor windmolens op zee – volgens de prognoses van Jetten en Hermans – 0,53 gigawatt. De zogeheten capaciteitsfactor van wind op zee is daarom in die prognoses 53 procent.
Recent onderzoek van onder meer de TU Delft heeft echter uitgewezen dat die capaciteitsfactor veel te optimistisch is, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de mate waarin die windmolens op de overvolle Noordzee elkaars wind wegvangen. Zij komen voor de toekomstige Nederlandse windparken uit op een capaciteitsfactor van 35 procent. Saillant detail waar Hermans op die Noordzeetop vast geen ruchtbaarheid aan gegeven heeft: Nederland is wat dat betreft onbetwist koploper luchtfietserij; de overige landen die daar aanwezig waren, hanteren een meer realistische capaciteitsfactor.
Bij gelijkblijvende kosten gaan de Nederlandse windparken dus een derde minder stroom leveren dan begroot, waardoor de kostprijs van wind op zee met de helft stijgt. De Delftse ingenieurs komen nog hoger uit dan bovengenoemde strike price van rond de 100 euro, namelijk 115 euro. Er zal dus nog veel meer subsidie bij moeten dan Hermans nu al heeft toegezegd, willen die nieuwe windparken echt gebouwd worden.
In de ontkenningsmodus
Hermans’ ambtenaren zijn in de ontkenningsmodus gegaan en beweren dat het TU Delft-onderzoek niet deugt, en dat Hermans dus van een ongeloofwaardige capaciteitsfactor van 53 of zelfs 60 procent uit moet blijven gaan. Blijkbaar volgt Hermans gewoon haar ambtenaren, want ze hield ook op die Noordzeeconferentie onverkort vast aan het Jetten-dogma van wind op zee als de ruggengraat van onze toekomstige energievoorziening.
Als Hermans in staat was geweest tot een eigenstandige afweging van alle communicerende vaten in een echt energiebeleid, dan had ze die nieuwe subsidie van 4 miljard euro gereserveerd voor nog een extra kerncentrale boven de twee à vier die al in de planning staan. Kerncentrales leveren namelijk ook megawatturen, maar dan continu en betrouwbaar. Gegeven de uit de hand lopende kosten en de zwaar opgepimpte capaciteitsfactor van wind op zee, slaat de economische balans nu helemaal door naar kernstroom.
Waarom? Een standaard kerncentrale van 1,6 gigawatt levert ook echt 1,6 gigawatt aan het net gedurende 90 procent van de tijd, dus die heeft een capaciteitsfactor van 90 procent. Alleen al daarom maakt die ene kerncentrale 90/35 x 1,6 gigawatt, ofwel ruim 4 gigawatt aan wind op zee overbodig. Dat zijn vier windparken van het formaat IJmuiden Ver Gamma A, die op planeet Hermans dus 16 miljard euro subsidie mogen opslobberen.
Echter, de situatie is in de ‘hernieuwbare’ werkelijkheid nog veel schever. In De Klimaatoptimist (hoofdstuk 3) reken ik voor hoeveel windmolens op zee door één kerncentrale overbodig gemaakt worden als je rekening houdt met de zeer inefficiënte groene waterstofcyclus die nodig is om de enorme stroompieken op te slaan die al die windmolens leveren op momenten dat de vraag laag is (zoals ‘s nachts), als buffer voor wanneer het niet waait.
Ik ga daar uit van 75 gigawatt aan windturbines, en kom uit op slechts 20 gigawatt echt aan het net geleverde, vraaggestuurde stroom. Maar daar reken ik nog met een capaciteitsfactor voor die windturbines van 48 procent. Als je die berekening opnieuw doet met een capaciteitsfactor van 35 procent, levert 75 gigawatt aan windmolens maar 14,5 gigawatt echt bruikbare stroom op. Dat kan ook met 11 EPR’s (kerncentrales van 1,6 gigawatt, maar omdat die de vraag moeten volgen, draaien ze gemiddeld op 80 procent van hun maximale vermogen).
Ongewenste vergelijkingen
Eén EPR-centrale maakt dus ruim 6 (75/11) gigawatt aan windmolens op zee overbodig als je het hele systeem beschouwt. Dat is meer dan alle windmolens die tot nu toe op het Nederlandse deel van de Noordzee zijn gebouwd. Het maakt bovendien nog 4 gigawatt aan elektrolyse-capaciteit overbodig, ofwel de groene waterstof-fabrieken die in wezen alleen maar geld kosten (die zijn nu nog niet nodig omdat we gas- en kolencentrales hebben als back-up, maar die verdwijnen dus na de ‘hernieuwbare’ energietransitie).
Zulke vergelijkingen tussen verschillende energiebronnen worden in geen enkele officiële studie gedaan. Die gaan allemaal uit van de dogma’s van de ‘hernieuwbare’ energietransitie met voorrang voor wind en zon, met desnoods een beetje kernenergie erbij gefrommeld. En de reden dat zulke vergelijkingen niet gedaan worden laat zich raden: omdat kernenergie er dan veel te goed uitkomt.

Arnout Jaspers is auteur van de bestseller ‘De Kllimaatoptimist’. Het boek is verschenen bij Uitgeverij Blauwburgwal, kost €23,50 en is HIER te bestellen.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!




















