De overheid ondermijnt zelf de rechtstaat door burgers onvoldoende te beschermen tegen criminaliteit en hen steeds minder politieke zeggenschap te geven.
Artikel beluisteren
De rechtsstaat zou volgens tal van bezorgde politici, ambtenaren, rechters, advocaten en volgens veel media bedreigd worden door de groeiende populariteit van partijen die het niet zo best voor zouden hebben met die rechtsstaat.
In de kabinetsformatie van 2023-’24 moest er zelfs wekenlang vergaderd worden over de veronderstelde bedreiging van de rechtsstaat door verkiezingswinnaar PVV. Pas nadat PVV-partijleider Geert Wilders enkele wetsvoorstellen (over de islam, met name) op aandrang van VVD en NSC introk kon de formatie verder.
Ondermijnt de overheid niet vooral zelf de rechtsstaat?
Zonder dat altijd duidelijk wordt waaruit de actuele kwetsbaarheid van de rechtsstaat precies bestaat – de spraakverwarring is groot – werd die rechtsstaat geleidelijk tevens gezien als een juridisch bolwerk tegen groeiend (rechts) ‘populisme’. De rechtsstaat die de democratie in toom houdt, eigenlijk.
Maar is de rechtsstaat wel bedoeld om de democratie aan banden te leggen? En wat is die rechtsstaat dan wel en wordt die echt zo bedreigd? En, mocht dat al zo zijn: ondermijnt de overheid niet vooral zelf de rechtsstaat? We checken in dit artikel drie voorbeelden: de aanpak van de misdaad, de stand van de democratie en de greep van particuliere actiegroepen (‘NGO’s’) op de rechtspraak.
De aanpak van misdaad is een belangrijk onderdeel van de rechtsstaat: de overheid heeft tot hoofdtaak om lijf en goed van burgers te beschermen. Voor de uitvoering zijn politie en Openbaar Ministerie verantwoordelijk. De politieke verantwoordelijkheid voor de nationale veiligheid ligt bij de minister van Justitie en Veiligheid (JenV), die ook de brede landelijke aanpak van criminaliteit coördineert.
Duizenden aangiften worden niet behandeld
Op zijn zachtst gezegd kan de vraag worden gesteld of de hele strafketen zoals die nu functioneert geen ondermijning is van de rechtsstaat. De Algemene Rekenkamer publiceerde onlangs het onderzoeksrapport ‘Een ernstige zaak’. Daarin valt te lezen dat de politie in 2024 in totaal 755.300 aangiften heeft opgenomen en afgehandeld. Bijna de helft van al deze aangiften (47 procent) werd niet verder onderzocht. In 53.000 gevallen deed de politie dat vanwege capaciteitsgebreken bij de politie en/of het OM.
Nog opvallender is dat in 2024 ruim 10.000 aangiften van ernstige misdrijven – ongeveer 17 procent van alle aangiften van ernstige misdrijven – niet in behandeling zijn genomen. 1.600 daarvan zijn ‘geprioriteerde misdrijven’: dat zijn misdrijven die prioriteit hebben voor het OM en/of de minister. 3.000 van de in totaal 10.000 afgewezen aangiften van ernstige misdrijven zijn niet behandeld wegens capaciteitstekorten bij de politie en/of het OM. Aangiften van zware geweldsdelicten, zedenmisdrijven en andere ‘high impact crimes’ (zoals wapenbezit, drugsbezit of handel in harddrugs, witwassen) zijn onbehandeld gebleven.
Het doen van aangifte wordt bemoeilijkt
Dan hebben we het alleen nog maar over gevallen waarin aangifte is gedaan van misdrijven. Vaak wordt namelijk überhaupt geen aangifte gedaan. In een eerder artikel zijn we al uitvoerig ingegaan op het feit dat de politie het doen van aangifte door de jaren heen heeft bemoeilijkt en de indruk wekt dat de criminaliteit minder ernstig wordt.
De afgelopen jaren is het aantal politiebureaus echter sterk afgenomen en zijn de nog bestaande politiepanden minder toegankelijk geworden vanwege beperktere openingstijden en het verplichten van het maken van een (online-) afspraak. Daarnaast komt het voor dat de politie burgers ontmoedigt om aangifte te doen van een strafbaar feit (bij de politie bekend als ‘platlullen’), en aangiften van misdrijven ‘downgradet’: delicten als lichter registreert dan ze in feite zijn.
Het resultaat van dit alles is evident: criminelen gaan vrijuit omdat de politie of het OM aangiften afwijst, of krijgen lichtere straffen doordat de delicten worden ‘gedowngraded’. Mede daardoor is de aangiftebereidheid laag: bij slachtoffers van geweldsmisdrijven is deze bereidheid slechts 17 procent, zo blijkt uit CBS-cijfers. De meest voorkomende verklaring voor het niet doen van aangifte is dat ‘het toch niets helpt’ (44 procent). Als burgers onvoldoende worden beschermd tegen criminaliteit en criminelen niet of niet naar behoren worden gestraft, is dat geen aantasting van de rechtsstaat?
Afschaffing referendum
Volgens veel bezorgden staat ook de democratie op het spel door de ondermijning van de rechtsstaat (bedoeld wordt dan door ‘rechtspopulisten’ of erger). Maar hoe zit het eigenlijk met de staat van de democratie? Daar waren tien jaar geleden ook los van die populisten al zorgen over, wat toen reden was om onder leiding van VVD-prominent Johan Remkes een staatscommissie in te stellen, die onder meer concludeerde dat een derde van de bevolking zich niet (meer) vertegenwoordigd voelde en onder meer directe democratie wilde. Maar wat geschiedde?
Een van de eerste daden van het derde kabinet-Rutte was in 2018 het definitief afschaffen van het raadgevend referendum, dat nog maar drie jaar bestond en de enige vorm van directe inspraak was die de Nederlandse kiezer had. Dat gebeurde op voorstel van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren van D66, de partij die sinds 1966 juist geijverd had voor het referendum. Nog altijd wil een meerderheid van de Nederlandse kiezers een vorm van referendum: een ruime meerderheid (58 procent) is voorstander van bindende referenda. 64 procent van de Nederlanders is voorstander van referenda in het algemeen.
Belangenverstrengeling
In de plaats van referenda worden sinds enkele jaren ‘burgerberaden’ opgetuigd die de suggestie wekken dat burgers iets te zeggen hebben, maar in feite worden deze beraden met zeer gerichte vragen gebruikt om, zo blijkt uit de praktijk, een progressieve agenda door te drukken. Zo kregen de 175 deelnemers van het beroemde (of beruchte) Nationaal Burgerberaad Klimaat de vraag ‘hoe’ we in Nederland kunnen ‘eten, spullen gebruiken en reizen op een manier die beter is voor het klimaat’. De vraag of het peperdure klimaatbeleid überhaupt wenselijk, effectief en noodzakelijk is, werd niet gesteld.
De meeste Nederlandse politici – en ook veel Nederlandse burgers – mogen nog een relatief gunstig zelfbeeld hebben van de Nederlandse democratie, maar toezichthoudende instanties als de Raad van Europa denken daar heel anders over. Die kritiseren – doorgaans zonder veel succes – het feit dat in Nederland ‘handel in invloed’ door belangenverstrengeling van politici nog steeds niet strafbaar is en dat Nederlanders noch hun staatshoofd noch het hoofd van provincie of gemeente mogen kiezen.
Overdracht van bevoegdheden
Ondanks alles hebben Nederlanders nog het meeste vertrouwen in de nationale parlementaire democratie, maar die wordt systematisch zwakker door de overdracht van bevoegdheden aan internationale organisaties, in het bijzonder de Europese Unie. Enerzijds wordt de EU steeds groter, waardoor de invloed van Nederland steeds kleiner wordt, bovendien neemt het aantal terreinen waarop de EU domineert steeds groter. Zo is ook defensie nu aan het groeien als Europees beleidsterrein. Ook de tendens om vetorechten van individuele lidstaten als Nederland af te pakken – zoals het buitenlands beleid – wordt sterker. Dat impliceert een verschuiving van macht, geld en invloed van het nationale parlement naar Brussel en Straatsburg. Gaandeweg opereert de EU steeds meer als een staat – een supranationale federale staat.
Voor alle burgers maar zonder hun instemming
De parlementaire democratie – en daarmee de rechtsstaat – wordt ook nog langs een andere weg ondermijnd. Particuliere organisaties hebben vaak veel invloed op het overheidsbeleid, vaak meer dan de kiezers. Dat wreekt zich onder meer bij het immigratiebeleid. Een bijzondere vorm van deze ‘lobbycratie’ is de invloed van vaak overheidsgesubsidieerde ‘NGO’s’: particuliere stichtingen en actiegroepen die mee mogen praten over het overheidsbeleid en speciale voorrechten hebben als ze daarbij naar hun idee onvoldoende hun zin krijgen. Dat speelt vooral bij het klimaat-, milieu- en natuurbeleid.
Voor activistische clubs en NGO’s geldt dat zij steeds vaker namens ‘het algemeen belang’ naar de rechter stappen om bepaald beleid af te dwingen. Artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek bepaalt sinds dertig jaar dat stichtingen of verenigingen die volgens hun statuten opkomen voor een collectief of algemeen belang een rechtsvordering ter behartiging van dit belang kunnen instellen bij de burgerlijke rechter. Het opmerkelijke is dat organisaties bij de rechter kunnen claimen op te komen voor álle burgers, zonder dat de organisatie ook maar enige instemming van die burgers nodig heeft, of ze op de hoogte hoeft te stellen van de procedure.
Zo kreeg de kleine stichting Urgenda het met een beroep op het ‘algemeen belang’ in 2015 voor elkaar dat de rechter de Staat opdroeg de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 25 procent te verminderen ten opzichte van 1990. Hetzelfde kunstje herhaalde Milieudefensie in 2021 door Shell voor de rechter te dagen, ook met een beroep op het algemeen belang. De rechtbank Den Haag legde Shell een emissiereductiebevel op van 45 procent in 2030. Weliswaar werd dit bevel eind 2024 door het gerechtshof Den Haag vernietigd, maar het hof liet wel overeind dat Shell een ‘verplichting’ heeft om ‘gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan’. Zo hebben milieuclubs als Urgenda en Milieudefensie met een beroep op de algemeenbelangactie van artikel 3:305a BW zeer ingrijpend klimaatbeleid afgedwongen bij de rechter.
Wie ondermijnt nu eigenlijk de rechtsstaat?
Is het geen ondermijning van de democratische rechtsstaat dat NGO’s zonder expliciete instemming van burgers wél namens deze burgers naar de rechter kunnen stappen om beleid af te dwingen? En is het geen ondermijning van de rechtsstaat dat de rechter kan bepalen wat wel of niet het algemeen belang is, en dat de rechter in het geval van Urgenda de Staat kan verplichten om de CO2-uitstoot te reduceren?
Er mag dus veel geklaagd worden over de bedreiging van ‘de rechtsstaat’ door ‘populisten’ maar deze hoeders van de rechtsstaat – politici en anderen – mogen zich om te beginnen wel eens wat meer zorgen maken over de ondermijning van democratie en rechtsstaat door de staat zelf.
Opmerkelijk genoeg had de Tweede Kamer die zorgen over het krakkemikkig functioneren van de rechtsstaat zelf ook al. Op aandrang van de toenmalige CDA-Kamerleden Pieter Omtzigt en Chris van Dam stelde het kabinet-Rutte in 2022 een staatscommissie in die de rechtsstaat moest onderzoeken.
De aanleiding was toen niet ‘de populisten’ maar de beroerde bejegening van burgers in het Toeslagenschandaal, door zulke uiteenlopende staatsinstanties als de Belastingdienst, de ministerraad en de Raad van State. Die staatscommissie rapporteerde in 2024 al dat de rechtsstaat versterkt moest worden, door de staat zelf namelijk. Dat de Corona-pandemie in de jaren 2020-’22 als ‘crisis’ werd aangegrepen om eindeloos speciale bevoegdheden van de staat in het leven te roepen en aan te houden was die staatscommissie ook niet ontgaan.
Juist hierdoor wordt ‘populisme’ aangejaagd
Deze voorbeelden illustreren dat er inderdaad ernstige redenen zijn voor zorgen over de stand van de Nederlandse rechtsstaat, inclusief de Nederlandse democratie, maar zeker niet alleen omdat er politici zouden zijn die democratie en rechtsstaat zouden willen ondermijnen. De overheid verwaarloost en ondermijnt die zelf. De strafketen functioneert ondermaats, de EU en Den Haag zelf halen steeds meer inspraak bij de bevolking weg, en NGO’s krijgen met behulp van rechters ruim baan om, buiten de burgers om, namens het volk beleid af te dwingen. Zou het niet zo kunnen zijn dat juist daardoor het beweerde ‘populisme’ aangejaagd wordt waar de ‘rechtsstaat’-roepers zo tegen ageren? De vraag stellen is het antwoord geven.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!


