De rol van de staat als spil van het maatschappelijk kapitaal en gangmaker van institutionele vernieuwing moet in ere hersteld worden
Artikel beluisteren
Na dertig jaar groei, welvaart en vertrouwen in de toekomst kreeg Nederland in de jaren zeventig te maken met crisis, werkloosheid en ontsporende overheidsuitgaven. Het herstel vanaf de jaren tachtig leek spectaculair, maar was naar de mening van economisch historicus Jan Luiten van Zanden verre van robuust. In zijn prikkelende studie gaat zijn aandacht vooral uit naar wat hij de erosie van het maatschappelijk kapitaal noemt.
Van Zanden ontleent zijn analyse aan de Nieuwe Institutionele Economie. Deze stroming in de economische wetenschap legt de nadruk op de instellingen die bepalen hoe rijk, gelukkig en gezond de mensen zijn: de staat, de markt, de spelregels van de samenleving, burgerschap en het sociaal contract tussen maatschappelijke groeperingen.
Zelfgenoegzaam kapitalisme
De kwaliteit van de manier waarop de Nederlandse economie en maatschappij zijn georganiseerd, is sinds 1980 fors achteruitgegaan – en de babyboomers, waartoe Van Zanden (1955) zelf behoort, stonden erbij en keken ernaar. Het functioneren van de staat raakte in het ongerede. Hetzelfde gold voor het sociale vangnet voor de kwetsbaren. De digitale revolutie heeft de economie volgens Van Zanden meer kwaad dan goed gedaan. Ook over de euro is de auteur zeer kritisch. Hij spreekt van een zelfgenoegzaam kapitalisme, dat er niet in slaagt zichzelf te vernieuwen en te verduurzamen.
De voornaamste kracht achter de groei van het bruto binnenlands product was van oudsher de trendmatige stijging van de lonen. Hogere lonen en uitkeringen dwongen tot arbeidsbesparende technologische ontwikkeling. Flexibilisering van de arbeid (parttime, stukloon, zzp) verlaagden vanaf 1980 de loonkosten, zodat de druk om arbeidsbesparende technieken te ontwikkelen afnam. Daling van de arbeidsproductiviteit en een structureel lagere economische groei waren het gevolg.
Door de globalisering in de jaren negentig nam de internationale concurrentie sterk toe, en daarmee ook het overwicht van de aandeelhouders op andere stakeholders. Om de beurs te vriend te houden werd een steeds groter deel van de sterk groeiende winsten uitgekeerd aan de aandeelhouders. In plaats van te investeren in onderzoek en ontwikkeling, kochten bedrijven hun eigen aandelen in om de koers op te drijven.
Ambtelijke expertise verdwijnt
Lage groei is nadelig voor de armslag van de overheid. Belangrijker nog volgens Van Zanden was dat de overheid op ideologische achterstand kwam te staan. Het geloof in de markt als bron van alle welvaart verzwakte de overheid fundamenteel als regisseur en scheidsrechter van het economisch leven. De diensten die toezicht moesten houden op het bedrijfsleven (arbeidsinspectie, landbouw, visserij, chemie) identificeerden zich zodanig met hun sector dat werkelijk toezicht erbij inschoot.
De neoliberale mode van het New Public Management reduceerde de overheid tot een marktpartij die zich bedrijfsmatig moest gedragen. Dit leidde tot wat Van Zanden treffend omschrijft als ‘ontleren’: het verdwijnen van ambtelijke expertise. Het gevolg was gebrek aan zelfvertrouwen, gebrek aan aansprekende resultaten, uitholling van het professionele ethos en vervreemding van de burgers.
In de kou
Er was ook goed nieuws, namelijk de sterke stijging van de arbeidsparticipatie door de massale toetreding van (gehuwde) vrouwen. Dit versterkte het maatschappelijk kapitaal enorm. Van Zanden schrijft: ‘In plaats van het wegzetten van 50 procent van de bevolking op een doodlopend pad, zoals in de jaren vijftig en zestig nog gebruikelijk was, zijn er nieuwe bronnen van werk, creativiteit, zorg en inkomen aangeboord die veel meer evenwicht in de samenleving gebracht hebben.’ Doordat het aantal inkomens per huishouden steeg, bleef de inkomensongelijkheid binnen de perken.
De huishoudens die afhankelijk waren van minimumlonen en sociale uitkeringen bleven echter in de kou staan. ‘Het minimumpakket dat nodig is om in een bepaalde samenleving te overleven’, stelt Van Zanden, ‘groeit met deze samenleving mee.’ Voor het functioneren in onze digitale maatschappij moet dan ook rekening worden gehouden met nieuwe behoeften – denk aan de mobiele telefoon, de laptop, internet en de sociale media.
De overheid hield hier geen rekening mee. In plaats van optrekken van de minimuminkomens werden selectief toeslagen ingezet – met rampzalige gevolgen. Van Zanden: ‘Het toeslagenbeleid heeft van de zelfstandige arbeid(st)er een afhankelijke uitkeringstrekker gemaakt (…) Het Kafka-gevoel van vervreemding en machteloosheid is een veel voorkomende collateral damage van de afhankelijkheid van toeslagen en van interactie met de overheid in het algemeen. Hoeveel wachtwoorden en inlogcodes kan een digibeet beheren?’
Basisinkomen
Van Zanden beveelt aan te kappen met het hele systeem van uitkeringen en toeslagen. In plaats daarvan moet voor allen die beneden een bepaald inkomensniveau vallen een basisinkomen (van het type AOW) worden ingevoerd. Als spiegelbeeld pleit Van Zanden voor de invoering van vermogensbelasting (inclusief pensioenvermogen en eigen huis).
Maar de belangrijkste boodschap van Jan Luiten van Zanden is dat de essentiële rol van de staat, ‘als spil van het maatschappelijk kapitaal en gangmaker van institutionele vernieuwing’, weer op waarde geschat moet worden.
Jan Luiten van Zanden: Ons maatschappelijk kapitaal. Een nieuwe economische geschiedenis van Nederland 1980-2020. Prometheus, 296 pagina’s, € 24,99.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!




















