Het internationaal recht beschermt Iraniërs niet tegen een wreed, godsdienstwaanzinnig regime. Het beroep daarop van Nederlandse politici is onnozel en laf.
Artikel beluisteren
In de discussie over de oorlog in Iran botsen twee wereldbeelden: het naïeve en het realistische. De onnozelen beroepen zich op een misinterpretatie van het internationale recht, dat onderdrukten niet aan hun recht en hun vrijheid helpt.
Nederland kent sinds een week twee nieuwe helden, niet van eigen grond maar Perzisch, scherp en dapper in het debat. De naam van de ene is Afshin Ellian (1966), de Leidse hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap en de columnist die we natuurlijk al wat langer kennen maar die in de afgelopen week een zeldzaam niveau van ingetogen welsprekendheid bereikte toen hij mocht vertellen hoe hij de val van de ayatollahs beleefde: met een verwijzing naar ons eigen Wilhelmus. ‘De tirannie verdrijven, die mij mijn hart doorwondt’.
De naam van de tweede is Keyvan Shahbazi, schrijver en Vrijdenker van het Jaar 2024, ooit gevangene en gemartelde van de ayatollahs. Hij sprak op de Nederlandse televisie ontroerd zijn dank uit aan Donald Trump en aan Israël voor de bevrijding van zijn land. Die dank aan Trump staat in Teheran op de muren gekalkt, en de mensen zingen er ‘lieve Bibi’.
Dertigduizend mensen genadeloos gefusilleerd
Het is belangrijk om de analyses van Ellian en Shahbazi goed tot ons door te laten dringen. Zij beschrijven Iran als een samenleving die grotendeels seculier is, maar sinds 1979 in handen is gevallen van een regime van islamistische theocraten. Een theocraat is iemand die wil dat Allah het land bestuurt, en ook gelooft dat hij daartoe een kleine religieuze kaste heeft uitgekozen om zijn wil te kennen en uit te voeren. Het gevolg is gewelddadige onderdrukking, zoals we begin dit jaar nog hebben gezien toen burgers uit protest de straat op gingen. Dertigduizend mensen werden genadeloos gefusilleerd.
Theocraten kennen niet alleen de wil van Allah en presenteren zich niet alleen als de uitvoerders van die wil, maar hebben ook bijzondere inzichten in het verloop van de geschiedenis, en in het bijzonder in het einde daarvan. Alles loopt uit op de grote apocalyps, de grote kladderadatsch, de eindstrijd, die de komst van de twaalfde en laatste imam, de grote verlosser (Mahdi) zal brengen, die sinds de negende eeuw in een staat van verborgenheid in ons midden verblijft.
Tot die tijd is alles geoorloofd. Niet alleen de schending van de vrouwelijke waardigheid en massaslachtingen, maar vooral ook een voortdurende oorlog tegen de ene, grote aartsvijand Israël: via de proxies van Hezbollah in Libanon, Hamas in Gaza en de Houthi’s in Jemen. Om het Armageddon dichterbij te brengen is het massavernietigingswapen van de nucleaire raketten en een bondgenootschap met het kwaad (Rusland en China) belangrijk. Wie zich verzet tegen de ayatollahs verzet zich tegen God, en moet dus uit de weg worden geruimd. Tot in het buitenland (ook in Nederland) levende dissidente Iraniërs aan toe.
Dit is de wereld van de hete godsdienstwaanzin die Ellian en Shahbazi hebben weten te ontvluchten. Zij koesteren geen illusies. En zij hopen dat de aanvallen van de Verenigde Staten en Israël de bevrijding van hun land inluiden tot een democratische rechtsstaat naar westers model.
Nederlandse politiek faalde
Geen groter contrast dan het getuigenis van deze heren en het beeld dat de Nederlandse politiek deze week te zien gaf. Alleen de VVD, in Den Haag bij monde van Dilan Yesilgöz en Ruben Brekelmans, in Brussel bij monde van Bart Groothuis, wist in de loop van de week de dingen juist te benoemen. Maar de anderen faalden. Een volkomen verraste premier Jetten kon alleen maar iets stamelen over ‘terughoudendheid’, ‘de-escalatie’ en het belang van ‘diplomatie’.
Kati Piri (GL-PvdA) blijft geloven in een Europese benadering van sancties en pleidooien voor de vrijlating van demonstranten. Jesse Klaver noemde het Iraanse regime moorddadig en verwerpelijk, maar benadrukte: ‘De aanval van de VS en Israël druist in tegen het internationaal recht en riskeert een oorlog in de regio. Onze inzet moet gericht zijn op diplomatie, de-escalatie en de bescherming van onschuldige burgers.’
Botsende wereldbeelden
De politieke conclusie van het moment is dat we, bij monde van de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Berendsen (CDA), ‘begrip’ voor de Amerikaanse en Israëlische aanvallen hebben, maar dat we toch ook graag hadden gezien dat de VS en Israël de weg van het internationale recht hadden bewandeld.
Hier botsen twee wereldbeelden: het kosmopolitische en het realistische. Kosmopolithisch in de zin van de overtuiging dat deze wereld wordt bewoond door mensen die allen in principe van goede wil zijn en op basis van redelijke argumenten en goede afspraken (vastgelegd in verdragen) nationale en internationale conflicten geweldloos kunnen beslechten.
Realisten zouden dat misschien ook wel willen geloven, maar zien dat er naast mensen van goede wil ook mensen zijn die zich tot jouw vijand hebben uitgeroepen en jou geen eigen plek onder de zon gunnen. Dat inzicht kan leiden tot de overtuiging dat er op een gegeven moment een uitzonderlijke toestand kan aanbreken waarin diplomatie en onderhandelingen naïef en wereldvreemd zijn. Dan moet er iets gebeuren.
Verlammende bureaucratie is geen optie
Volgens de Amerikanen en Israël was dat moment aangebroken. Tijdens de onderhandelingen met Iran waren zij niet alleen tot de overtuiging gekomen dat Iran, ondanks de twaalf dagen van oorlog in juni vorig jaar, ergens in het westen van Iran toch nog een arsenaal aan wapens had weten te verbergen en dat de productie van atoomwapens daar ver was gevorderd. En dat Iran bereid was die op korte termijn in te zetten. Dan praat je niet verder, in afwachting van dat moment waarop je dan kunt reageren, maar je bent dat moment voor en je gaat over tot actie, ‘pre-emptive’, volgens de methode-Israël (zie het gelijknamige boek van Jacques de Kadt).
Want wat zou het bewandelen van de weg van het internationale recht betekenen? Het zou betekenen dat alle bewijs eerst moest worden verzameld en op tafel moest worden gelegd, voorgelegd aan de Verenigde Naties, en dat de Veiligheidsraad (met landen als Rusland en China) vooraf toestemming moest hebben verleend voor de aanvallen. Op een moment van directe bedreiging waarin zelfverdediging onmiddellijk aan de orde is, is deze verlammende bureaucratie geen optie.
En datzelfde internationale recht laat bovendien de mogelijkheid open om een oorlog achteraf te verantwoorden en de gegevens van een unieke informatie- en intelligence-positie op een later moment op tafel te leggen. Anders dan het internationale recht helpt het recht van de sterkste onderdrukte mensen soms wel aan hun recht en hun vrijheid.
Vanuit deze positie van strategisch realisme is de houding van Nederlandse politici alleen maar te classificeren als wereldvreemde naïviteit, zo niet lafheid, machteloos commentaar vanaf de zijlijn, met een beroep op ‘recht’ dat niet beschermt, en de Iraniërs aan hun lot overlaat tegenover een wreed en moorddadig, godsdienstwaanzinnig regime.
Emotionele overreactie
Tot dat strategisch realisme behoort natuurlijk ook het verzet tegen het besluit van de regering, uit een soort emotionele overreactie, om de gasputten in Groningen met beton dicht te storten. De afsluiting van de straat van Hormuz laat zien dat een strategische reserve geen overbodige luxe is.
Ook hier staat het harde realisme dat de wereld neemt zoals die daadwerkelijk is, tegenover de machteloze onnozelheid van posthistorische beroepsbestuurdertjes die de werkelijkheid niet onder ogen willen en durven zien.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















