Honderd jaar bakkeleien: is ons gedrag aangeboren of aangeleerd?

WW Kuipers 5 mei 2026
Een eeuw geleden introduceerde de Amerikaanse antropologe Margaret Mead de overaccentuering van nurture boven nature. Beeld: YouTube.

Artikel beluisteren

Het nature-nurture debat woedt al een eeuw, maar de biologische basis van ons gedrag is ondanks toegenomen maatschappelijke druk onloochenbaar

The Kinks wisten het blijkens hun monsterhit Lola al in 1970: ‘Girls will be boys and boys will be girls / It’s a mixed up, muddled up, shook up world.’ De tweede feministische golf was losgebarsten en woedde ook in Nederland. Dolle Mina bezette in het Lola-jaar de redactie van Margriet, sommigen gehuld in bloemetjesschorten of gewapend met mattenkloppers en zwabbers. Want er zat ‘een luchtje aan de damesbladen’, die nu eindelijk serieuze aandacht moesten gaan besteden aan de maatschappelijke positie van de vrouw

Vrouwen moesten de traditionele mannenwereld gaan veroveren en de mannen moesten verantwoording leren nemen voor huishoudelijke taken en verzorging van de kinderen. Tegelijk groeide de aandacht voor gendervraagstukken en transpersonen. In 1972 was de Genderstichting opgericht, in 1975 opende de eerste genderpoli ter wereld bij het Amsterdamse VU-ziekenhuis. Nederland werd internationaal koploper in de transgenderzorg.

In 2017 beleefde ons land zelfs een heuse genderzomer, aldus Syp Wynia in Elsevier Weekblad van 26 augustus van dat jaar, gekenmerkt door ‘bovenmatige aandacht voor “tweeslachtigen”’, genderneutrale taaltips en dito toiletten. Die ontwikkeling, sindsdien verre van gematigd, ging en gaat gepaard met een vloed van onderzoeken waarin wordt ‘aangetoond’ dat geslacht een keuze zou zijn en een geen biologische determinant. Een jong voorbeeld van zo’n studie is recent gepubliceerd in Development Psychology en kreeg ook in Nederland aandacht op de website scientias.

Roze jurkjes

Onderzoekers vroegen 147 kinderen van 5 tot 10 jaar in New York City om een meisjes- en een jongensvragenspel te spelen. Elk spel bestond uit vragen over onderwerpen die met een bepaalde geslacht worden geassocieerd, zoals ‘welke van deze bloemen is een klaproos?’ (meisjesvragenspel) en ‘welk voetbalteam was kampioen in 2016?’ (jongensvragenspel).

Kinderen nemen volgens het onderzoek de gendernormen niet alleen waar, maar internaliseren, verdedigen of vermijden ze actief – al vanaf ongeveer vijf jaar. Jongens leren dat vrouwelijkheid moet worden gemeden en mannelijkheid nagestreefd, meisjes willen graag stereotiep meisjesachtig zijn, maar dit aspect neemt kennelijk af met de leeftijd, misschien omdat ze soms worden aangemoedigd om prestaties na te streven in traditioneel mannelijke domeinen, zoals sport.

Een te kleine groep deelnemers en een te specifieke omgeving voor betrouwbare resultaten zou je zeggen, en de uitkomsten lijken vooral wat de meisjes betreft boterzacht. Dat er net zoveel fysiologische varianten van ‘mannelijkheid’ en ‘vrouwelijkheid’ bestaan als individuen, is een open deur. Het gaat natuurlijk om de trend waarin dergelijk onderzoek past. Nurture over nature, cultuur boven biologie.

De Nederlandse bespreking is van de hand van sociologe Jeanette Kras. ‘Kreeg je roze jurkjes aan of juist autootjes voor je verjaardag? Zeker vroeger, maar nu nog steeds word je heel vanzelfsprekend tot jongen of meisje “gemaakt”’, schrijft ze. En verderop: ‘Als vrouwen zich niet stereotiep vrouwelijk gedragen, krijgen ze vaak te maken met negatieve reacties en worden ze angstig.’ Volgens mij wijst deze formulering er juist op dat ‘gendergedrag’ vooral niet aangeleerd is, maar juist op biologisch gefundeerde predispositie wijst, maar dat terzijde.

Kras berichtte op scientias eerder onder meer over Engels onderzoek naar de vraag of mensen van nature agressief zijn. Een bekende aanname over de evolutionaire oorsprong van menselijk geweld zou hierdoor ‘op losse schroeven’ zijn gezet. Want ook bij agressie spelen naast ‘diepe evolutionaire wortels’ sociale en culturele factoren mogelijk ‘een belangrijkere rol dan gedacht’.

Ruzie over Samoa

Een eeuw geleden introduceerde de Amerikaanse antropologe Margaret Mead de overaccentuering van nurture (aangeleerd gedrag) boven nature (aangeboren gedrag). Ze was naar Oceanië getogen en publiceerde in 1928 Coming of Age in Samoa. Op basis van haar onderzoek naar Samoaanse meisjes in hun als hecht en seksueel relatief taboevrij omschreven samenleving concludeerde Mead dat opvoeding en sociale factoren (nurture) dominanter zijn dan biologische (nature) bij de ontwikkeling van menselijk gedrag.

Coming of Age in Samoa werd een standaardwerk en een vaandel van feministisch en progressief gedachtengoed. Later bleek dat Meads ‘participerende observatie’ allesbehalve een voorbeeld van wetenschappelijke objectiviteit was geweest. De Nieuw-Zeelandse antropoloog Derek Freeman bekritiseerde haar werk vanaf 1968 hevig. Samoa was helemaal geen seksueel bevrijde samenleving. Integendeel, ze werd gekenmerkt door seksuele onderdrukking, geweld en criminaliteit van adolescenten (Margaret Mead and Samoa, 1983).

Het werd een van de felste debatten in de geschiedenis van de culturele antropologie, en binnen de bredere sociale en menswetenschappen tussen de stroming van het sociaal constructivisme, dat het aanleren van (gender)gedrag centraal stelt, en de bio- of evolutionaire psychologie en sociobiologie, die uitgaan van de biologische en evolutionaire oorsprong van gedrag.

Jagende primaten

Een zeer eclatante vertegenwoordiger van die laatste stroming was de onlangs overleden zoöloog en beeldend kunstenaar Desmond Morris (1928-2026), die in 1967 The Naked Ape publiceerde, waarin de mens wordt opgevoerd als nagenoeg haarloze aap, wiens moderne gedrag diep geworteld is onze geschiedenis als jagende primaten.

Het boek werd een van de succesvolste populairwetenschappelijke werken ooit, met een totale oplage van tien tot twintig miljoen en meer dan dertig vertalingen; de eerste Nederlandse vertaling De naakte aap verscheen in 1968. Het werk ontmoette een storm van kritiek van onder meer de katholieke kerk (uiteraard), antropologen, biologen en auteurs uit de sociaal-maatschappelijke hoek. Morris zou homofoob zijn, een seksist en een racist.

Zelf sprak Morris (‘I’m a tribal animal’) in interviews vooral over de ‘genetische suggestie’ die aan ons gedrag ten grondslag ligt, naast culturele ‘flexibiliteit’. Toegegeven: ook Mead probeerde in een later stadium haar zienswijzen enigszins te nuanceren.

Dat soortgelijke methodiek van gecontroleerde observatie en vraagstellingen geheel verschillende uitkomsten kan opleveren, gekleurd door impliciete uitgangspunten, toont een door Morris aangehaald onderzoek uit 1966 over angst voor spinnen bij meisjes en jongens, uitgevoerd door de psychiaters en fobiespecialisten I.M. Marks en M.G. Gelder en gepubliceerd in het American Journal of Psychiatry. Bij jongens was er geringe toename van spinnenhaat van vier- tot veertienjarige leeftijd. Bij meisjes ook, maar bij hen deed zich een frappante stijging voor vanaf de puberteit; op veertienjarige leeftijd bleken tweemaal zo veel meisjes spinnen te haten als jongens. Als dat geen duidelijke genderkloof was!

Zelfverminking

Na de protesten rondom de dood van George Floyd (2020) nestelde woke met zijn ontstellende kokervisies zich net zo onuitroeibaar in ons taalgebruik en onze mores als de Amerikaanse rivierkreeft in onze binnenwateren. De in de ‘genderzomer’ van 2017 al rondgaande ‘taaltips’ om genderneutraliteit te promoten groeiden bijvoorbeeld aan tot een heel reeksje taalgidsen, zo idioot dat ze elke satire bij voorbaat het wapen uit handen slaan.

Gelukkig zwicht lang niet iedereen voor deze culturele en cognitieve zelfverminking. In de Nederlandse psychiatrie blijkt zelfs aanzienlijke aandacht voor ‘gendersensitieve zorg’ te zijn, vooral door het werk van psychiater en neurowetenschapper Iris Sommer, die zich vooral richt op de biologische aspecten van psychiatrische aandoeningen. Vrouwen zijn in deze visie geen alternatieve mannen (en vice versa); hun hormonen, immuunsysteem en hersenstructuur leiden tot wezenlijke verschillen die onloochenbaar een biologische basis hebben.

Een meer uitgesproken criticus van de hedendaagse transgenderzorg voor met name minderjarigen is ethicus Jilles Smids, die pleit voor een veel voorzichtiger aanpak, met meer aandacht voor alternatieve verklaringen en psychologische ondersteuning in plaats van meteen een medisch traject. Kiezen voor een ander geslacht blijkt soms voort te vloeien uit een ander probleem, of is een gevolg van ‘sociale besmetting’: de invloed van vrienden en sociale media. Toch een beetje nurture over nature.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!