Ideologische praatjes en wensdenken zijn funest voor onze energierekening én voor de energiezekerheid
Artikel beluisteren
De oorlog in Iran heeft de beleidsmakers in Brussel en in de hoofdsteden van de Europese Unie met de neus op de feiten gedrukt. Olie en gas zijn nog steeds de motor waarop de economie draait en dat zal voorlopig niets aan veranderen.
Het vigerende Europese (en Nederlandse) energiebeleid wordt evenwel gekenmerkt door een spanning tussen politieke ambities en de praktische realiteit van het energiesysteem. De doelstellingen zijn helder en ambitieus: Europa wil versneld overstappen op hernieuwbare energie, fossiele brandstoffen uitfaseren en tegelijkertijd energieonafhankelijker worden. In beleidsdocumenten en politieke verklaringen klinkt het alsof deze transitie niet alleen noodzakelijk, maar ook onvermijdelijk is.
Toch ontstaat er steeds vaker een kloof tussen deze politieke ambitie en de economische en technische realiteit waarin het energiesysteem moet functioneren. Terwijl overheden grote investeringen aankondigen en nieuwe klimaatdoelen formuleren, laten de ontwikkelingen in het Midden-Oosten zien dat Europa nog altijd sterk afhankelijk blijft van fossiele energiebronnen. De energietransitie bevindt zich daardoor in een spanningsveld tussen ideologie en werkelijkheid.
Hogere versnelling
Nationale regeringen en Europese instellingen zetten massaal in op elektrificatie en op grootschalige investeringen in hernieuwbare energiebronnen zoals zon en wind. De Nederlandse regering besloot bijvoorbeeld om bijna acht miljard euro vrij te maken voor nieuwe windparken op zee. Dat besluit is opvallend, omdat er eerder nog grote vraagtekens werden gezet bij de financiële haalbaarheid van dergelijke projecten. In verschillende Europese landen mislukten aanbestedingen voor offshore windparken, omdat energiebedrijven zonder overheidsgaranties of subsidies geen rendabele businesscase zagen.
Op Europees niveau zijn de bedragen nog vele malen groter. De Europese Commissie stelt dat er tot 2030 jaarlijks ongeveer 660 miljard euro nodig is om de energietransitie te realiseren. In het decennium daarna zou dat bedrag zelfs kunnen oplopen tot bijna 700 miljard euro per jaar. Publiek geld moet daarbij fungeren als hefboom om enorme hoeveelheden privaat kapitaal aan te trekken. Europese instellingen, zoals de Europese Investeringsbank, spelen daarin een sleutelrol door financiële constructies op te zetten die risico’s voor investeerders beperken.
De boodschap vanuit Brussel is eenduidig: deze investeringen zijn noodzakelijk om Europa energieonafhankelijker te maken en om de klimaatdoelen te halen. De energietransitie wordt gepresenteerd als dé oplossing voor de huidige energiecrisis. Klimaatbeleid fungeert daarbij als moreel en politiek kader om nog meer publiek en privaat kapitaal te mobiliseren.
Op papier klinkt dat als een logisch en consistent verhaal. Maar wie voorbij het narratief kijkt, ziet een realiteit die veel complexer – en soms ronduit tegenstrijdig – is.
Kwetsbaar energiesysteem
Terwijl Europa zich politiek committeert aan het afbouwen van fossiele energie – en met name aan het beëindigen van de afhankelijkheid van Russische energie – laten de feiten een ander beeld zien. Zo meldde Reuters recent dat de aanvoer van Russisch aardgas via de TurkStream-pijpleiding naar Europa in maart met ongeveer 22 procent was gestegen ten opzichte van dezelfde maand een jaar eerder.
Ook plannen om een permanent importverbod op Russisch aardgas in Europese wetgeving vast te leggen, werden recent uitgesteld vanwege ‘geopolitieke ontwikkelingen’. Met andere woorden: ondanks alle politieke ambities blijkt Europa in de praktijk nog steeds afhankelijk van fossiele energiebronnen die het juist zegt te willen afbouwen.
De recente verstoringen op de energiemarkt door de oorlog in Iran hebben bovendien blootgelegd hoe kwetsbaar het Europese energiesysteem nog altijd is. Wanneer aanvoerroutes voor olie en gas onder druk komen te staan, stijgen prijzen vrijwel onmiddellijk en ontstaat onzekerheid over leveringszekerheid.
In reactie daarop grijpen verschillende Europese landen terug naar oplossingen die haaks staan op de klimaatambities. Italië en Duitsland hebben opnieuw kolencentrales ingezet om elektriciteitstekorten op te vangen en gas te besparen. Ook in Nederland wordt inmiddels openlijk gesproken over het langer openhouden van kolencentrales, simpelweg omdat ze nodig zijn voor de stabiliteit van het elektriciteitsnet.
Dit soort maatregelen onderstreept een ongemakkelijke waarheid: ondanks alle investeringen in hernieuwbare energie draait het Europese energiesysteem nog steeds grotendeels op fossiele brandstoffen.
Technische grenzen
Dat is geen ideologische stelling, maar een technisch en economisch gegeven. Hernieuwbare energiebronnen zoals zon en wind hebben namelijk fundamentele beperkingen. Ze zijn afhankelijk van weersomstandigheden, leveren dus geen constante energieproductie en vereisen daarom grootschalige opslagcapaciteit of back-upsystemen om het elektriciteitsnet stabiel te houden.
Die opslagtechnologie – bijvoorbeeld in de vorm van grootschalige batterijen of waterstof – bestaat op papier, maar is in de praktijk voorlopig niet aanwezig. Het is zelfs twijfelachtig of deze vormen van opslag er ooit (op grote schaal) komen. Batterijen leveren maar een (zeer) beperkte capaciteit en die is ook nog van korte duur. De productie van waterstof kent vele problemen. Zo is een rendabele productie eigenlijk alleen maar mogelijk met kernenergie, maar met maar één operationele centrale – in Borssele – doet Nederland daar nauwelijks aan. Daarnaast stellen wind- en zonneparken enorme eisen aan netcapaciteit. In veel Europese landen, met Nederland voorop, is netcongestie inmiddels een serieus probleem geworden.
Tegelijkertijd stimuleert de overheid juist ontwikkelingen die de elektriciteitsvraag verder vergroten. Elektrische auto’s, warmtepompen en elektrische verwarmingssystemen worden actief gepromoot via subsidies en fiscale voordelen. Dat leidt tot een groeiende vraag naar stabiele en betrouwbare stroomvoorziening.
Het resultaat is een paradox: terwijl de energieproductie steeds afhankelijker wordt van variabele bronnen zoals zon en wind, groeit tegelijkertijd de behoefte aan een stabiele elektriciteitsvoorziening.
De crisis als rechtvaardiging
In plaats van deze spanningen te gebruiken om het bestaande beleid kritisch te evalueren, gebeurt in de praktijk vaak het tegenovergestelde. De energiecrisis wordt juist aangegrepen als argument om het huidige beleid verder te intensiveren. Meer investeringen, meer subsidies en meer financiële garanties voor investeerders. Vooral door GroenLinks-PvdA wordt dit gepromoot en door oud-PvdA-leider Diederik Samsom, voorzitter van de raad van commissarissen van de Gasunie, in de praktijk al ingezet. Met als gevolg dat de gasvoorraad inmiddels is teruggebracht tot minder dan 5 procent.
Het Europese plan om honderden miljarden euro’s per jaar te mobiliseren is het duidelijkste voorbeeld. Publiek geld wordt ingezet om risico’s te socialiseren en investeringen in technologieën te stimuleren die zonder die steun niet rendabel zijn. Zoals offshore wind. Nog niet zo lang geleden leken verschillende projecten stil te vallen omdat ontwikkelaars zich terugtrokken. Zonder subsidies, prijsafspraken of overheidsgaranties bleken de projecten financieel te riskant.
Met andere woorden: de energietransitie blijkt in veel gevallen alleen economisch haalbaar wanneer de overheid een groot deel van de risico’s overneemt.
Rekening voor burgers en bedrijven
Die risico’s verdwijnen echter niet; ze verschuiven. Uiteindelijk belanden de kosten van deze grootschalige herstructurering van het energiesysteem bij burgers en bedrijven. Dat kan via hogere belastingen, stijgende energietarieven of indirect via inflatie.
Tegelijkertijd blijft de belofte van lagere energiekosten en grotere energie-onafhankelijkheid vooralsnog uit. Integendeel: de energierekeningen zijn de afgelopen jaren juist sterk gestegen en de afhankelijkheid van internationale energiemarkten blijft groot.
Geen ideologisch project
Energievoorziening is uiteindelijk geen ideologisch project, maar een praktisch systeem dat onder alle omstandigheden moet functioneren. Het moet betrouwbaar zijn, betaalbaar blijven en schaalbaar zijn voor een moderne industriële economie.
Wanneer politieke besluitvorming zich vooral laat leiden door wensdenken en morele doelstellingen, zonder voldoende rekening te houden met technische beperkingen en economische realiteit, ontstaat een gevaarlijke kloof tussen beleid en werkelijkheid.
De geschiedenis leert dat een dergelijke kloof uiteindelijk niet kan blijven bestaan. Politieke narratieven kunnen de realiteit tijdelijk maskeren, maar niet permanent veranderen. Uiteindelijk is het niet de politiek die bepaalt wat waar is, maar de werkelijkheid die zich onvermijdelijk aandient.
Juist daarom is een open en realistisch debat over energiebeleid vandaag belangrijker dan ooit. Een debat dat hopelijk ook in de Tweede Kamer wordt voortgezet en vervolgens leidt tot het veiligstellen van de energielevering. Het versnellen van de energietransitie is geen oplossing, maar onrealistisch wensdenken.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















