Kabinet, ga niet mee in Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie
Artikel beluisteren
De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) gaat onder leiding van een nog aan te stellen programmaleider een nationale aanpak tegen moslimdiscriminatie invoeren. Nationaal coördinator Rabin Baldewsingh stelt hierover:
‘Er was vanuit de moslimgemeenschap een wens voor een nationaal coördinator tegen moslimdiscriminatie. De politiek heeft daar geen gehoor aan gegeven. Te lang hebben we onderzoek na onderzoek gehad. Telkens weer bleek: moslimdiscriminatie is een groot, toenemend, probleem. Maar niemand heeft de handschoen opgepakt. Dus nu doe Ãk dat.’
Rammelende onderzoeken
Dit lijkt grotendeels ingegeven te zijn door de uitkomsten van twee onderzoeken naar moslimdiscriminatie. Het ene is van een jaar geleden, uitgevoerd door de Universiteit Utrecht in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken, waar dit onderwerp belegd is. Het respondentenaantal daarvan was laag en de keuze van respondenten was selectief. Anekdotes werden voor waar aangenomen en het onderzoek ‘rammelde aan alle kanten’.
Het tweede onderzoek is recenter verricht door het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS), een samenwerking tussen Verwey-Jonker en Movisie. Dit onderzoek werd bij Wynia’s Week beschreven door Benno de Jongh. Het onderzoek werd gefinancierd door ISN Academie, waarvan de academische directeur getrouwd is met de leidend onderzoeker van KIS. Daarnaast is ISN onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland, de moskeekoepel Diyanet. De Jongh uit soortgelijke kritieken als op het onderzoek van een jaar eerder.
Inmiddels is het onderzoek van KIS offline gehaald, maar de NCDR lijkt dat weinig te deren. Voor de NCDR gaat het immers om ‘de wens’ van de islamitische gemeenschap en die luidt: een nationale aanpak. Baldewsingh gebruikt het rapport expliciet om zijn aanpak bij het kabinet aan te brengen.
De NCDR wil met de nationale aanpak van moslimdiscriminatie zorgdragen voor het verstevigen van de plek van moslims in onze maatschappij, als ‘volwaardige burgers’. Centraal staan daarin het onderwijs, de arbeidsmarkt, veiligheid in algemene zin, het bestrijden van online haat, en ‘de bescherming van religieuze vrijheid’.
De vraag wat moslimdiscriminatie dan precies behelst is natuurlijk cruciaal. Op de website van de NCDR staat daar niets over. Sterker nog, zelfs het zoeken naar een definitie van discriminatie bleek op deze site als zoeken naar een speld in de hooiberg (die ik nog niet gevonden heb). De essentiële vraag is vanaf wanneer er sprake is van discriminatie: als iemand iets als zodanig ervaren heeft of als dat meer objectief bezien het geval was in een bepaakde casus?
Ervaringen van discriminatie
Meestal wordt de eerste optie (uitgaan van ervaringen van melders) gehanteerd door meldpunten en coördinatoren. Daar kunnen meerdere redenen voor zijn. Ten eerste dat zij baat hebben bij hogere cijfers. Ten tweede dat het soms lastig is te duiden of een melder de waarheid spreekt; het is vaak niet eenvoudig vast te stellen wat er feitelijk is gebeurd. Ten derde geldt dat zelfs als de feitelijkheden bekend zouden zijn er allerlei nuances kunnen zijn waarom er wel of niet sprake zou zijn van discriminatie. De toetsing is complex en tijdrovend. Oftewel, het registeren van ervaringen van discriminatie als zijnde discriminatie is veel gemakkelijker dan een nauwkeurige, weloverwogen toetsing aan de hand van normatieve criteria.
Het Verenigd Koninkrijk achterna?
Dit alles is in lijn met het uitgangspunt in het Verenigd Koninkrijk (VK), waar een werkgroep in opdracht van de regering een werkdefinitie van ‘anti-moslim vijandigheid’ heeft opgesteld:
‘Anti-Muslim hostility is intentionally engaging in, assisting or encouraging criminal acts – including acts of violence, vandalism, harassment, or intimidation, whether physical, verbal, written or electronically communicated – that are directed at Muslims because of their religion or at those who are perceived to be Muslim, including where that perception is based on assumptions about ethnicity, race or appearance.’
Vooringenomen stereotyperen
Het voorzichtig positieve aan deze definitie is dat er een drempelwaarde is, die begint bij ‘strafbare feiten’ (ervan afgezien, wat ik wel vaker in Wynia’s Week betoog, dat belediging mijns inziens niet strafbaar hoort te zijn in een liberale democratie). Direct daarop wordt die drempelwaarde echter verlaagt:
‘It is also the prejudicial stereotyping of Muslims, or people perceived to be Muslim including because of their ethnic or racial backgrounds or their appearance, and treating them as a collective group defined by fixed and negative characteristics, with the intention of encouraging hatred against them, irrespective of their actual opinions, beliefs or actions as individuals.’
Vooringenomen stereotyperen van moslims, waarbij de focus ligt op negatieve eigenschappen van die groep, kan dus ook onder anti-moslim vijandigheid vallen. Cartoonisten, maak je borst maar nat. Ja, deze definitie vereist dat de ‘pleger’ de intentie had om haat tegen de groep aan te moedigen. Mijn criticus zal zeggen dat de cartoonist daarmee wordt vrijgepleit, maar hoe stel je die intentie in de praktijk vast?
Kwaadaardigheden
Daarnaast rijst de vraag of het niet juist belangrijk is om de aandacht te richten op de negatieve kanten van een cultuur, religie of ideologie, en daarmee op de groep die die aanhangt. Je zou kunnen zeggen dat nu kwaadaardigheden worden getolereerd ter bescherming van de mogelijk gekwetste gevoelens van de groep die deze kwaadaardigheden begaat of – al dan niet stilzwijgend – steunt. Toch durft de regering in het VK te beweren dat een specifieke definitie van ‘anti-Muslim hostility’ niet gaat over het geven van extra privileges aan moslims of extra bescherming van de islam.
Timing
Ook de timing van de aankondiging van de nationale aanpak is op zijn minst onhandig. De NCDR beweert dat de aankondiging gedaan werd in het kader van internationale islamofobiedag (15 maart). Zo’n dag is te begrijpen voor zo’n aanpak, maar toch wringt dat. De terreurgroep Harakat Ashab al-Yamin al-Islamiyyah pleegde slechts enkele dagen eerder aanslagen op een synagoge in Luik, op een synagoge in Rotterdam en op een joodse school in Amsterdam. Drie dagen voor de aankondiging reed een Amerikaan van Libanese afkomst met een auto in op een synagoge in Michigan. De wortels van dat antisemitisme liggen waarschijnlijk in de islam.
Wat waarschijnlijk het beste bijdraagt aan het bestrijden van moslimdiscriminatie is open en eerlijke berichtgeving over misdaden uit naam van islam. Dat die niet worden weggemoffeld en dat het publiek eerlijk geïnformeerd wordt. Dat moslims zich daar actief tegen uitspreken.
‘Niet in mijn naam’ wordt veel gebruikt door Nederlanders, over gewelddadigheden van Israël in de Palestijnse gebieden, die niets met de oorlog tegen Hamas te maken hebben. Die slogan wordt echter niet gebruikt door moslims wanneer geloofsgenoten misdadigheden uit naam van hun geloof uitvoeren. Gewelddadige of illiberale islamitische teksten zouden actiever moeten worden verworpen, ook als ze afkomstig zijn uit de Koran of wanneer het om uitspraken van de profeet Mohammed gaat (in de hadith).
Geen reden voor aparte anti-discriminatiekoers
Zolang (1) niet voldoende specifiek kan worden uitgelegd wat moslimdiscriminatie is, (2) onvoldoende objectief en betrouwbaar wordt onderbouwd dat op grote schaal sprake is van moslimdiscriminatie – in tegenstelling tot slechts ervaringen – en (3) dat moslimdiscriminatie aanzienlijk meer voorkomt dan andere vormen van discriminatie, is er geen reden om een aparte anti-discriminatiekoers te voeren voor moslims dan voor joden, christenen of atheïsten.
Kabinet, ga niet mee in de Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!






















