‘Legers winnen veldslagen, naties winnen oorlogen.’ Militaire lessen van de Commandant Landstrijdkrachten Jan Renger Swillens

WW Vrijsen 7 april 2026 DEF
Luitenant-generaal Jan Renger Swillens. Foto: Ministerie van Defensie.

Artikel beluisteren

Alle militairen dragen aan een kettinkje van 70 centimeter een ‘HEPLA’, een herkenningsplaatje. Naam, bloedgroep en geboortedatum staan er twee keer op. Boven- en onderzijde. Als je sneuvelt, breekt iemand de onderzijde af, zodat je geïdentificeerd het graf ingaat en de legerleiding het bewijs heeft dat je overleden bent. Daarom heet het roestvrijstalen naamplaatje informeel ook wel het ‘val dood plaatje’. Het hoort bij het uniform.

Luitenant-generaal Jan Renger Swillens (58) heeft ook een HEPLA, maar hij heeft een extra exemplaar laten maken. Een soort gedachtensteuntje om onder alle omstandigheden te kunnen beseffen waar het in het leven van een soldaat om gaat. In dat extra val dood plaatje staat een mooie leeuw gegraveerd en daarnaast in hoofdletters de functie: COMMANDANT LANDSTRIJDKRACHTEN. Daaronder staat, ook in blokletters, zijn bericht aan de troepen: ‘WILLEN – SLIMMER – KUNNEN VECHTEN’.

Doener en denker

Swillens heeft met zijn volledig kaalgeschoren hoofd en zijn afgetrainde, sportieve voorkomen een beetje het uiterlijk van een vuurvreter. Hij spreekt in stellige termen. Tegelijk heeft hij een natuurlijke charme en jovialiteit. Hij is een strakke militair en al veertig jaar in het leger, vooral bij de elitetroepen, maar zijn empathische oogopslag heeft hij behouden. Hij is doener en denker. Hij voltooide een academische opleiding arbeids- en organisatiepsychologie.

Swillens had de leiding over de eerste groep commando’s die in 2002 naar Afghanistan gingen. Later was hij in dat land commandant van een ‘battle group’ van de Luchtmobiele Brigade. In Nederland kreeg hij de leiding over het Korps Commandotroepen, de 43 Gemechaniseerde Brigade en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD). Sinds maart 2024 is hij baas van de landmacht, met ruim 18.000 beroepsmilitairen, 5.000 reservisten en 4.000 burgermedewerkers het grootste onderdeel van de krijgsmacht. ‘Ik had al op allerlei plaatsen gewerkt, maar nog nooit hier op het hoofdkwartier,’ zegt Swillens tijdens een lang gesprek in zijn werkkamer op de Kromhout Kazerne in Utrecht.

In zijn huidige functie heeft hij niet de leiding over de militaire operaties. Dat is aan de Commandant der Strijdkrachten. Swillens en zijn collega’s van de zeestrijdkrachten en de luchtmacht moeten zorgen voor de ‘gereedstelling’. Hun militairen moeten getraind en geoefend zijn, zodat ze snel kunnen worden ingezet waar dat nodig is.

Als baas van de landmacht moet Swillens die voorbereiding in goede banen leiden. Aangezien het om een grote organisatie gaat, is dat een tamelijk abstract proces. En hier herken je de psycholoog Swillens: hij moet zijn mensen motiveren en inspireren. Hij zal het zelf nooit met zoveel woorden zeggen, maar met zijn strakke voorkomen en zijn jovialiteit is hij voor ruim 27.000 landmachters het absolute rolmodel. Hij is populair. Ze willen allemaal zijn kant op.

In gesprek met Swillens krijg je de indruk dat hij enorm zijn best doet om het leiderschap over zijn organisatie concreet te maken. Hij heeft prachtige brochures laten drukken. Hij liet een soort geloofsbelijdenis met de gouden regels ‘Wat is een goede militair?’ inlijsten. Het document hangt in zijn kantoor aan de muur. Hij maakt voortdurend gebruik van de retorische drieslag, omdat hij nu eenmaal weet dat je mensen kunt overtuigen door in drievoud te spreken: ‘Moed, veerkracht, toewijding.’ En er is dat Herkenningsplaatje met zijn Commando Boodschap, ook in drievoud: ‘Willen – slimmer – kunnen vechten.’

Willen

Eerst dat willen. Daar begint het volgens Swillens mee. ‘Toen ik hier in 2024 aantrad, heb ik vooral naar de gebeurtenissen in Oekraïne gekeken. Het intrigeerde mij enorm: hoe konden dit land en volk zoveel weerstand blijven bieden tegen een numeriek veel sterkere tegenstander? Willen is de morele component van de weerbaarheid. Tot de jaren tachtig hadden de landmacht 30.000 beroepsmilitairen en 90.000 dienstplichtigen. Nu hebben we een veel kleiner beroepsleger, maar dat zal de komende jaren sterk groeien en het krijgt een sterke mobilisabele component van reservisten en burgers met specifieke vakkennis.’

Naar het voorbeeld van Oekraïne moet de krijgsmacht volgens Swillens direct samenwerken met de bevolking. Hij geeft het voorbeeld van de duizenden vrouwen die in allerlei werkplaatsen in Oekraïne drones in elkaar knutselen. Een leger dat wil vechten moet zich gedragen weten door de hele samenleving. ‘En vergeet niet dat er ook nog 60.000 Oekraïense vrouwen aan het front in de loopgraven liggen.’

‘Onze missie is Nederland beschermen, desnoods met geweld,’ zegt hij. ‘Tien jaar geleden had ik dat niet eens op deze manier durven uitspreken, want dat zou te oorlogszuchtig hebben geklonken. Maar inmiddels is de wereld natuurlijk wel veranderd.’ Swillens’ gevleugelde gezegde luidt: Armies win battles, nations win wars. Een leger kan een slag winnen, maar geen oorlog. Daarvoor heb je een sterk volk, een weerbare natie nodig.

Dat roept natuurlijk wel de vraag op of Vladimir Poetin niet een beetje gelijk heeft met zijn beweringen dat de softe westerse samenlevingen onvermijdelijk zullen verliezen. Is het lieve Nederland opgewassen tegen – kijk wat ze op allerlei plaatsen in Oekraïne hebben aangericht – de wreedheid van het Russische leger?

Swillens antwoordt met een citaat van de Amerikaanse oud-generaal der mariniers, James Mattis, tevens kortstondig minister van Defensie in de eerste presidentstermijn van Donald Trump. Die heeft ooit snedig opgemerkt: ‘De belangrijkste afstand op het slagveld is de 25 centimeter tussen jouw oren.’ Daar valt geen speld tussen te krijgen, zeker niet voor een arbeids- en organisatiepsycholoog.

‘Het militaire leiderschap is de belangrijkste knop waaraan ik kan draaien,’ zegt Swillens. Officieren, onderofficieren, soldaten, ze moeten een collectief vormen dat zich vindt in een taaie bereidheid om onrecht te verslaan zonder de ethische hoogvlakte – militairen spreken altijd over ‘the moral high ground’ – te verlaten.

‘We wilden in de westerse wereld lange tijd graag geloven dat we het conflict op afstand konden uitvechten. Met technologische middelen en zonder slachtoffers aan eigen zijde. De oorlog in Oekraïne laat zien hoe dichtbij een oorlog komt. De kern van de oorlog is een botsing van wilskracht op wilskracht.’

Geen illusies

De militaire doctrine zegt dat je zó sterk moet zijn dat de tegenstander het niet in zijn hoofd haalt om je aan te vallen. Als hij dan toch aanvalt, moet je hem zoveel schade toebrengen dat zijn wil om te blijven vechten wordt gebroken. In Rusland telt een mensenleven minder dan in West-Europa. Wie houdt de oorlog dan het langste vol?

Hij heeft hierover weleens gesproken met de chef van de Oekraïense landmacht. Die zei dat Swillens zich geen illusies moest maken. In Oekraïne zijn inmiddels ruim een miljoen Russen gesneuveld of zwaargewond uitgeschakeld en nog altijd geeft Moskou niet op. ‘Mijn Oekraïense counterpart zei dat zijn leger moest zorgen dat er elke maand meer Russen worden gedood dan Moskou aan nieuwe soldaten kan mobiliseren.’

De uitputtingsoorlog als koele rekensom van het uitsterven. Dat idee is hier nogal onwerkelijk. Onlangs kwam het bericht dat Defensie treinwagons bestelt om massa’s zwaargewonden te kunnen repatriëren. Sommige burgers schrokken hiervan, veel anderen haalden de schouders op. Zulk grootschalig leed, dat wil er bij de doorsnee Nederlander niet in.

Swillens: ‘Het is heel moeilijk die vertaling te maken, want in Nederland leeft niet het gevoel dat er een echte dreiging is. We moeten het er wel over hebben. We moeten ons fysiek en mentaal voorbereiden op wat kan komen.

‘Toen we naar Afghanistan gingen, was het uitgangspunt dat een gewonde militair daar op dezelfde medische zorg mocht rekenen als in Nederland. Binnen een uur moest de militair op een operatietafel liggen en meestal lukte dat ook. Aan het front in Oekraïne blijkt dit onmogelijk. Je bent als militaire eenheid op jezelf aangewezen en je moet zwaargewonden 24 uur of 48 uur op een basale manier in leven zien te houden. In oefeningen draaien wij nu scenario’s waarin 200 zwaargewonden vallen. Dan moeten de artsen triage toepassen.’

Dit betekent dat zij sommige gewonden niet behandelen, omdat hun overlevingskans te klein is of omdat ze het toch wel overleven. De beperkte operatiecapaciteit is voor de zwaargewonden die het anders net niet redden. Tijdens zo’n oefening dringt de rauwheid van de oorlog tot iedereen door. ‘Het heeft impact,’ zegt de generaal.

Kijk diep in je hart

Als bataljonscommandant van een eenheid die naar Afghanistan werd gezonden, sprak hij – destijds in de rang van luitenant-kolonel – zijn mensen toe. ‘Achthonderd militairen in de zaal. Statistisch gezien zouden tien tot vijftien van hen (zwaar)gewond terugkeren en zouden twee of drie van hen sneuvelen. Iedereen in die zaal denkt: dat kan allemaal wel zo zijn, maar ík ben het niet. Dat is het mechanisme waarmee je met zo’n risico omspringt.’

‘Het vreemde van ons beroep is dat je je op iets moet voorbereiden dat we hopelijk nooit echt zullen ervaren. De kans dat je oorlog gaat meemaken, is erg klein. Maar als het gebeurt, weet je niet hoe het zal zijn.’ De een vecht, de ander vlucht, een derde bevriest.

Swillens: ‘Kijk je heel diep in je hart, dan weet je hoe jij zult reageren. Na het sneuvelen van een kameraad heb ik mensen zien handelen, van wie ik niet had verwacht dat ze zich zo moedig zouden gedragen. In zulke omstandigheden weet je: ik ben ervoor getraind en ik moet nu handelen. Je vecht voor de man of vrouw links en rechts naast je. Valt er een gewonde, dan haal je hem of haar uit de vuurlinie, omdat er een stemmetje in je klinkt dat zegt dat je levenslang spijt zult hebben als je niet optreedt. Daarom kregen ook zoveel Afghanistan-militairen een dapperheidsonderscheiding.’

Hij denkt lang na over de vraag of Nederland ook gedetineerden in ruil voor strafvermindering in het leger zou moeten opnemen. Rusland doet dat op grote schaal. In de Tweede Wereldoorlog deed Canada het ook en voor een deel heeft Nederland zijn vrijheid te danken aan de ex-gedetineerden uit dat land. Als er duizend gedrogeerde Russen met mitrailleurs op je afstormen, lig je in zo’n loopgraaf misschien het liefst naast een straatschoffie die weet wat vechten is.

Swillens spreekt zich hierover niet uit, maar vindt het wel een thema. Hij vindt dat het leger ‘sommige mensen een tweede kans kan bieden’. Eerder op de dag had hij een lunch met alle secretaresses op het hoofdkwartier. ‘Die secretaresses zijn enorm belangrijk. Ze houden alle generaals en kolonels aan het werk. Ze weten ontzettend veel. Ze zijn bepalend voor de sfeer op de werkvloer. Ik wilde graag met iedereen kennismaken en van gedachten wisselen.’

Tijdens de lunch kwam een van de secretaresses met het verhaal over haar zoon die nogal een wilde puberteit achter de rug had. Uiteindelijk werd hij soldaat bij het 17e Bataljon Pantserinfanterie. Dat veranderde hem compleet. Het leger disciplineert, wil Swillens maar zeggen. En je hebt natuurlijk geen bangeriken nodig. ‘Moed, veerkracht en toewijding. Een goede soldaat is fysiek fit, heeft zijn uitrusting voor elkaar, beheerst zijn vak, begrijpt zijn rol in het grotere geheel, geeft niet op als het niet lukt, want dan probeert hij het op een andere manier, en hij zorgt goed voor zijn maten. Maar garanties dat iemand ook effectief is in de strijd, heb je niet.’

Slimmer

Je moet natuurlijk goed getraind en geoefend zijn. ‘Skills and drills,’ zeggen de militairen. Maar dat klinkt te mechanisch, als een Pavlov-reactie. Terwijl de moderne oorlog onvoorspelbaar is en dus creativiteit vergt. Dat bedoelt Swillens met het tweede deel van zijn commandoboodschap: slimmer.

‘Bij elke inzet weet je dat het altijd anders loopt dan gedacht. Je moet improviseren. We hebben dus leiderschap nodig dat zich comfortabel voelt bij onvoorspelbaarheid. Je moet je razendsnel aanpassen en dat moet je continu blijven doen. Slimmer vechten dan je tegenstander, dat moet je tweede natuur zijn.’

Kort na de terroristische aanslagen in Amerika van 11 september 2001 werd Swillens met een Special Forces-eenheid ingezet in Afghanistan. ‘We waren het allereerste clubje dat voet aan de grond zette in Kaboel. Wij hadden nog nooit gehoord van bermbommen. Ik wist wel dat er overal mijnen konden liggen die nog dateerden uit de tijd van de Russische invasie, eind jaren zeventig. De Talibanstrijders begonnen die mijnen te gebruiken als bermbommen. Toen kwamen wij met metaaldetectoren en spoorden de explosieven op. Zij reageerden en plaatsten voortaan kunststof mijnen die ze met een kabeltje tot ontploffing brachten. Daarop kwamen wij met “flanking teams” (een tactiek om de vijand te omsingelen, E.V.). Vervolgens brachten de Taliban hun bermbommen met een draadloze telefoonverbinding tot ontploffing. Toen maakten wij gebruik van stoorzenders. Wat ik ervan heb geleerd, is dat je altijd het initiatief moet behouden, zodat de tegenpartij moet reageren en achter de feiten aanloopt.’

De geweldsinstructie van de commando’s was streng. Trokken de Nederlandse militairen een vallei binnen, dan zagen ze vaak een mannetje van de Taliban op de uitkijk staan. Meteen moesten ze vrezen voor een hinderlaag. Ze beluisterden stiekem het radioverkeer van de Taliban. Was dat mannetje een spion? Ze losten een waarschuwingsschot, pakweg vijftig meter naast hem. Ze hoorden hem over de Taliban-radio krijsen dat hij onder vuur lag. Zo verkregen de Nederlanders een ‘PID’: positive identification. Ze wisten nu zeker dat de man op de heuvel tot de opstandelingen behoorde. ‘Daar mocht je vuur op afgeven,’ vertelt Swillens.

De volgende stap van de Taliban was dat ze niet langer een volwassen kerel op de uitkijk zetten, maar een jongetje van een jaar of 15, die er in westerse ogen uitzag als een kind van 10 of 12. Dan zwegen de Nederlandse wapens, want je schiet geen kinderen neer. Daartoe ga je je niet verlagen.

‘Ethisch besef is de rode draad,’ zegt Swillens. ‘Je moet continu nadenken. Wat willen we hier bereiken? Dit was de realiteit van de echte wereld. In een split-second flitsten de juridische en ethische regels van de geweldsinstructie door je heen. Wat kon je nu nog doen voor je eigen veiligheid? In Afghanistan hebben we die mindset heel goed geleerd. Al mijn huidige bataljonscommandanten dienden in die jaren als luitenant in Afghanistan of Irak, waar ze de leiding hadden over een peloton. Dat geeft mij vertrouwen.’

Kunnen

Een confrontatie met Rusland zal zich niet alleen op het slagveld afspelen. Door inzet van cyberwapens en het verspreiden van fake-nieuws zal ook het thuisfront de ingrijpende gevolgen van een oorlog ondervinden. De vijand zal de bevolking leed en schade toebrengen om het moreel van de natie te breken.

‘Weerbaarheid van de samenleving, dat vind ik een moeilijke vraag,’ zegt Swillens. ‘Ik denk dat als het er echt op aankomt, dat wij Nederlanders opstaan.’

In Oekraïne hebben burgers een appje op hun telefoon om het leger van informatie te voorzien. Ze geven bij voorbeeld door waar mortiergranaten inslaan, zodat de artillerie beter kan richten en vijandelijke doelen kan uitschakelen. Zou zoiets in Nederland ook kunnen? Civiele technologie inzetten als militaire capaciteit? De vijand kan zijn pantserwagens nog zo goed camoufleren, maar als je het dataverkeer van grote aantallen drones, deurbelcamera’s en dashboardcamera’s op een slimme manier analyseert, weet je precies waar de vijandelijke pantserwagens zich bevinden.

Swillens is vijf jaar baas van de militaire inlichtingendienst geweest, dus je hoeft hem over datagebruik niks uit te leggen. ‘Ja, zo werkt dataverkeer.’ Al is het lastig om hiermee te oefenen. ‘Het is goed dat wij zuinig zijn op onze privacy. In het cyberdomein vechten we met één hand op de rug gebonden. Als directeur van de MIVD heb ik meegemaakt dat we soms met twee handen op de rug gebonden waren. Daarom kwam er ook een wetswijziging. We moesten in het digitale domein de Russen en de Chinezen kunnen volgen. Dus daar veranderden dingen, al liet de wetswijziging jaren op zich wachten en in de tussentijd gingen de ontwikkelingen door. Maar als het echt mis zou gaan en de staat van oorlog wordt afgekondigd, gelden andere juridische regimes.’

‘We proberen moderne devices militair toe te passen. Met goede hackposities kun je een informatiepositie opbouwen. Als je nu in Kiev komt, staat de hele samenleving ten dienste van de mannen en vrouwen in de loopgraven. Ik zou niet weten waarom dat in Nederland niet ook gebeurt, indien we fundamenteel, existentieel bedreigd worden.’

Gewend aan luxe

Nederlanders zijn gewend aan luxe, waardoor ze eerder in paniek raken en daardoor individueel gaan handen in plaats van collectief. ‘Tijdens de corona-epidemie ontstond een run op toiletpapier,’ zegt Swillens. Als zoiets gebeurt, heeft de vijand waar hij je hebben wil: in de chaos.

‘Daarom is de folder van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid zo belangrijk. Het werd nogal gebagatelliseerd, maar het is echt van belang dat mensen zichzelf en hun buren in een crisis kunnen helpen. Dat is de kern van de oproep. Zorg dat je jezelf kunt redden, want de overheid heeft nu 24 uur of 48 uur nodig om de zaken te reorganiseren.’

Is er niet veel meer mogelijk dan alleen defensief handelen? In Oekraïne spelen burgers een actieve rol in de oorlog. ‘In Litouwen zie je dat ook. Als er fakenieuws wordt gelanceerd, gaan journalisten dat met de snelheid van het licht weerspreken. Dat wordt niet eens door de overheid gedaan.’

Swillens krijgt nu bijval vanuit het bedrijfsleven. ‘Misschien komt dat ook, omdat er nu geld te verdienen is. Maar er melden zich hier talloze bedrijven met: “Zeg maar wat wij kunnen doen. Welke bijdrage moeten wij leveren?” Dus ik heb niet het gevoel dat wij er alleen voorstaan.’

Oude wapensystemen worden gemoderniseerd, nieuwe wapensystemen worden aangeschaft en de datastromen verbinden alles met elkaar. ‘Het grotere plaatje is dat we technologie nodig hebben om data op te zuigen. Het kunnen data zijn uit de ruimte, zoals satellietbeelden. Het kunnen data zijn, verkregen uit het onderscheppen van radioberichten. Data van dronesbeelden, van akoestische sensoren of gewoon de menselijke waarnemingen die via een appje bij ons komen. Er komen allerlei data bij ons binnen, die we via Satcom, Starlink of landlijnen verplaatsen. We slaan alle data op en vervolgens passen we datascience en Artificial Intelligence toe. We kijken wat we tot militair doel kunnen maken en wat onze besluitvorming kan ondersteunen. Als we dat sneller kunnen dan onze vijand, kunnen we raketten afschieten, drones lanceren, gericht vuur uitbrengen. Dat is er nu aan de gang: dataverwerving, dataopslag, databewerking, met behulp van datastromen militaire effecten creëren.’

Hij vergelijkt het met het interbellum, het tijdvak tussen 1918 en 1939. ‘Toen zag je dat de Duitsers de lessen van de Eerste Wereldoorlog beter leerden dan de Britten en de Fransen. Ze ontwikkelden de tank, de mitrailleur en de langeafstandsverbindingen. Ze bouwden een capaciteit voor Blitzkrieg. De aanvaller, niet de verdediger, was in het voordeel. Dat was de Duitse technologie en leiderschapsstijl. Het was opdrachtgerichte commandovoering.’ Het kostte de geallieerden jaren om Nazi-Duitsland te verslaan.

Stijl van leiderschap

‘Daar zit mijn verhaal,’ zegt Swillens. ‘Het gaat om het fysiek kunnen vechten met drones, counterdrones etcetera. Het gaat ook om een stijl van leiderschap die daarbij past. We moeten als landmacht een cultuur ontwikkelen die past bij de snelle technologie. Daarvoor heeft de landmacht de buitenwereld nodig. Ik wil dat mijn mensen begrijpen dat ze soms de beste software engineers van buiten de krijgsmacht moeten inschakelen. Die komen met creativiteit en andere kennis binnen. Dus je zult in de toekomst landmachteenheden zien, waarin veel meer parttime reservisten zitten, omdat zij specialisten AI of databewerking zijn.’

Hij hoopt dat dit tot de rest van het land doordringt. ‘We kunnen allemaal bijdragen, wij boven ik, meer gemeenschapszin. Daar kan de samenleving als geheel ook wat aan hebben. Het lijkt wel een reclamespot, maar ik geloof er echt in. Het leidt in elk geval ook tot weerbaarheid van de samenleving.’

Een laatste vraag: hoe goed kennen wij de Russen? Swillens kijkt secondenlang naar het plafond. ‘Als ik één ding heb geleerd in Afghanistan: eerst begrijpen, voordat je handelt. Je moet snappen hoe je tegenstander denkt. Bij de inlichtingendiensten werken mensen die hun hele leven niks anders hebben gedaan dan zich inleven in de motivatie van Rusland en de manier van denken van Vladimir Poetin. Wat zij mij leerden: het gedachtegoed van het regime gaat veel dieper dan alleen de oorlog in Oekraïne. Leiders als Poetin voelen een diepe weerstand tegen de westerse samenleving. Ze accepteren dat ze daartegen geweld inzetten waarbij miljoenen Russen kunnen sneuvelen. Dat zien we elke dag opnieuw. Het is de reden dat de Oekraïners keihard blijven vechten, want ze weten wat de prijs is als ze zich overgeven. Voor ons is dat de wake-up call. We moeten als collectief zorgen dat de afschrikking functioneert.’

Willen, slimmer, kunnen vechten, het staat er niet voor niks op dat extra val-dood-plaatje.

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!