Met deze broodjeaapverhalen over de oorlog zouden we op Bevrijdingsdag eindelijk eens moeten afrekenen

WW Bouwman 5 mei 2026
81 jaar na de bevrijding zijn veel oorlogsmythes nog steeds stevig in ons collectieve geheugen verankerd. Beeld: YouTube.

Artikel beluisteren

‘Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg maar het verhaal maakte de oorlog nog erger.’

Met deze spetterende openingszinnen begon de schrijver, historicus en journalist Chris van der Heijden in 2001 zijn bestseller Grijs verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog. Het was evident waarom het boek zoveel aandacht trok. Veel Nederlanders zijn gewend aan de gedachte dat de oorlog en het verhaal óver de oorlog wel zo ongeveer zullen samenvallen. Als er dan toch verschillen zijn, zal het ‘in het echt’ wel erger zijn geweest dan naderhand werd beweerd – en niet andersom, zoals Van der Heijden ons kennelijk wilde doen geloven.

‘Rustig slapen’

Grijs verleden ten spijt zijn veel oorlogsmythes nog steeds niet uit ons collectieve geheugen verdwenen. De bekendste fabel is ongetwijfeld dat premier Hendrik Colijn het Nederlandse volk aan de vooravond van de Duitse inval in een radiotoespraak het advies zou hebben gegevens om ‘rustig te gaan slapen’. In werkelijkheid is in mei 1940 in het geheel geen speech van die strekking afgestoken en zéker niet door Colijn, want die was al sinds augustus 1939 geen premier meer.

Ook heeft de Duitse bezetter, anders dan dikwijls wordt beweerd, zich in Nederland nimmer schuldig gemaakt aan gerichte vervolging van homoseksuelen. Net zo onjuist is het hardnekkige, reeds door diverse pershistorici gecorrigeerde verhaal dat De Telegraaf in de jaren 1940-1945 de meest foute, pro-Duitse krant zou zijn geweest.

Een andere populaire oorlogsmythe betreft het verhaal dat de Duitsers onze landbouwproducten in beslag namen, waardoor Nederland tijdens de bezetting zou hebben gekampt met een nijpend gebrek aan voedsel.

In werkelijkheid werden slechts geringe hoeveelheden voedsel (voornamelijk groenten) naar Duitsland geëxporteerd. De agrarische productie bleef bijna volledig in ‘eigen’ land. Mede als gevolg daarvan was er in Nederland tot de herfst van 1944 van honger nauwelijks sprake. Wel was er in de eerste vier oorlogsjaren gebrek aan bepaalde voedingsmiddelen, waardoor de dagelijkse maaltijden een wat ander karakter kregen: minder vette dierlijke producten en meer kool, peulvruchten en bruinbrood.

‘Alles bijeen was het dieet zeker niet ongezond en kreeg de Nederlander voldoende binnen’, concludeerde de Rotterdamse historicus en hoogleraar Hein Klemann in zijn verhelderende boek Nederland 1938-1948. Economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting (2002).

Pas tijdens de Hongerwinter van 1944/1945 ging het mis, met name in het van zijn agrarische achterland geïsoleerde West-Nederland. In de drie ‘hongerprovincies’ Noord- en Zuid-Holland en Utrecht stierven toen circa 22.000 mensen, omgerekend minder dan één procent van de aldaar woonachtige bevolking. ‘Gegeven de extreme situatie waarin de 4,5 miljoen mensen in dit gebied kwamen te verkeren, moet dat aantal – hoe rampzalig de sterfgevallen op zich ook zijn geweest – als een meevaller worden beschouwd’, aldus Klemann. ‘De grote epidemie bleef uit, wat mogelijk een gevolg was van het feit dat het leeuwendeel van de bevolking tot de tweede helft van 1944 naar behoren was gevoed.’

Hoogconjunctuur

En dan is er ook altijd nog het verhaal dat het tijdens de Duitse bezetting erg slecht zou zijn gegaan met de Nederlandse economie. Onjuist, zeker voor wat betreft de jaren 1940 en 1941.

Nederland beleefde toen een periode van hoogconjunctuur zoals we die sinds de late jaren twintig niet meer hadden gekend, met een op volle toerende draaiende industrie en nagenoeg volledige werkgelegenheid. Belangrijkste oorzaak: een vloedgolf van Duitse orders, die met name de scheepsbouw, de luchtvaartindustrie en de metaal- en machine-industrie deed floreren. Ook de explosieve groei van het aantal rijks-, provincie- en gemeenteambtenaren zorgde voor extra werkgelegenheid.

Eind 1941 zakte de hoogconjunctuur ineen doordat Berlijnse functionarissen besloten zoveel steenkool naar Duitsland te halen dat in Nederland een ernstig tekort aan brandstof ontstond. Vanaf 1942 werd ook een steeds groter deel van onze industriële productie zonder reële betaling naar Duitsland afgevoerd, waardoor gebrek ontstond aan cruciale zaken als zeep, kleding en schoeisel. Ook de in 1942 ingevoerde Arbeidseinsatz en de daarmee samenhangende massale onderduik kwamen de Nederlandse economie niet bepaald ten goede.

Maar toch, in tegenstelling tot de depressiejaren die eraan vooraf gingen, had bijna elke Nederlander in de bezettingsjaren een baan. ‘Het zou’, schreef Klemann in 2002, ‘onjuist zijn alleen op grond daarvan te beweren dat daarmee de welvaart onder brede lagen van de bevolking verbeterde, maar hierdoor verdween wel een onderklasse die in de jaren voorafgaande aan de oorlog bittere armoede had geleden’.

Oorlogsschade overschat

Ook over wat je de nasleep van de Duitse bezetting zou kunnen noemen, doen nog altijd veel broodjeaapverhalen de ronde.

Duurde het jaren en jaren voor Nederland zich had hersteld van de oorlogsschade? Nee, de omvang van de schade werd direct na de bevrijding sterk overschat en de wederopbouw verliep betrekkelijk voorspoedig. De industriële productie was al eind 1947 terug op het vooroorlogse niveau en het reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking bereikte reeds in 1948 het peil van 1938 – en lag daar al in 1950 ruimschoots boven.

Bleven we niettemin nog lange tijd negatieve gevoelens koesteren jegens onze oosterbuur? Nee, ook dat klopt niet. Volgens enquêtes van het gezaghebbende NIPO nam het percentage Nederlanders dat ‘onvriendelijk’ dacht over het Duitse volk snel en gestaag af – van 53 procent in 1947 naar 36 procent in 1950 naar nog slechts 17 procent in 1953.

Sympathie voor Claus

Anders dan linkse intellectuelen en Amsterdamse provo’s ons destijds probeerden wijs te maken, was er evenmin sprake van massale weerzin tegen de Duitse ex-Wehrmacht-soldaat Claus von Amsberg, toen die zich in 1965 aandiende als de verloofde van kroonprinses Beatrix. Volgens een NIPO-peiling had slechts 11 procent van de Nederlanders een negatief oordeel over de verbintenis.

De Duitse bezetting ligt inmiddels 81 jaar achter ons. Een beetje meer tempo bij het opruimen van oorlogsmythes zou misschien helemaal geen kwaad kunnen.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!