De grote politieke vernieuwers van 1966 zaten niet bij de intellectuelen van D66, maar bij de ‘achterlijke’ Boerenpartij van Hendrik Koekoek
Artikel beluisteren
Binnenkort, op 30 april, is het zestig jaar geleden dat de founding fathers van D66 hun eerste bijeenkomst hielden. Dertien intellectuelen uit de journalistiek en het bedrijfsleven, op een enkele uitzondering na jonge dertigers, maakten die zondag hun opwachting in de Bernhardzaal van het Amsterdamse hotel Krasnapolsky. Een half jaar later, op 14 oktober 1966, volgde de officiële oprichting van D66.
Nogal wat politieke waarnemers waren destijds zwaar onder de indruk van de nieuwe partij. Alles aan D66 maakte immers een moderne indruk: niet alleen de sympathieke partijleider Hans van Mierlo, maar ook zijn boodschap dat we de verkalkte ideologieën van de negentiende eeuw – confessionalisme, socialisme, liberalisme – achter ons moesten laten en dat we toe waren aan meer directe democratie, inclusief rechtstreeks gekozen burgemeesters en een rechtstreeks gekozen premier. En wat te denken van de uit Amerika geïmporteerde reclametechnieken waarmee de partij aan de man werd gebracht: ook al hypermodern.
Ouderwets en achterlijk
In al die opzichten leek D66 haaks te staan op de partij die in 1966 bij de Provinciale Statenverkiezingen 6,8 procent van de stemmen kreeg en haar electorale doorbraak beleefde: de Boerenpartij van Hendrik Koekoek. Ouderwetser en achterlijker bestond niet, zo vond het gros van de commentatoren.
Maar de gelauwerde journalist Henk Hofland trok in 1972 in zijn klassiek geworden boek Tegels lichten een totaal andere conclusie. Het ‘eerste zuiver politieke binnenlandse verzet’ in het naoorlogse Nederland, zo schreef Hofland, kwam niet van Provo’s, Maagdenhuisbezetters, Dolle Mina’s of andere linkse helden van de jaren zestig. Nee, het kwam van rechts en het begon al in de jaren vijftig – dankzij onze boeren.
Hofland doelde op de Landelijke Vereniging voor Bedrijfsvrijheid in de Landbouw (BVL). Deze ‘Vrije Boeren’, zoals ze zichzelf noemden, keerden zich tegen de groeiende overheidsbemoeienis met de agrarische sector. Vooral voor kleine landbouwers pakte de stortvloed aan nieuwe regels en voorschriften vaak funest uit.
De welbespraakte Bennekomse veehouder Hendrik Koekoek werd hun voorman. Aanvankelijk was hij politiek actief binnen de CHU, een protestantse voorloper van het CDA, maar in 1958 begon hij voor zichzelf – met de Boerenpartij.
In 1963 kregen Koekoek en zijn aanhangers landelijke bekendheid. Een aantal keuterboeren uit het Drentse Hollandscheveld weigerde nog langer de verplichte heffingen van het bedrijfschap voor de landbouw, het zogenoemde Landbouwschap, te betalen.
Er volgden beslagleggingen en ontruimingen, die gepaard gingen met hevige botsingen tussen Vrije Boeren, sympathiserende omwonenden en de politie. Barricades, gehelmde agenten met karabijnen en traangas, charges, waarschuwingsschoten, een boerderij die in vlammen opging – het was in het naoorlogse Nederland nog niet eerder vertoond.
‘De boeren verloren de strijd tegen het Landbouwschap uiteindelijk, maar Hendrik Koekoek en de Vrije Boeren werden in het hele land toegejuicht als de morele winnaars,’ memoreert historicus en journalist Hans Wansink in zijn onlangs verschenen boek Ontketend Nederland. Van Provo tot PVV. Het leverde Koekoek bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1963 drie zetels op. Bijna twintig jaar zou de Boerenpartij het volhouden op het Binnenhof.
Populistische eenmanspartij
Terugkijkend valt op hoe modern Koekoek was. Met zijn Drentse accent, zijn simpele logica en zijn droge humor (‘Als u vijf’ntwintig guld’n stort, krijgt u ons partijblad gratis’) wist hij als eerste Nederlandse politicus volop te profiteren van het toen nog nieuwe medium televisie. In 1974 scoorde hij zelfs een nummer één-hit in de Veronica Top 40, dankzij de samen met Pierre Kartner alias Vader Abraham gezongen carnavalskraker Den Uyl is in den olie. Geen enkel Tweede Kamerlid heeft hem dat ooit nagedaan.
Net als later de LPF en de PVV was de Boerenpartij in essentie een eenmanspartij, met een politieke stijl die we nu ‘populistisch’ zouden noemen. Koekoek was er voor de simpele kiezer die, in de woorden van Hofland, ‘het gevoel had dat hij afgebluft werd door de deskundigen, dat het niets uitmaakte of hij links of rechts binnen het Bestel koos, dat zijn parlementariërs toch niet of onbegrijpelijk uit hun woorden kwamen en dat alles buiten hem om geregeld werd’.
Ook de bestrijding die Koekoek ten deel viel doet – in retrospectief – erg modern aan. ‘De eerste reactie van het Bestel,’ schreef Hofland, ‘was niet te onderzoeken of de boeren misschien enig recht van spreken zouden hebben, maar hun leider tot een domoor, een fascist, oplichter of staatsvijand te verklaren.’
Koekoek wist dat hij een doelwit was. Uit voorzorg liep hij na spreekbeurten in het land nooit alleen terug naar zijn auto. Daarin lag altijd een ‘boerenwapen’, zoals een bijl of een schep. Maar de linkse activisten waar hij bang voor was, bleken inventiever dan Koekoek had voorzien.
Ze haalden stiekem het eten en het water weg bij zijn pony’s en kregen het zo voor elkaar dat hij in 1980 werd veroordeeld tot duizend gulden boete en twee weken voorwaardelijk – wegens het ‘verwaarlozen’ van zijn dieren. Als ponymishandelaar en onder de nieuwe naam Rechtse Volkspartij ging Koekoek de Tweede Kamerverkiezingen van 1981 in.
Het werd zijn Waterloo. Bij de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen van 1982 volgde nog een mislukte comeback, nadat ook een terugkeer in de gemeenteraad van Ede al op niets was uitgelopen. Daarna werd het stil. Wie nog contact zocht met Koekoek, kreeg een verbitterde man aan de telefoon die het – anders dan voorheen – graag kort hield. In 1987 overleed hij, na een hartaanval.
Geen herdenking
Naar de stalinist Marcus Bakker, voormalig aanvoerder van de CPN en later Europees lijstduwer van GroenLinks, werd in 1991 op het Binnenhof een vergaderzaal genoemd. Anders dan in de Tweede Kamer bij overleden fractievoorzitters gebruikelijk is, werd Hendrik Koekoek door toenmalig Kamervoorzitter Dick Dolman (PvdA) niet eens herdacht.
Dat valt allemaal niet meer goed te maken. Maar toch, op de vraag waar in 1966 de grootste politieke vernieuwers zaten, is zestig jaar na dato nog maar één antwoord mogelijk. Niet bij de intellectuelen in Krasnapolsky, die later alsnog kozen voor een ideologisch etiket (‘sociaal-liberaal’) en waar democratisering inmiddels van de agenda is afgevoerd, maar in Bennekom, bij de eenmanspartij van een rechts-populistische veehouder.
‘Een waarheid als een koe,’ zou Koekoek zeggen.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!




















