Van Provo tot PVV: in het revolutiejaar 1966 begon zestig jaar geleden het ontketende Nederland van nu 

WW Wansink 1 januari 2026
Amsterdam, 10 maart 1966: na de kerkelijke inzegening van het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus in de Westerkerk werd in de Raadhuisstraat een rookbom op de feeststoet gegooid. Beeld: YouTube.

Toen ik ruim een jaar geleden bij Uitgeverij Blauwburgwal aan de deur klopte met een plan voor een nieuwe geschiedenis van hedendaags Nederland, werd ik gastvrij ontvangen. Het idee was om te laten zien hoe Nederland zich had bevrijd van de bevoogding door kerk, zuil en volkspartij, hoe actievoerders en populistische smaakmakers de politieke agenda naar zich toe trokken en hoe de dynamiek in de wereld de natie meer dan voorheen op de proef stelde.  

De titel had ik al: Ontketend Nederland. En het boek zou eindigen met wat je eind 2024 al kon zien aankomen: de val van het onzalige vechtkabinet-Schoof. Maar waar te beginnen? ‘In het revolutiejaar 1966 natuurlijk!’, antwoordde uitgever Syp Wynia. Zogezegd, zo gedaan. Was 1968 het jaar waarin wereldwijd het gezag werd uitgedaagd, bij ons was dat twee jaar eerder.

Tekenen van onvrede

Tekenen van onvrede met Het Bestel, zoals toen de gevestigde orde werd genoemd, waren er al aan het begin van de jaren zestig. Maar op 10 maart 1966 barstte de (rook)bom. Het was de dag waarop Beatrix ging trouwen met de Duitse diplomaat Claus von Amsberg. De partnerkeuze van de kroonprinses was zeer omstreden. De gedachte dat een Duitser die in de Wehrmacht had gediend (maar geen schot had gelost) Prins der Nederlanden zou worden was voor velen ‘onverdraaglijk’.

De leiders van drie joodse kerkgenootschappen gaven geen gevolg aan de uitnodiging de huwelijksplechtigheid bij te wonen. In het stadhuis ontbraken verder zeven gemeenteraadsleden van de PvdA, de fracties van PSP en CPN en één VVD-raadslid.

Dat was Hans Gruijters, in het dagelijks leven chef van de redactie buitenland van het Algemeen Handelsblad en eigenaar van twee kroegen. Hij had, naar eigen zeggen, ‘wel wat beters te doen’. VVD-partijleider Edzo Toxopeus liet weten dat Gruijters door te bedanken voor de uitnodiging ‘de trouw van de VVD aan de constitutionele monarchie verdacht had gemaakt’. Gruijters reageerde met het opzeggen van zijn VVD-lidmaatschap.

Intussen wisten groepen jongeren, die zich die ochtend hadden verzameld bij het monument de Dokwerker om te demonstreren tegen het huwelijk van Beatrix met ‘een Duitse fascist’ door te dringen tot de route van het stadhuis naar de kerk. Ze scandeerden ‘Republiek! Republiek!’ Er gingen pamfletten rond met teksten als ‘Die Mörder sind unter uns’.  Op de hoek van de Raadhuisstraat en de Keizersgracht werden rookbommen gegooid.

De politie sloeg er met de lange lat flink op los; ook omstanders en journalisten liepen rake klappen op. Het was allemaal goed zichtbaar in de huiskamers. Het aantal tv-toestellen was van 400.000 in 1960 gestegen tot een kleine 2,5 miljoen in 1966.

Amsterdam zou het hele jaar het toneel zijn van confrontaties tussen baldadige jongeren en een politiemacht die met verstoring van de openbare orde steeds minder raad wist. De gemoederen liepen hoog op, tot aan de Tweede Kamer aan toe. Daar was de conclusie dat burgemeester Gijs van Hall en hoofdcommissaris Hendrik Jan van der Molen niet langer te handhaven waren. De smadelijke aftocht van deze gezagsdragers wees op een veel diepere crisis. Het Bestel had zichzelf overleefd. Nederlanders wilden niet langer als minderjarigen behandeld worden.

Beperkte individuele vrijheid

In 1966 was seksueel verkeer van een meerderjarige (21 en ouder) met een minderjarige (vanaf 16) van hetzelfde geslacht volgens artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht verboden. Tussen 1911 en 1971 werden ruim vijfduizend personen op basis van dit artikel voor de rechter gesleept. De helft daarvan werd vrijgesproken, maar de veroordeelden gingen soms voor maanden de gevangenis in.

Huwelijken konden vrijwel alleen ontbonden worden als er sprake was van overspel. Het werkte ‘de grote leugen’ in de hand. Ten overstaan van de rechter was het meestal de man die verklaarde overspel te hebben gepleegd – ook al was dat niet zo. De overspelige had geen recht op alimentatie.

De filmkeuring gold ook voor 18-plussers; ‘aanstootgevende’ scènes werden geknipt. Voor een medisch verantwoorde abortus moest je naar het buitenland. Bedrijfsbezettingen waren illegaal en staken was verboden voor ambtenaren en spoorwegpersoneel. Tegen al deze beperkingen van de individuele vrijheid ontstonden actiegroepen en emancipatiebewegingen. Die drongen door tot de politieke arena. Zo schrapte VVD-minister Carel Polak van Justitie in 1971 artikel 248bis en bracht hij een moderne echtscheidingswet tot stand.

De aspiraties van de ontevredenen werden gepolitiseerd door een nieuwe beweging onder leiding van Hans Gruijters en zijn collega bij het Handelsblad Hans van Mierlo. Voor minder dan ‘het systematisch uitroken van al diegenen, die ons wel even zullen vertellen wat goed voor ons is’, wilden ze het niet doen. Het politieke bestel moest worden opgeblazen. Het einde van de verzuiling was gekomen: katholieken, protestanten en arbeiders hadden geen eigen partijen meer nodig.

Die moesten plaatsmaken voor een brede pragmatische volkspartij die de meerderheid zou veroveren. D’66 moest dan ook ‘bewijzen dat we niet een eigen kerkje willen oprichten en dat we echt bereid zijn zelf óók te ontploffen’.

‘Radicale democratisering’

Ze noemden zich Democraten ’66 – een verwijzing naar de missie van ‘radicale democratisering van de samenleving’. De partij werd op 14 oktober 1966 opgericht. Omdat er op 15 februari 1967 vervroegde verkiezingen zouden plaatsvinden, moest er snel een programma worden geschreven.

D’66 hechtte groot belang aan het slechten van de ‘bolwerken van paternalisme’. Alle werknemers moesten het recht hebben om te staken, ook als de staking niet door een erkende vakbond werd georganiseerd. De filmkeuring voor volwassenen moest verdwijnen. Erkenning als dienstweigeraar moest eenvoudiger worden. Gelijke arbeid voor mannen en vrouwen moest gelijk beloond worden.

De nieuwe partij pleitte voor een debat over het toestaan van ‘vrijwillige vruchtafdrijving’ en voor opname van de pil in het ziekenfondspakket. Voorbehoedsmiddelen zouden overal verkrijgbaar moeten zijn. Deze standpunten stonden niet alleen in het teken van emancipatie, maar ook van ‘rationele gezinsplanning’ om de groei van de bevolking tegen te gaan. Gezinnen van drie of meer kinderen waren immers nog heel gewoon. Zo gingen bij D’66 feminisme en bevolkingspolitiek hand in hand.

‘De bevolkingsgroei’, lezen we in het D’66-programma, ‘is een zeer verontrustend verschijnsel, dat zowel de economische welstand als het algemeen gevoel van welbevinden zeer nadelig beïnvloedt.’ Nederland telde toen 12,2 miljoen inwoners.

Met een gekozen burgemeester en een gekozen minister-president wilde D’66 de kiezer ook een stem op de uitvoerende macht geven. Herinvoering van het districtenstelsel (afgeschaft in 1917) zou de band tussen kiesdistrict en volksvertegenwoordiger herstellen. Doordat de afgevaardigde sterker aan zijn district, dat zijn stemgedrag in de gaten hield, was gebonden, zou hij onafhankelijker komen te staan tegenover zijn partij en fractie.

Historische breuk

De uitslag van de verkiezingen van 15 februari 1967 werd door de tijdgenoten ervaren als een breuk met de naoorlogse parlementaire geschiedenis. D’66 kwam uit het niets op zeven zetels, een sensatie die zelfs de Amerikaanse pers haalde. De andere winnaar was de Boerenpartij, die van 3 naar 7 zetels sprong. De KVP en de PvdA waren de grote verliezers. Zij kwamen niet zonder kleerscheuren uit de strijd. De PvdA had sinds september 1966, toen het manifest Tien over Rood werd gepubliceerd, te maken met het opstandige Nieuw Links; later kwam er een afsplitsing van de rechtervleugel onder de naam Democratisch Socialisten ’70 (DS’70). De KVP verloor in 1968 een groot deel van de linkervleugel in de gedaante van de Politieke Partij Radikalen (PPR).

Zo wist het nieuwe D’66 uit het revolutiejaar een agenda van emancipatie, democratisering en bevolkingspolitiek te destilleren. Een agenda die nog altijd relevant is, maar bij D66 zelf in ongerede is geraakt. De explosieve beweging van toen is vandaag de dag een technocratische partij van middelbare leeftijd, die liever niet aan haar hervormingsplannen van zestig jaar geleden herinnerd wil worden.

Dit artikel is ontleend aan ‘Ontketend Nederland. Van Provo tot PVV’, het nieuwe boek van Hans Wansink dat onlangs is verschenen bij Uitgeverij Blauwburgwal. Het boek telt 248 pagina’s, kost € 29,95 en is HIER te bestellen.

Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee, ook in het nieuwe jaar? Doneren kan zo. Hartelijk dank!