Het is niet aardig om te zeggen, zo vlak voor Pasen, maar behalve kleiner wordt kerkelijk Nederland ook steeds dommer, goedkoper en lelijker
Artikel beluisteren
Wie een beetje bij wil blijven over wat er zoal gebeurt in kerkelijk en dan vooral protestants Nederland, kan niet heen om de christelijke website Cvandaag. Hoewel de ontkerkelijking voortschrijdt – volgens recente CBS-cijfers noemt nog maar 28 procent van de Nederlanders zichzelf katholiek of protestant – is men daar niet bij de pakken neer gaan zitten. Naast kerkelijk nieuws publiceert de redactie ook regelmatig ideeën en plannen om een christelijke revival – orthodoxe protestanten spreken liever van een réveil – in gang te zetten.
In dat kader werd onlangs op Cvandaag de stelling geponeerd dat Nederland dringend behoefte zou hebben aan zogenoemde ‘huiskerken’. In het Nieuwe Testament, zo luidde de toelichting, kwamen gelovigen gewoon samen in huizen. ‘Geen kathedraal, uitgebreide organisatie of professionele lichtinstallatie. Gewoon mensen rond een tafel om samen te eten, te bidden en voor elkaar te zorgen. De tijd is rijp om die eenvoud opnieuw serieus te nemen.’
Zou het?
Voor talloze Nederlanders – gelovig of niet – is het vaak de eerste toeristische activiteit die ze in een vreemde stad ondernemen: het bezichtigen van een oude kerk, kathedraal of basiliek. Wie zo’n antiek, eeuwenoud godshuis binnengaat, snapt vaak meteen waarom het in zo’n gebouw draait: je ziet het, je voelt het, je ruikt het en je hoort het, zelfs als het er doodstil is. Woorden zijn er meestal niet voor en zijn er – zo weten de liefhebbers – ook niet voor nodig.
Cultuurbarbarij
Op zo’n betoverende religieuze piekervaring hoeft niemand te rekenen bij het bezoeken van kerkgebouwen van meer recente datum. Sterker nog: voor bijkans alle godshuizen die in het naoorlogse Nederland uit de grond zijn gestampt, geldt dat ze passen in het rijtje architectonische misverstanden waartoe ook de galerijflat, het drive-in-huis, de wokkelwoning en het woonerf behoren. En hoe vaak deze ‘eigentijdse’ kerkgebouwen ook ‘Open Hof’ of ‘Ontmoetingskerk’ mogen heten, ze lijken steevast op Noord-Koreaanse gymzalen met een door de koster getimmerde kansel. Dat Gods Geest er zou willen rondwaren lijkt – bijgevolg – onvoorstelbaar. Maar het is dus allemaal nog niet goedkoop, dom en lelijk genoeg en daarom moeten er ‘huiskerken’ komen.
Cultuurbarbarij is in christelijk Nederland helaas geen onbekend verschijnsel. Nog een tweede voorbeeld.
Zelfs voor de grootste atheïsten staat het als een paal boven water: de in 1637 gepubliceerde Nederlandse vertaling van de Bijbel is een literair monument van de allerhoogste orde. Omdat de toenmalige Staten-Generaal het project bekostigde, is het pronkstuk bekend komen te staan als de ‘Statenbijbel’. Miljoenen Nederlanders groeiden de afgelopen eeuwen met deze Bijbelvertaling op, en putten er in moeilijke momenten troost uit. En wat te denken van de talloze Nederlandse schrijvers en dichters die aan de Statenbijbel hun gevoel voor taal, stijl en compositie ontleenden?
Scala aan literaire vormen
Toen Jan Wolkers in 1959 in het literaire tijdschrift Tirade zijn eerste verhalen publiceerde, meenden sommige critici dat hij – om zo goed te kunnen schrijven – vast vele jaren in stilte had geoefend. ‘Niets was minder waar,’ zei Wolkers in 1988 in een lezing op de Buchmesse van Göteborg, ‘maar ik liet het maar zo’.
‘Hoe had ik,’ vervolgde Wolkers, ‘kunnen uitleggen dat mijn voorbereiding op het schrijverschap eigenlijk al prenataal een aanvang had genomen? Dat ik tot aan mijn zeventiende jaar, toen ik het ouderlijk huis verliet, niet zozeer gesticht was door een heilsboodschap als wel onderwezen in de wetten van dramaturgie, poëzie en dialoog. Dat ik dagelijks als het ware gebombardeerd was met een scala aan literaire vormen. Dat de kennis van de mens mij met de paplepel ingegoten was. En dat ik, nog voordat mijn eerste baardharen doorkwamen, al alles afwist van incest, sodomie, broedermoord, het gruwelijkste bedrog en het verachtelijkste verraad. Maar dat ik toch door de Bijbel, door die godsdienstige opvoeding, geleerd heb om alles zinvol te beleven en te zien. Om te leven alsof ik onsterfelijk ben terwijl ik me er tezelfdertijd van bewust ben dat ik ieder moment in de aarde weg kan zakken om voor eeuwig tot stof terug te keren.’
Een calvinistische jeugd met dagelijkse lezing uit de Statenbijbel was volgens Wolkers het beste wat hem als schrijver in spe was overkomen. Op zo’n juweel zullen de Nederlandse kerken dus wel uitermate zuinig zijn, zo zou je – zelfs als buitenstaander – kunnen denken.
Tutoyerende Jezus
Maar niets is minder waar. De meeste protestantse kerken schakelden in de jaren vijftig van de vorige eeuw over op een modernere vertaling, verzorgd door het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG). Maar omdat ook die versie van de Heilige Schrift al gauw weer ouderwets werd bevonden, zag in 2004 de zogenoemde ‘Nieuwe Bijbelvertaling’ (NBV) het licht.
Resultaat van dit ‘interconfessionele’ project? Het persoonlijk voornaamwoord ‘gij’ bleek te zijn gesneuveld – Jezus tutoyeerde voortaan zijn discipelen – en Jakob en Esau ‘weenden’ in het 33ste hoofdstuk van Genesis niet meer bij hun weerzien, maar lieten, alsof ze zojuist de finale van The Voice hadden gewonnen, ‘hun tranen de vrije loop’. Ook bleek het zesde van de Tien Geboden getransformeerd van het plechtige ‘Gij zult niet doodslaan’ tot de dienstaanwijzing ‘Pleeg geen moord’.
‘De Bijbel,’ zo concludeerde Rob Schouten in Trouw, ‘is in deze vertaling verwerkt tot hapklare brokken voor de bijdetijdse lezer. Voordeel is dus dat we het voortaan makkelijker begrijpen, maar tegen inlevering van een flinke portie verbijstering, huivering en ontzag.’ Maar verbijstering, huivering en ontzag, waren die drie dingen nu niet juist het unique selling point van het Woord van God?
Niet veel goeds
Al in 2021 verscheen een ‘verbeterde versie’ van de Nieuwe Bijbelvertaling met liefst 12.000 wijzigingen: de ‘NBV21’. Ondertussen werd in 2010 – Jan Wolkers hoefde het gelukkig niet meer mee te maken – ook een ‘revisie’ van de monumentale Statenvertaling gepubliceerd: de ‘Herziene Statenvertaling’ (HSV).
Aan de vruchten herkent men de boom, zo luidt een bekend bijbels principe: ‘Iedere goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.’ Gelet op de hedendaagse bouwkundige en literaire voortbrengselen van kerkelijk Nederland kan dat niet veel goeds betekenen.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!






















