De taak van de overheid: Waarom Nederlanders Amerikanen zo slecht begrijpen
Artikel beluisteren
Wat zijn de taken van de overheid? Zorgen voor kinderopvang? De landsgrenzen verdedigen? De koopkracht veiligstellen? Het elektriciteitsnet in stand houden? De dijken bewaken? Onderwijs geven? Dieren beschermen? Boeven vangen? Woningen bouwen? Ontwikkelingshulp uitdelen? Het CO2-gehalte in de atmosfeer verlagen? Radio en televisie-uitzendingen financieren?
De Nederlandse overheid doet dit allemaal en nog veel meer, maar een heldere afbakening van zijn taken kennen wij niet. Liberalen meenden vroeger dat de overheid zo weinig mogelijk moet doen. Socialisten menen nog steeds dat de overheid alle onrecht moet bestrijden dat voortkomt uit ongelijkheden. Confessionelen laveren daartussen met een selectie uit de middeleeuwse werken van barmhartigheid: 1) De hongerigen voeden, 2) de dorstigen lessen, 3) de naakten kleden, 4) de vreemdelingen herbergen, 5) de zieken verzorgen, 6) de gevangenen bezoeken en 7) de doden begraven.
De basis van democratie en rechtsstaat is dat overheid niet zomaar iets mag doen. Dat is het ‘legaliteitsbeginsel’. Burgers mogen alles doen wat niet in strijd is met de wet, de overheid mag alleen doen wat de wet hem expliciet opdraagt. Maar wat is dat?
Het grote verschil tussen de VS en ons
In 1848 hebben we in grote lijnen in de grondwet vastgelegd wat de overheid in ieder geval niet mag doen; wat geen wet hem op mag leggen. De 13 landen die samen de Verenigde Staten oprichtten hadden in 1787 al hun gezamenlijke grondwet geschreven, die net als de onze bepaalt wat de overheid niet mag doen.
Wat weinig Nederlanders beseffen is dat de Amerikanen toen al tien jaar beschikten over een apart document waarin precies staat beschreven wat de overheid wél moet doen. Dat is hun Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776.
Wij hadden al veel eerder een onafhankelijkheidsverklaring: het Plakkaat van Verlatinghe van 26 juli 1581. Daar staat ook in wat de overheid moet doen. De Amerikanen vieren jaarlijks op 4 juli de hunne, maar wij hebben op 26 juli niets te vieren. Want toen wij de koning van Spanje verlieten, zochten we een andere buitenlandse heerser. Slechts omdat niemand wilde, werden we maar zelfstandig. De Amerikanen echter wilden geen nieuwe heerser toen ze de Engelse koning verlieten. Zij wilden vrij zijn. Wij daarentegen wilden geborgen zijn. We vonden dat het de primaire taak van de overheid is om ons te beschermen. En dat vinden we nog steeds.
Wij willen bescherming, zij willen vrijheid
Ons Plakkaat begint met de zin: ‘Het is aan ieder bekend dat een vorst, als dienaar van God, geacht wordt zijn onderdanen te beschermen tegen alle onrecht, overlast en geweld, zoals een herder zijn schapen beschermt.’
Nederlanders hebben praatjes maar aarzelen niet zichzelf met schapen te vergelijken. De Amerikanen zagen dat twee eeuwen later heel anders. Hun Onafhankelijkheidsverklaring begint na een algemene inleiding met: ‘Wij houden de volgende waarheden voor vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk zijn geschapen, dat ze door hun Schepper zijn begunstigd met onvervreemdbare rechten, dat onder die rechten vallen vrijheid en het nastreven van geluk. Dat om deze rechten veilig te stellen, door de mensen overheden worden gevormd, die hun macht rechtvaardigen op de toestemming van de geregeerden.’
De Amerikanen zien het als de taak van de overheid om het de mensen mogelijk te maken vrij te zijn en zelf hun geluk na te streven. Dat is een diametraal andere opvatting dan de Nederlandse. De Amerikaanse overheid moet de mensenrechten veilig stellen. Onze overheid moet ‘zijn’ burgers beschermen. Als schapen.
Democratie voor de kudde
De Amerikanen zijn dan ook democratischer dan wij. Hun overheid ‘wordt gevormd door de mensen’. Ons Plakkaat zegt: ‘De onderdanen zijn niet door God geschapen om de vorst in alles wat hij beveelt onderdanig te zijn en hem als slaven te dienen.’ Maar echt door de burgers gevormd was bij ons de overheid niet. Hij was er gewoon. Volgens het Plakkaat: ‘De vorst regeert bij de gratie van zijn onderdanen en moet met recht en reden over hen regeren, hen beschermen en liefhebben zoals een vader zijn kinderen liefheeft en zoals een herder met hart en ziel zijn schapen beschermt.’ Opnieuw die kudde!
Hoe wisselen onderdanen van regering?
De Nederlandse schapen pikken niet alles: ‘Als een vorst zijn plichten niet nakomt, maar, in plaats van zijn onderdanen te beschermen, hen probeert te onderdrukken als slaven, dan is hij geen vorst maar een tiran, in dat geval mogen zijn onderdanen, na beraadslaging in de Staten-Generaal, hem afzweren en een ander kiezen.’
Na twee keer de term ‘schapen’, gebruikt ons Plakkaat twee maal de term ‘onderdanen’. Wij zien onszelf als onderdanen. Amerikanen niet.
De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring baseert zich niet op de plicht van de vorst om zijn onderdanen te beschermen, maar op de taak van de overheid om de rechten van de geregeerden op vrijheid en het nastreven van geluk veilig te stellen. Hun onafhankelijkheidsverklaring acht het vanzelfsprekend: ‘Dat, steeds als enige vorm van regering destructief wordt ten aanzien van deze doeleinden, het een recht is van het volk om de regering te veranderen of af te zetten en een nieuwe regering te vormen, gebaseerd op zulke principes en georganiseerd op zo’n manier als het hen beter lijkt voor hun veiligheid en geluk.’ En dat hoeft het volk daar niet via de regenten van een Staten-Generaal te doen.
Het vullen van de leegte in ons denken
Ten tijde van ons Plakkaat was het denken minder ver gevorderd dan twee eeuwen later bij de Amerikanen. Destijds kwam niemand op het idee om een grondwet op te stellen toen we onafhankelijk werden. Die kregen we pas toen we door de Fransen waren veroverd. Het idee van een grondwet die de macht van de overheid beperkt, is bij ons Franse import, net als stokbrood of de alpinopet. Met dat geschenk sprongen we wat slordig om.
Na de Duitse bezetting, die ons allerlei nog steeds bestaande wetten en regels opleverde, kregen we via internationale verdragen met een nieuwe import van ideeën te maken. De Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens van 1948 introduceerde de gedachte dat de overheid moest zorgen voor werk, inkomen, onderdak en andere materiële zaken. Zo’n taakopdracht zou bij ons alleen maar in de grondwet kunnen komen. Bij de grondwetsherziening van 1954 werd echter besloten deze ‘sociale grondrechten’ niet op te nemen.
Maar in de jaren zestig en zeventig won het idee van sociale grondrechten aan populariteit. Onder invloed van met name D66 en Nieuw Links werd het oude sociaaldemocratische streven naar verheffing van de arbeidsklasse vervangen door de wens tot zelfontplooiing. Kort door de bocht redeneerde men: Je kunt je niet ontplooien als je niet fatsoenlijk te eten hebt, dus de overheid moest zorgen voor een basis.
Van Marx naar Maslow
Voor deze gedachtegang werd een quasi-wetenschappelijke fundering gevonden bij een theorie van ene Abraham Maslow. Wat Karl Marx beweerde voor de geschiedenisleer, beweerde Maslow in de psychologie.
Volgens Marx vormen materiële en economische omstandigheden de grenzen waarbinnen de menselijke geschiedenis zich afspeelt. Maslow stelde in zijn Theory of Human Motivation dat elk mens een bepaalde aangeboren behoeftenopbouw doorloopt, uitgebeeld in een piramide, met vijf lagen. Onderop basale behoeften als zuurstof, drinken en eten. Daarboven veiligheid. Dan sociale contacten. Daar weer boven waardering (respect) en in de top zelfactualisatie. Om zich als gezonde persoonlijkheid te kunnen ontwikkelen moeten bij ieder individu eerst een aantal fundamentele menselijke behoeften bevredigd zijn.
Dat ging er in als koek bij de generatie studenten van de jaren zestig en zeventig die en masse de sociale wetenschappen binnen drong: De overheid moest de materiële voorwaarden scheppen om elke burger in staat te stellen zich als individu te ontplooien.
Vanuit deze visie legde de wetgever in 1983 de plichten van de overheid in de grondwet vast als ‘sociale grondrechten’ van de burger. De overheid moest zorgdragen voor rechtsbijstand, werkgelegenheid, bestaanszekerheid, milieubescherming, volksgezondheid en onderwijs.
Al wordt de theorie van Maslow in de psychologie beschouwd als verouderd, wij zitten er nog mee opgescheept. De Amerikanen niet. Omdat zij in hun Onafhankelijkheidsverklaring reeds hadden vastgelegd wat de overheid moest doen, hebben ze Maslow nooit nodig gehad. Maar in Nederland is het woord van Maslow (grond)wet. En in de internationale verdragen waar de Nederlandse grondwet zich aan onderwerpt, woekeren die ideeën voort. Zo heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op eigen houtje een hele doctrine van positieve verplichtingen voor de overheid gebouwd.
Liever Donald of Ursula?
Het Europese (en Nederlandse) denken had zich tot de Tweede Wereldoorlog nooit veel van het Amerikaanse denken aangetrokken. Tot dan sprak men hier nauwelijks Engels. Frans was de taal van de politiek, Duits was de taal van de wetenschap. Pas de Tweede Wereldoorlog heeft de Amerikaanse cultuur naar Europa gebracht.
Maar we zijn het nooit eens geworden en al is Engels nog steeds de voornaamste voertaal in de Europese Unie toch drijft ‘het Westen’ geestelijk nu weer uiteen. Niet door handelsconflicten, maar omdat we anders denken over de taak van de overheid.
Daarin begrijpen we elkaar niet. En daarom heeft bij ons Ursula von der Leyen die met de Digital Services Act voorkomt dat burgers verkeerde ideeën krijgen een tweede termijn van vijf jaar gekregen, terwijl zij Donald Trump – die men hier maar dom vindt – een tweede termijn van vier jaar hebben gegeven.
Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!






















