Klachten indienen over kwetsend taalgebruik? Dat gebeurde 500 jaar geleden ook al
Artikel beluisteren
Taal is altijd in beweging. Door de eeuwen heen verandert de manier waarop we onze woorden uitspreken en schrijven, en de woorden zelf veranderen ook. Nieuwe woorden duiken op, betekenissen verschuiven, en sommige woorden verdwijnen helemaal. Ook de waarde van woorden kan veranderen. Wat driehonderd jaar geleden nog een grof scheldwoord was – schelm, guit, deugniet – kan nu onschuldig klinken.
Ook in de eenentwintigste eeuw verandert onze taal. Soms spontaan, en soms onder druk. Denk maar aan de vervanging van blank – als aanduiding voor huidskleur – door wit. Dat gebeurde niet spontaan, maar dankzij activisme.
Zijn de huidige veranderingen te vergelijken met de veranderingen zoals die vroeger plaatsvonden? Daarover sprak ik met historisch taalkundige en etymoloog Nicoline van der Sijs (1955). Ze is senior-onderzoeker bij het Instituut voor de Nederlandse Taal in Leiden en emeritus hoogleraar Historische taalkunde van het Nederlands aan de Radboud Universiteit. Ze publiceerde tientallen boeken over de geschiedenis van het Nederlands, waaronder 15 eeuwen Nederlandse taal (2019).
Geboorte van het moderne Nederlands
Voor wie zich wel eens stoort aan activisten die taalverandering proberen door te duwen (denk aan de taalgidsen die bij verschillende overheden opduiken): ons moderne Nederlands had ook een activistische start. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had zich in de zestiende eeuw onafhankelijk verklaard van Spanje, en wilde de eigen identiteit versterken. Daarnaast waren er praktische redenen om te streven naar een geschreven standaardtaal.
De boekdrukkunst was net uitgevonden, en in welke taal moesten boeken verschijnen? Er waren te veel verschillende dialecten in de Republiek. Bovendien waren boeken niet langer uitsluitend bestemd voor de bovenklasse die Frans en Latijn beheerste. Steeds meer kinderen kregen onderwijs, en gewone Nederlanders gingen boeken lezen. De beroemde Antoni van Leeuwenhoek was van eenvoudige komaf en schreef zijn wetenschappelijke verhandelingen in het Nederlands.
Van der Sijs noemde de invloed van Simon Stevin op onze taal, en ik keek haar verbaasd aan. Simon Stevin? Was dat niet die ingenieur die met prins Maurits samenwerkte? Dat klopt. Maar verrassend genoeg had deze bètawetenschapper veel belangstelling voor de ontwikkeling van de Nederlandse eenheidstaal. Hij verving Franse of Latijnse termen door Nederlandse woorden die hij zo nodig zelf bedacht. Aan hem danken we termen als langwerpig, middelpunt en rechthoekig. Ook gaf hij wetenschapsgebieden Nederlandse namen, zoals wiskunde en meetkunde.
De schrijvers, drukkers en wetenschappers die zich met de ontwikkeling van de eenheidstaal bezighielden, woonden voornamelijk in Holland. Dat was logisch, want daar bevond zich destijds het economische en culturele zwaartepunt van de Republiek. Ons moderne Nederlands is een mengvorm waarin de invloed van het Hollandse dialect het grootste was.
Zo kozen de samenstellers van de nieuwe taal voor de Hollandse uitgang van verkleinwoorden, en niet voor de Brabantse: kindje in plaats van kindeke. Voor wie denkt dat kindeke toch wel erg bekend klinkt: dat is waar. Wij kennen die vorm van het kindeke Jezus. En dat heeft weer te maken met het feit dat de Statenvertaling van de Bijbel eigenlijk al archaïsch was toen hij in 1637 verscheen. De Statenvertaling is namelijk deels gebaseerd op oudere vertalingen die al in de zestiende eeuw rondgingen, terwijl de geschreven standaardtaal daarna pas zijn definitieve vorm kreeg.
Schelden
Intussen spraken de meeste Nederlanders nog hun eigen dialect; lange tijd was er een forse kloof tussen de spreektaal en de schrijftaal. Van die spreektaal is veel minder vastgelegd dan van de schrijftaal, maar soms stuiten wetenschappers op ware schatkamers. Nicoline van der Sijs schreef samen met Hans Beelen een vermakelijk overzicht van scheldwoorden die werden opgetekend door Amsterdamse notarissen: ‘Injurieuse expressien’. Scheldwoorden in Amsterdamse Notarisakten 1583-1796.
Deze notarissen deden dat niet zomaar. Burgers die zich gekwetst voelden, konden bij de notaris laten vastleggen waarvoor zij waren uitgescholden. De notaris noteerde de klachten, aangevuld met verklaringen van getuigen. Dat zo’n klacht werd vastgelegd, had vaak meteen al effect omdat schelders hun uitspraken terugtrokken. Deden ze dat niet, dan bouwde de gekwetste burger toch alvast een dossier op dat bij een eventuele rechtszaak gebruikt kon worden.
De scheldwoorden voor mannen die destijds als bijzonder kwetsend werden beschouwd, zijn nu vaak afgesleten tot gewone woorden of zelfs in onbruik geraakt. Dit was de top tien: schelm, dief, hond, guit, schurk, fielt, canaille, bankroetier, verrader, verklikker. Het is opvallend dat de scheldwoorden voor vrouwen nu soms nog net zo gangbaar zijn als destijds. Bij vrouwen was de top tien: hoer (wie had dat gedacht…), varken, canaille, beest, dievegge, donderhoer, dievenhoer, echtbreekster, allemanshoer, kat.
Het is verleidelijk om elke hedendaagse ontwikkeling als uniek te zien, maar uit dit overzicht blijkt dat niet alleen schelden van alle tijden is; hetzelfde geldt voor het verzet daartegen van degenen die zich gekwetst voelen. Anno 1700 gingen de gekwetsten naar de notaris; anno 2026 gaan ze naar een meldpunt of doen aangifte. Toch zijn er ook verschillen met vroeger. Wanneer is iets kwetsend?
De zeventiende-eeuwse Nederlanders maakten zich vooral zorgen om hun goede naam. Een man wilde niet bekend staan als onbetrouwbaar – het meest voorkomende verwijt – want dat schaadde hem in zijn werkzaamheden. Een vrouw wilde niet bekend staan als onzedelijk – zie alle hoerverwensingen – want dat werd als een grote schande beschouwd.
Wat vinden wij tegenwoordig kwetsend? Veel van de scheldwoorden die de notarissen noteerden zouden wij nu ook nog kwetsend vinden, maar meer omdat ze lelijk bedoeld zijn dan omdat we ons ervoor zouden schamen. De woorden die wij nu als kwetsend beschouwen, zijn vaak eerder woorden die wij als discriminerend ervaren. Niet schaamte weegt het zwaarst, maar onderdrukking.
In de taalgidsen zien we dan ook dat vooral die termen als onwenselijk worden aangeduid die met discriminatie te maken hebben. Eskimo, indiaan, slaaf, allochtoon, homo, lesbo, zwarte piet, het zijn allemaal woorden die gevoelig liggen omdat zij te maken hebben met (vroegere) onderdrukking. Blanke mensen wit noemen is door die lens bekeken natuurlijk niet kwetsend, omdat blanken niet beschouwd worden als onderdrukt.
Moeder
Heeft zo’n taalgids nut? Van der Sijs begreep de goede bedoelingen, maar vroeg zich af waarom het zo ingewikkeld moest. Zelf houdt ze gewoon rekening met de wensen van de ander omdat dat het gemakkelijkste is voor beide partijen. Dus als Eskimo’s liever Inuit worden genoemd, dan doet ze dat. Hetzelfde geldt ook voor een aanspreekvorm: het makkelijkste is om dat gewoon aan iemand te vragen.
En meer problemen die de taalgidsen opwerpen, zijn in het dagelijks leven eenvoudig op te lossen door onderling begrip. Een duidelijk voorbeeld is een woord als moederdag. Waarom zou dat jij-dag moeten worden? Als een kind in een schoolklas geen moeder heeft, kan de onderwijzeres ter plekke kijken wat dit unieke kind nodig heeft als de knutselwerkjes voor moederdag gemaakt worden.
Toen ik voorbeelden noemde uit de FIOM adviezen voor taalgebruik over abortus, reageerde Van der Sijs resoluut: ‘Goed en fout, dat werkt niet.’ De stichting Fiom heeft namelijk een overzicht online gezet met tips voor ‘passend en neutraal taalgebruik over abortus’. In elk vakje staat met een groen vinkje of een rood kruisje aangegeven wat goed taalgebruik is en wat niet.
Ook in dit overzicht worden de woorden vader en moeder fout gerekend. Volgens deze handreiking moet dat zwangere en partner of verwekker zijn. Dat is vanuit de visie van de FIOM begrijpelijk – een vader en moeder maken de vrucht menselijk – maar neutraal is het niet. Net zo min als de stelling dat pro-choice tegenover anti-abortus staat, terwijl zowel pro-life als pro-abortus worden afgekeurd. De logische tegenstelling zou zijn: pro-abortus tegenover anti-abortus, of pro-choice tegenover pro-life.
Verschil in succes bij veranderingen
In 2025 bracht Van der Sijs een boek uit: Dijt onze woordenschat alsmaar uit? Daarin somde zij het volgende rijtje woorden op: ‘eerst gastarbeider, daarna buitenlander, immigrant, allochtoon, medelander, nieuwe Nederlander, Marokkaanse/Turkse Nederlander en tegenwoordig iemand met een migratieachtergrond.’ Deze steeds wisselende benamingen waren pogingen om een negatief imago op te vijzelen, maar alleen al het aantal termen maakt duidelijk dat taal zich niet laat dwingen. Elke volgende term kreeg al snel dezelfde negatieve bijbetekenissen. Betekent dit dat het zinloos is om woorden te vervangen?
Van der Sijs vertelde over een eigen initiatief dat succesvol bleek. Sinds de Russische inval is Oekraïne veel in het nieuws, en voorheen onbekende plaatsnamen doken ineens op in Nederlandse media. Alleen, onze media gebruikten de Russische namen voor plaatsen in Oekraïne, zoals Charkov in plaats van Charkiv. Van der Sijs, die ook slavist is, schreef samen met andere kenners van Slavische talen een brief aan de media. Was het niet vreemd om de ‘taal van de bezetter’ te gebruiken voor steden in een land dat nu aangevallen was?
De meeste media waren uiteindelijk gevoelig voor dit argument, waarbij meespeelde dat veel plaatsnamen eerder onbekend waren bij de gemiddelde Nederlander. De overgang naar Oekraïense namen was dus niet ingrijpend. Anders lag dit bij de hoofdstad Kiev – eigenlijk Kyiv – die in eerste instantie vrijwel overal Kiev bleef. Inmiddels zijn veel kranten en de NOS toch overgeschakeld op Kyiv.
Maar de schrijfwijze van Oekraïense plaatsnamen heeft weinig invloed in de Nederlandse samenleving. Anders is dat als woorden zoals vader of moeder worden ontraden. Ik legde Van der Sijs een uitspraak voor uit het boek 1984 van George Orwell: ‘In the end we shall make thoughtcrime literally impossible, because there will be no words in which to express it.’ Is het werkelijk haalbaar om ‘verkeerde gedachten’ onmogelijk te maken door woorden te laten verdwijnen?
Dit blijkt een stelling te zijn waar al lange tijd een fel wetenschappelijk debat over woedt. Van der Sijs verwees naar de Sapir-Whorfhypothese, een theorie dat de taal die gesproken wordt invloed heeft op het denken van de gebruiker. De sterkste versie van deze theorie lijkt op wat Orwell beschrijft, maar juist die versie wordt door de meeste taalwetenschappers verworpen.
De zwakkere versie ziet wel beïnvloeding van de taal op het denken, maar geen bepalende invloed. Van der Sijs noemde als voorbeeld een taal die geen verschil maakt tussen de kleuren blauw en groen: dit betekent niet dat sprekers van die taal het verschil tussen de kleuren niet zouden zien, hooguit dat ze het verschil moeilijker kunnen verwoorden.
Theorieën die verder gaan dan dat zijn lastig te bewijzen. Er is wel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de invloed van talen op het gedrag van de sprekers, maar daar zijn eigenlijk geen harde conclusies uit te trekken. Binnen talen bestaan vaak ook te veel variaties om – zoals in dit geval – uit te kunnen gaan van vaste taalconstructies die de houding van de sprekers zouden beïnvloeden.
Taboes
Je kunt je dan ook afvragen hoe zinvol taboes zijn. Een bekend hedendaags taboe is het uitbannen van het woord neger. Dit is inmiddels zelfs zo taboe dat de taalgids van het ministerie van OC&W er slechts naar verwees met ‘het N-woord reproduceren we nooit, ook niet in een quote’. Daarmee is een mogelijk kwetsend woord uitgebannen, maar Van der Sijs constateerde dat hierdoor racisme niet verdwenen is. Dat zit niet in een woord, het zit in de hoofden van mensen.
Van der Sijs vertelde dat taboes soms blijkgeven van magisch denken. Zo is het oorspronkelijke woord voor beer in het Russisch verdwenen, het is vervangen door honingeter. Waarom werd dit woord taboe? Omdat mensen dachten dat ze de gevreesde beer op zouden roepen als ze zijn naam zouden zeggen. Het grappige is dat ook in het Nederlands de oorspronkelijke naam verdwenen is; beer betekent eigenlijk ‘de bruine’.
Het woord taboe komt oorspronkelijk van het Polynesische eiland Tonga, waar het gebruikt werd voor vervloekte en voor heilige zaken. Het kan dus zowel uit afkeer als uit eerbied onaanraakbaar betekenen. Deze herkomst is overigens te vinden op de door Nicoline van der Sijs opgezette website etymologiebank.nl, die gelukkig weer online is nadat de site eerder dit jaar gehackt was.
Alle relativering neemt natuurlijk niet weg dat taal wel degelijk als wapen gebruikt kan worden. Maar wie gebruiken taal anno 2026 eigenlijk als wapen? Komen de pogingen om taal te veranderen vooral van mensen die diversiteit en inclusie promoten, of ook vanuit andere richtingen?
Van der Sijs noemde het woord kopvoddentaks dat Geert Wilders in 2009 gebruikte toen hij een belasting op hoofddoekjes wilde invoeren. Dit was een duidelijk voorbeeld van een woord als wapen. Kopvoddentaks was zo kwetsend mogelijk samengesteld. Kop is een negatief woord voor hoofd, en vodden is een woord voor textiel dat eigenlijk afval is. Dit nog los van de aanval op moslima’s door een speciale belasting op hun hoofdbedekking in te willen stellen. Overigens bleek dit wapen eerder een boemerang. Het woord was kansloos om ooit breed geaccepteerd te worden, en het effect was geen stigmatisering van moslima’s, maar eerder van de PVV zelf.
Van der Sijs maakte zich meer zorgen over het toenemende gebruik van het woord omvolking, wat een discussie tussen ons opleverde, omdat ik mij lang verzet heb tegen de definitie die bepaalde wetenschappers oplegden. Niet dat ik de illusie heb hiervan nog mensen te kunnen overtuigen. De negatieve betekenis is inmiddels zelfs overgenomen door de NCTV.
Vroeger en nu
Al met al was ik verrast door de overeenkomsten tussen de huidige taalstrijd en het taalactivisme van honderden jaren geleden. Het opkomen en verdwijnen van woorden is altijd al bevorderd of tegengewerkt om allerlei verschillende redenen. En de aanname dat onze voorouders zich niet druk maakten om kwetsende woorden, klopt ook al niet.
Wie overigens na het lezen van dit stuk de onhoudbare neiging krijgt om de herkomst van woorden op te zoeken – waar komt textiel eigenlijk vandaan…? – of zich te verdiepen in meer wetenswaardigheden over de geschiedenis van de Nederlandse taal, verwijs ik naar de website van Nicoline van der Sijs, en naar Etymologiebank.nl.
Wynia’s Week verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo. Hartelijk dank!





















