Privacy is geen luxeartikel voor mensen die iets te verbergen hebben. En dus is het oppassen geblazen voor de digitale plannen van de Europese Commissie

WW Vervloed 18 juli 2026 BEELD
Officier Gerd Wiesler van de Oost-Duitse Staatssicherheitsdienst, in de Oscarwinnende film ‘Das Leben der Anderen’ (2006). Beeld: YouTube.

Artikel beluisteren

De Europese Commissie presenteert haar digitale agenda als een noodzakelijke modernisering van de samenleving. Een Europese digitale identiteit (EU-ID), een digitale wallet (EUDI Wallet), leeftijdsverificatie voor sociale media, strengere regels voor onlineplatforms en een nieuwe Chat Control-verordening moeten ons beschermen tegen identiteitsfraude, kindermisbruik, desinformatie en cybercriminaliteit. Op het eerste gezicht lijken deze maatregelen verdedigbaar.

Maar wie verder kijkt en ziet wat de mogelijke consequenties zijn van de digitale agenda van de Europese Commissie, komt al snel tot de conclusie dat de beoogde digitale infrastructuur ongekende mogelijkheden biedt voor toezicht op burgers. De vraag is daarbij niet alleen wat de huidige Commissie met deze instrumenten wil doen, maar vooral wat in de (nabije) toekomst ermee gedaan kán worden.

Dat is geen complottheorie, maar een klassiek staatsrechtelijk uitgangspunt. Vrijheden worden niet alleen beschermd tegen de bestuurders van vandaag, maar ook tegen de bestuurders van morgen.

‘Privacyvriendelijk ontwerp’

De EUDI Wallet vormt de spil. Het is de bedoeling dat iedere burger zich binnen de EU digitaal gaat identificeren. Officieel is de wallet vrijwillig. Het moet zo eenvoudiger worden om in te loggen bij overheden, diploma’s te bewaren, vergunningen te tonen of online de eigen leeftijd te bewijzen.

De Europese Commissie benadrukt dat de EUDI Wallet privacyvriendelijk is ontworpen. Burgers zouden dankzij zogeheten selectieve gegevensverstrekking slechts informatie hoeven te delen die strikt noodzakelijk is. Voor leeftijdscontrole zou bijvoorbeeld alleen hoeven te worden aangetoond dat iemand ouder is dan achttien jaar, zonder de geboortedatum prijs te geven.

Dat klinkt geruststellend. Maar de principiële vraag is een andere. Wanneer steeds meer publieke én private diensten gebruik gaan maken van dezelfde digitale identiteit, ontstaat geleidelijk een digitale toegangssleutel tot het maatschappelijke leven. ‘Vrijwillig’ kan zo in de praktijk ‘onmisbaar’ worden.

Wie geen digitale identiteit gebruikt, kan steeds moeilijker deelnemen aan het economisch en maatschappelijk verkeer. Precies daarom verdient de discussie over de digitale agenda van de Europese Commissie meer aandacht dan zij tot nu toe krijgt.

Een tweede ontwikkeling betreft de plannen voor Europese leeftijdsverificatie op sociale media. De EC wil minderjarigen beschermen tegen schadelijke inhoud en verslavende algoritmen. Ook verschillende lidstaten pleiten inmiddels voor strengere leeftijdsgrenzen.

Nogmaals: het doel is – op het eerste gezicht – begrijpelijk. Vrijwel niemand zal ontkennen dat sociale media schadelijke effecten kunnen hebben op kinderen. Maar leeftijdsverificatie roept direct een vraag op: hoe wordt die leeftijd gecontroleerd?

De meest privacyvriendelijke oplossing is een systeem waarbij uitsluitend wordt bevestigd dát iemand oud genoeg is, zonder verdere persoonsgegevens prijs te geven. De Europese Commissie zegt die kant op te willen en heeft al een app laten ontwikkelen die dit op deze wijze moet doen. Zonder veel succes overigens: de app was nog maar net uit, of hij werd al gehackt.

Niet meer anoniem op internet

Maar uiteindelijk gaat het om iets anders. Waarom moet de Europese Commissie kinderen beschermen? Dat is de taak van de ouders. Dat is altijd zo geweest, waarom zou dat nu opeens niet meer kunnen? De meeste sociale media hebben al een ‘parentcontrol’ instelling. Ouders kunnen hun kinderen daarmee geleidelijk meer toegang geven.

Wat niet wordt gezegd, maar wel het geval zou zijn, is dat niet alleen de leeftijd van kinderen gecheckt wordt, maar van iedereen. Anoniem internetgebruik zal dan niet meer mogelijk zijn. Feitelijk wordt dan het in artikel 13 van onze Grondwet verankerde briefgeheim met voeten getreden.

Ingewikkelde afweging

Het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie verplichtte aanbieders van communicatiediensten om materiaal over seksueel kindermisbruik op te sporen, ook wanneer berichten end-to-end versleuteld zijn. Dat leidde tot forse kritiek van privacyorganisaties, cybersecurity-deskundigen en verschillende lidstaten. Zij wezen erop dat het doorbreken van vertrouwelijke communicatie niet alleen gevolgen heeft voor criminelen, maar voor alle burgers.

Het voorstel is daarom nog altijd niet aangenomen. Slechts een restrictieve versie (chatcontrol 1.0) is tijdelijk van kracht. Binnen de Raad van Ministers en ook het Europees Parlement bestaat nog steeds verdeeldheid over de vraag hoe de bescherming van kinderen kan worden gecombineerd met het recht op vertrouwelijke communicatie.

Die discussie laat zien hoe ingewikkeld de afweging is. Kindermisbruik moet worden bestreden. Maar als de prijs daarvoor het opheffen van het briefgeheim is, wordt het kind (het briefgeheim) met het badwater (kindermisbruik) weggegooid.

Wanneer iedere burgercommunicatie in beginsel controleerbaar wordt, verschuift de verhouding tussen overheid en burger wezenlijk. Dat is een fundamenteel punt. Vrijheid is niet alleen het recht om te spreken. Vrijheid is ook het recht om te communiceren zonder dat de overheid of private partijen meekijken.

Hoewel EU-ID, EUDI Wallet en leeftijdsverificatie nog projecten zijn en chatcontrol – als gezegd – nog slechts op restrictieve wijze van kracht is, heeft de Europese Unie de afgelopen jaren al wel de Digital Services Act ingevoerd. Grote onlineplatforms zijn verplicht risico’s op illegale inhoud, manipulatie en bepaalde vormen van desinformatie aan te pakken. Transparantie over moderatiebesluiten is vereist en platforms moeten uitleggen hoe hun aanbevelingsalgoritmen werken.

Ook hier geldt weer dat de doelstelling op het eerste gezicht begrijpelijk is. Buitenlandse beïnvloeding, online oplichting en georganiseerde desinformatie vormen reële problemen. Maar juist daarom moet worden gewaakt voor een ander risico: dat het bestrijden van desinformatie langzaam verschuift naar het reguleren van legitieme politieke meningsverschillen.

Voortdurende discussie

Want wie bepaalt wat misleiding is? De factcheckers? Dat zijn zogenaamd ‘onafhankelijke’ experts, die in werkelijkheid meestal zijn gelieerd aan links georiënteerde ngo’s. Zij bepalen wanneer een afwijkende analyse wordt beschouwd als gevaarlijke desinformatie.

In een volwassen democratie behoren dergelijke vragen nooit definitief te worden beantwoord. Juist voortdurende discussie beschermt de vrijheid van meningsuiting. Dat geldt temeer nu kunstmatige intelligentie een steeds grotere rol gaat spelen bij het opsporen van verdachte inhoud. Algoritmen kunnen miljoenen berichten analyseren, maar begrijpen context vaak slecht. Satire, politieke kritiek of scherpe opinies kunnen daardoor makkelijker ten onrechte worden aangemerkt als problematisch. De combinatie van AI, identiteitsmiddelen en geautomatiseerde moderatie verdient daarom veel scherpere democratische controle dan momenteel het geval is.

Voorkomen moet worden dat de digitale agenda van de Europese Commissie een infrastructuur gaat vormen waarin identificatie, communicatie en digitale dienstverlening steeds nauwer met elkaar verweven raken. Technische mogelijkheden creëren politieke mogelijkheden. Wat vandaag uitsluitend wordt gebruikt voor leeftijdsverificatie, kan morgen voor andere doeleinden worden ingezet. Wat vandaag vrijwillig is, kan morgen feitelijk noodzakelijk worden. En wat vandaag alleen geldt voor de bestrijding van ernstige criminaliteit, kan in de toekomst onder druk van nieuwe crises geleidelijk worden uitgebreid.

………………..

De geschiedenis leert dat bevoegdheden die eenmaal bestaan, zelden verdwijnen. En dat is zeker in de EU dikwijls het geval. Tijdelijke maatregelen worden permanent, uitzonderingen worden regel.

Inhoudelijk, maar ook om deze reden verdient de digitale agenda een veel breder maatschappelijk debat dan zij nu krijgt. Privacy is geen luxeartikel voor mensen die iets te verbergen hebben. Zij vormt een noodzakelijke voorwaarde voor een vrije samenleving. Hetzelfde geldt voor vertrouwelijke communicatie en de vrijheid om kritiek te uiten zonder voortdurend het gevoel te hebben dat iedere digitale handeling onderdeel wordt van een steeds omvangrijker registratiesysteem.

De lidstaten van de Europese Unie staan voor een fundamentele keuze. Accepteren zij de digitale agenda, waarmee een digitale infrastructuur wordt gebouwd die controle over het doen en laten van burgers faciliteert. Of kiezen zij voor behoud van anonimiteit, controle van burgers over hun eigen gegevens en beperkte en sterk begrensde bevoegdheden voor de Europese Commissie.

Wynia’s Week heeft alleen een journalistieke agenda, verschijnt 156 keer per jaar en wordt volledig mogelijk gemaakt door de donateurs. Doet u mee? Doneren kan zo.Hartelijk dank!