Veiligheidsbeleid van kabinet-Jetten is realistischer dan het was, maar het idealisme wil maar niet weg
Artikel beluisteren
De pas gepubliceerde Nederlandse Veiligheidsstrategie van het kabinet-Jetten bevat een opmerkelijke paradox. Het document stelt expliciet dat Nederland geen klassieke realpolitik of machtspolitiek moet bedrijven, maar de analyse waarop het is gebaseerd is realistischer dan vrijwel alle Nederlandse strategische documenten van de afgelopen decennia.
De wereld wordt beschreven als een arena waarin macht, militaire capaciteit, economische afhankelijkheden en geopolitieke concurrentie opnieuw centraal staan. Rusland probeert invloedssferen te herstellen, China bouwt economische en militaire macht op, en de Verenigde Staten handelen steeds nadrukkelijker vanuit hun eigen nationale belangen. Dat zijn klassieke uitgangspunten van de realistische school in de internationale betrekkingen. De diagnose is dus realistisch, maar is de voorgestelde remedie dat ook?
De boodschap die we lezen horen we de afgelopen jaren tot in den treure: Europa moet geopolitiek volwassen worden, minder afhankelijk van de VS en meer eigen militaire, economische en technologische capaciteit ontwikkelen. Nederland alleen is te klein, zegt het document, en ons land moet haar veiligheidsstrategie maar op laten gaan in een Europese strategie. Het kabinet-Jetten is zelfs bereid daarvoor de traditionele unanieme besluitvorming – en dus de stem van Nederland – op te offeren, waardoor veto’s gaan verdwijnen. Gaan we dan op grond van deze nieuwe veiligheidsstrategie onze veiligheid uitbesteden aan Brussel en krijgen we daar nog minder inspraak voor terug?
Tja, ‘beleidsmakers’ spreken altijd over ‘Europa, terwijl feitelijke macht nog steeds bij staten ligt. Brusselse instituties kennen geen geopolitieke slagkracht. De EU is geen grootmacht, want het beschikt niet over een leger, eigen inlichtingendiensten, nucleaire afschrikking, diplomatieke tradities, strategische cultuur, nee, zelfs niet een echt buitenlands- of defensiebeleid.
Wanneer er een crisis uitbreekt, kijken Europese landen niet daar de Europese Commissie, maar naar elkaar en met name naar de leiders van Frankrijk, Duitsland, Polen, Italië en – buiten de EU – het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De EU is vooral een coördinatiemechanisme, geen machtscentrum.
Al lijken ze in Den Haag soms blindelings in die Europese macht te geloven, Europese veiligheid wordt bepaald door een paar grote staten en niet door de institutionele architectuur van Brussel. Dat betekent niet dat de EU nutteloos is, maar wel dat zij afhankelijk blijft van de politieke wil van de grotere lidstaten. Is de keuze voor meer Europese integratie dan een voor Nederland logische redenering?
Hinkend op twee gedachten
Terwijl het stuk aanvankelijk explicit stelt dat Nederland geen realpolitik moet bedrijven, zijn juist de sterkste passages die waarin het kabinet erkent dat de wereld multipolair is geworden en dat macht weer telt. De zwakste aanname is dat institutionele EU-verdieping automatisch geopolitieke slagkracht oplevert. Zoals gezegd, meer Europese integratie leidt niet automatisch tot meer macht, omdat macht uiteindelijk nog altijd georganiseerd wordt door staten. Zonder Frankrijk, Duitsland, Polen en het VK heeft de EU geen geloofwaardige militaire macht – en die landen zijn niet bereid om – á la Jetten – hun eigen zelfstandigheid op te geven.
Beter zou het zijn geweest om in het stuk een realistische tussenpositie in te nemen: Europa heeft de EU nodig voor markt-, technologie- en industriebeleid, maar Europese veiligheid zal de komende decennia vooral worden gedragen door een kern van grote staten, aangevuld met kleinere gespecialiseerde partners zoals Nederland. Dat ligt dichter bij de huidige en historische werkelijkheid.
Kort samengevat is de veiligheidsstrategie gebaseerd op een realistische, realpolitieke analyse van de wereld, maar is de voorgestelde remedie grotendeels Europees-institutioneel. Macht wordt toegedacht aan een bestuurslaag die zelf onvoldoende strategisch vermogen bezit.
Veiligheid als compromis
Let wel, wat nu op tafel ligt is een coalitiedocument en is het een optelsom van het internationaal gedachtegoed van D66, VVD en CDA. De veiligheidsstrategie leest dan ook op verschillende plaatsen alsof zij drie tradities in het Nederlandse buitenlandse beleid heeft proberen met elkaar te verzoenen. In de eerste plaats de wat meer realistische, pro-NAVO traditie van de VVD, dan de CDA-traditie – van oudsher Atlantisch én Europees of anders gezegd: tussen realisme en institutionalisme, met tot slot de D66-traditie: de meest uitgesproken idealistische traditie die draait om de internationale rechtsorde, Europese integratie, multilateralisme, mensenrechten en mondiale samenwerking.
Dat verklaart ook waarom het document soms coherent oogt op het niveau van de diagnose (‘de wereld is gevaarlijker geworden’), maar minder eenduidig wordt zodra de vraag opkomt wie uiteindelijk de macht moet uitoefenen: de NAVO, de EU, de grote Europese staten of de Verenigde Staten.
Daarom wellicht ontbreken in het stuk ook zowel de rol van de Benelux als die van de militaire samenwerking met Duitsland. Die omissie is onvergeeflijk en illustreert één van de grootste blinde vlekken in het Nederlands denken over internationale veiligheid, mede te verklaren vanuit het Nederlandse middle power syndrome.
De buurlanden zijn het belangrijkst
De Benelux en de Duits-Nederlandse defensie-integratie zijn namelijk veel concreter dan de vaak abstract beschreven ‘Europese strategische autonomie’. De Duits-Nederlandse integratie heeft sinds de jaren negentig een unieke militaire relatie opgeleverd met onze oosterburen. Delen van de Nederlandse landmacht zijn feitelijk geïntegreerd in Duitse divisies. Militair gezien is dat een veel verdergaande vorm van samenwerking dan de meeste Europese landen ooit hebben bereikt.
De logica achter die samenwerking is helder. Duitsland is de grootste economische macht van Europa, Nederland deelt een strategische ruimte met Duitsland, de logistieke en industriële verbindingen zijn enorm, beide landen hebben vergelijkbare veiligheidsbelangen en het land is van onschatbare waarde voor onze handel en economie. Je zou zelfs kunnen stellen dat voor Nederland de Duits-Nederlandse as belangrijker is dan veel Brusselse veiligheidsinitiatieven.
Hetzelfde geldt voor de Benelux. De Benelux wordt vaak gezien als een economisch-historisch project, maar op veiligheidsgebied gebeurt er veel: geïntegreerde luchtbewaking, maritieme samenwerking (BeNeSam), gezamenlijke opleidingen en logistieke afstemming. De Benelux heeft bovendien een voordeel dat de EU vaak mist: geografische samenhang. Europa functioneert in de praktijk vaak via Frans-Duitse samenwerking, Pools-Baltische samenwerking, Noordse samenwerking, de E3 (de nieuwe Europese Driebond), de Benelux en een veelvoud van bilaterale defensierelaties.
Deze nieuwe strategie is een gemiste kans, omdat het stuk een expliciete analyse van Nederland als onderdeel van een Noordwest-Europees veiligheidsnetwerk ontbeert. Dat cluster heeft de grootste Europese havens, een enorme en cruciale energie-infrastructuur, Noordzee-kabels, belangrijke defensie-industrie en strategische logistieke corridors. Bovendien zijn de buurlanden, zoals het VK, Duitsland en België, economisch veel belangrijker voor ons land dan landen elders in Europa. Inzet op de directe omgeving is misschien wel veel relevanter voor Nederland dan abstracte Europese strategische exercities.
Het Nederlands strategisch denken begeeft zich op drie niveaus: Nederland, de EU en de NAVO. Maar er is een blinde vlek: de Benelux, de Duits-Nederlandse militaire integratie en het Noordzeegebied. Juist daar bevindt zich een groot deel van de feitelijke militaire en economische macht waar Nederland dagelijks op steunt. Den Haag heeft traditioneel te veel aandacht voor de institutionele kant van de EU en te weinig voor de regionale machtsclusters die daadwerkelijk het fundament vormen van de Europese veiligheid.
Maar toch is er hoop. Het stuk meldt – interessant genoeg – de Noordzee expliciet als te verdedigen belang. Dat is misschien één van de opvallendste onderdelen van de hele strategie en mogelijk met goede gevolgen. Want zodra de Noordzee expliciet als veiligheidsbelang wordt benoemd, verschuift het perspectief van abstracte geopolitiek naar concrete geografie.
Van wereldland naar buurland
Nederland heeft zichzelf decennialang vooral gezien als wereldwijd handelsland, koploper of missionaris op allerlei gebied, diplomatiek knooppunt en voorvechter van de internationale rechtsorde. In de nieuwe veiligheidsstrategie verschijnt Nederland vrij onopvallend – maar veelbetekenend – als Noordzeestaat, stoelend op maritieme macht, als energieknooppunt en als logistieke toegangspoort tot Europa. Dat is een wezenlijk andere manier van denken.
De Noordzee is allang geen zee meer, maar een strategische ruimte, met offshore energievoorziening, windparken, internetkabels en dataverbindingen, gaspijpleidingen, elektriciteitsverbindingen en militaire aanvoerroutes. Na de sabotage van de Nord Stream en het verdachte gedrag van Russische vaartuigen op de Noordzee is het besef gegroeid dat onderzeese infrastructuur een strategisch doelwit kan zijn. De Noordzee is daardoor veranderd van economisch gebied naar veiligheidsgebied. En daarmee wordt ook de Benelux- en Duitsland-dimensie weer relevant. Want als je de Noordzee centraal stelt, ontstaat automatisch een ander kaartbeeld.
Dan kijk je niet eerst naar Brussel. Dan kijk je naar de landen rondom die zee: België, Duitsland, het VK, Denemarken en Noorwegen: een Noordzee-coalitie van zowel EU-lidstaten als niet-leden, inclusief twee van de belangrijkste Europese militaire machten (het niet-EU-lid) Verenigd Koninkrijk en onze militaire partner Duitsland, naast onze nauwe bondgenoot België. Geopolitieke logica en EU-logica gaan niet altijd samen.
Als je de Noordzee werkelijk als strategische kernruimte beschouwt, dan wordt het antwoord op de vraag of Nederland het veiligheidsbeleid wel primair moet organiseren via de EU een stuk minder vanzelfsprekend. Met andere woorden: de geografie wijst richting Noordwest-Europa, terwijl de institutionele logica van het document richting Brussel wijst.
Juist daarom zou je kunnen zeggen dat de passages over de Noordzee misschien de meest interessante passages van het hele document zijn. Want daar wordt veiligheid niet afgeleid uit waarden of instituties, maar uit ligging, infrastructuur, economische afhankelijkheden en militaire kwetsbaarheden. Onontbeerlijk voor strategische autonomie en klassieke realpolitik.
En als je die gedachte consequent doorvoert, kom je bijna vanzelf uit bij de conclusie dat voor Nederland juist de Benelux, Duitsland, het VK en de Noordzeeruimte van primair strategisch belang zijn, belangrijker in ieder geval dan de vraag of ons land nog meer bevoegdheden aan Brussel moet overdragen.
Wynia’s Week kijkt steevast over de dijken. En dan vooral naar de landen om ons heen. Bent u al supporter van deze onafhankelijke journalistieke kijk op politiek, economie en cultuur? Hartelijk dank!




















