Als er iets Nederlands is dan is dat het ongemak over nationale trots

BinaAyar 20-8-26
Scene uit de Barend Servet Show: Koningin Juliana maakt spruitjes schoon. ‘Ik integreerde in het toen vrijzinnige Nederland. Een land waar satire straffeloos de macht op de korrel nam, vrouwen hun lichaam niet hoefden te verhullen en bier en bitterballen noch een gevaar voor de volksgezondheid vormden noch voor de islam.’ Beeld: facebook.com

Artikel beluisteren

Een oud-hoofdredacteur wil meer diversiteit in zijn team, maar vindt moeilijk journalisten met een andere achtergrond, vertelt hij tijdens een journalistenlunch. Ik zit in zijn gezichtsveld. ‘Wat bedoelt u precies met diversiteit? Ik heb een andere achtergrond, maar schrijf veel over de geschiedenis van de waterschappen’, zeg ik. Ik heb de lachers op mijn hand. Iemand uit de groep adviseert hem te zoeken bij RFG Media, een organisatie voor gevluchte journalisten.

Hieruit concludeer ik dat ik te Nederlands ben om de krant meer kleur te geven. Enerzijds een teken dat ik als echte Nederlandse erbij hoor. Anderzijds staat diezelfde krant vol over ‘wit privilege’ en het belang van ‘inclusie’ van nieuwe Nederlanders.

Te Nederlands worden lijkt niet de bedoeling

Het tekent de gespletenheid van ‘tweestromenland’ Nederland. Een land van koopmannen en dominees. Een mooi, veelzijdig land dat graag de wereld de les leest, maar worstelt met zichzelf. Een land waarin internationale transities boven tradities staan, en een nationale identiteit gemakkelijk plaatsmaakt voor ‘identiteitspolitiek’.

Ik herhaal het maar weer: als er iets Nederlands is, dan is dat het ongemak over nationale trots. Nationalisme kan verbinden en zelfs een bevrijding van overheersing betekenen. Hier is nationalisme een besmet woord dat verward wordt met racisme en uitsluiting van minderheden. Terugtrekken in de eigen groep of ‘zuil’ mag, maar te Nederlands worden lijkt niet de bedoeling.

Dit was zelfs beleid. Mijn man (van Turkse afkomst) vertelt vaak hoe hij in de jaren zeventig op vrijdagmiddag tegen zijn zin uit de rekenles werd gehaald omdat hij verplicht naar de Turkse school moest. Later werd het ‘Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur’ afgeschaft. Maar daarmee is de kous niet af. Volgens de Onderwijsraad moeten scholen nu werk maken van talige diversiteit, ‘omdat Nederland een steeds diversere samenleving wordt en mensen steeds internationaler georiënteerd zijn’. Dat dit ten koste kan gaan van het Nederlandse taalonderwijs is bijzaak.

Iets typisch Hollands is een ‘guilty pleasure’

Nederlander zijn is ook de taal spreken, de geschiedenis kennen en je verbonden voelen met de omgeving waarin je leeft. Zo’n Nederlander kun je zijn en soms worden. Er is ook een type Nederlander dat niet Nederlands wil zijn. Die Nederlander identificeert zich als ‘Europeaan’. Die spreekt elke buitenlander in het Engels aan en vertelt graag dat hij of zij zich net zo thuis voelt bij de Turkse bakker als de Hollandse slager die uit het straatbeeld is verdwenen. Als hij toch iets typisch Hollands doet, zoals een fijn nummer van André Hazes draaien, noemt hij dat zijn ‘guilty pleasure’.

Zulke mensen ontmoette ik weleens op de universiteit. Dat ik seculier was opgevoed, leidde al tot verbazing. Op mijn beurt was ik verbaasd over de zorgen van een deel van mijn ‘witte’ medestudenten, in de jaren negentig. Hun Weltschmerz omvatte moslimdiscriminatie. Als Rotterdamse met Perzische wortels had ik daar andere beelden bij. Die werden vooral bepaald door de omwenteling en oorlog in Iran, waardoor het andere vaderland niet meer werd bezocht en ik nog meer integreerde in het toen vrijzinnige Nederland. Een land waar satire straffeloos de macht op de korrel nam, vrouwen hun lichaam niet hoefden te verhullen en bier en bitterballen noch een gevaar voor de volksgezondheid vormden noch voor de islam.

Een gedeelde afkeer van kortzichtig kuddegedrag

Ik groeide op in een Rotterdamse buitenwijk die is bejubeld vanwege vanzelfsprekende diversiteit, zonder poespas. Mijn basisschoolklas was de eerste diversere klas. Mijn links-progressieve middelbare school was een smeltkroes van nationaliteiten en ‘culturen’. Als Nederlanders waren we verbonden door eigen rituelen, en door de popcultuur van de jaren tachtig die een bloeiperiode doormaakte. De jaren van Doe Maar, Van Kooten en De Bie en Toontje Lager. De jaren waarin we elkaar vonden in een gedeelde afkeer van kortzichtig kuddegedrag.

In zekere zin was dat een ander land. Met de typisch Hollandse tolerantie die maakte dat ons land de primeur van het homohuwelijk had en de Amsterdamse jointlucht net zo Hollands was als klompen en tulpen.

Onbehagen en heimwee

Dat verleden was niet altijd rooskleurig. Als ondernemersgezin kregen we te maken met Nederland als ‘dadersparadijs’. Vooroordelen zijn ook van alle tijden. Maar intolerantie was niet de norm, zoals later -door langere tenen en meer moralisme- wel het geval zou zijn. Het verleden stond evenmin in dienst van een wenstoekomst.

Rond de eeuwwisseling raakte de transitiedrift in sneltreinvaart. De maakbare mens werd geboren, zodat ‘de Nederlander’ dagelijks zijn gedrag moet veranderen. De ene keer voor ‘diversiteit’ en dan weer voor digitalisering. Voor ‘gezondheid’, ‘gelijkheid’ of ‘veiligheid’. Sindsdien zijn we verbonden door onbehagen en heimwee.

De Nederlander bestaat

In Nederland transitieland hoort niemand erbij. Het is lastig je thuis te voelen in een land dat niet zichzelf wil zijn, zoals ik schreef in mijn Telegraafcolumn. De Nederlander bestaat. Tenminste als je ‘De’ zonder streepje schrijft. In juridische zin is dat een persoon met een Nederlands paspoort. De oorspronkelijke Nederlander is iemand met historische wortels in het land.

Daarmee is niet gezegd dat ‘een nieuwkomer’ geen Nederlander kan worden. Tenminste, als hij niet wordt belemmerd door het type Nederlander dat zich juist door zijn afkeer van ‘de ander’ Nederlands voelt. Zo’n Nederlander kan overigens ook een andere afkomst hebben, of ‘rechts’ zijn.

Supranationale agenda’s

Het is de onverschillige keerzijde van tolerantie die vaker vervreemdend werkt. Zo hoorde ik een succesvolle Turks-Nederlandse zeggen dat ‘je er toch nooit bij hoort’. Tot die conclusie was ze gekomen nadat het bedrijf waar ze werkte vanwege ‘inclusiviteit’ de kerst- en sinterklaasvieringen had afgeschaft en collega’s automatisch ervan uitgingen dat zij erachter zat.

Natuurlijk is de karikatuur van één type Nederlander (‘de Brave Hendrik’ of betweter) niet eigenhandig verantwoordelijk voor het vervagen van een herkenbare identiteit. Technologisering draagt bij aan eenvormigheid. De dominantie van supranationale agenda’s is geen exclusief Nederlands verschijnsel, al wil ons land daarbij graag gidsland zijn.

De discussie over De Nederlander laaide op doordat FvD-voorvrouw Lidewij de Vos Nederlanderschap aan etniciteit koppelde. Eerder stelde koningin Máxima dat de Nederlander niet bestaat. Diverse historici benadrukten het belang van een rustig, open debat over Nederlanderschap en liberaal-nationalisme.

Kan liberaal-nationalisme de boel bij elkaar houden? Het Nederlanderschap is ook een gevoel. Het is ‘he-he’ zeggen als je gaat zitten. En ontroerd raken door muziek van eigen bodem. Ook als je met een klein groepje praktisch de enige ‘personen van kleur’ bent bij een concert van Boudewijn de Groot. Ook als je keihard met ‘België’ meezingt: ‘En ik wil weg uit Nederland, want hier krijg ik het benauwd’. Het is kippenvel krijgen als Oranje scoort.

Tijd voor realisme én romantische trots

Dat sentiment is net zomin maakbaar als een thuisgevoel of de tijdgeest. De Nederlandse ‘volksaard’, voor zover daarvan sprake is, laat weinig ruimte voor ‘romantisch nationalisme’. Maar nu de Nederlandse nuchterheid plaatsgemaakt heeft voor hysterie over alles wat niet in het perfecte maakbaarheidsplaatje past, is de tijd rijp voor meer realisme én romantische trots.

Wil de authentieke Nederlander opstaan?

Wynia’s Week brengt broodnodige, onafhankelijke berichtgeving: drie keer per week, 156 keer per jaar, met artikelen en columns, video’s en podcasts. Onze donateurs maken dat mogelijk. Doet u (weer) mee? Hartelijk dank!